Jaar B, DHJ 22

Tweeëntwintigste zondag door het jaar B – Marcus 7,1-8.14-15.21-23

Nadat vijf zondagen lang het zesde hoofdstuk van Johannes werd voorgelezen over het levende Brood uit de hemel neergedaald, nemen wij opnieuw de draad op van het Marcusevangelie. Het meningsverschil tussen Jezus en de farizeeën over de wet en de beleving ervan dat voorheen reeds aan bod kwam, escaleert verder. De farizeeën laten geen gelegenheid onbenut om hun afkeuring te uiten over het gedrag van Jezus’ leerlingen, dat wil in feite zeggen: over de leer en het onderricht van de nieuwe Rabbi, die het niet zo nauw lijkt te nemen met de overlevering van de vaderen. Jezus van zijn kant is scherper dan ooit in zijn reactie. Huichelaars noemt Hij hen; en dat klinkt toch als een heel serieus verwijt uit zijn mond.

Als wij het in onze tijd met Jezus en zijn evangelie ergens eens over zijn wat kerk en samenleving betreft, dan is het wel hierover. Al die pietluttige regeltjes van weleer met enkel de traditie als argument! Gelukkig zijn wij daar goeddeels van bevrijd: vis eten uit versterving, als het voor de meeste mensen puur culinair genot is.

Maar wij moeten wel opletten om niet te veralgemenen: om enerzijds kerk en maatschappij als de dragers van geboden en verboden bij bepaling als hypocriet te bestempelen; en om anderzijds onszelf die het ook al hij bepaling uiteraard steeds goed bedoelen, daarom boven alle wet en voorschriften te plaatsen. Wij zijn vandaag toch de authentieke, vrije, moderne leerlingen van de Heer. Dat is pas huichelen tegen beter weten in; wie zijn dan de ware farizeeën in onze tijd?

Laat ons voor de duidelijkheid even nagaan wat voor soort mensen de farizeeën in Jezus’ tijd waren, wat hun opvattingen waren en welke levenswijze daaruit voortvloeide.

Farizeeër zijn was geen beroep, ook geen religieus ambt zoals priester of leraar. Het was het lidmaatschap van een soort sociaal-religieuze partij die mensen van een zekere stand groepeerde. Deze mensen distantieerden zich van vreemde zij het politiek-Romeinse, zij het filosofisch-Griekse invloeden, en bleven integraal trouw aan de Thora, de wet. In Jezus’ dagen telden zij daarom weinig regeringsfunctionarissen, tempelpriesters of raadsleden in hun rangen (de Romeinse bezetter verhinderde dat). Maar in elk geval waren de farizeeën de geestelijke leiders van het volk. Hun invloed was groot en dat wilden zij zo houden. Daarom keerden zij zich tegen Jezus, toen diens invloed bij het volk alsmaar toenam.

Rechtlijnig en rechtzinnig hielden de farizeeën zich dus aan de wet en de orthodoxe leer. Dat werd ook door Jezus erkend en geprezen. Zijn kritiek betrof de manier waarop zij dit in praktijk omzetten. Zij zwoeren bij het uiterlijk volbrengen van de wet waarbij het de facto ging over alle mogelijke schriftelijke en mondelinge regels en tradities, plichtplegingen en geplogenheden van ritualistische en formalistische aard. Inhoud was minder belangrijk. Barmhartigheid, naastenliefde, dienstbaarheid en gerechtigheid waren naar het tweede plan verwezen. Daarenboven gingen zij ervan uit dat hun wijze van wetvervulling garant stond voor het verdienen van het eeuwig leven waarin zij trouwens geloofden. Tegen deze
levenswijze gaat Jezus regelrecht in.

Huichelaars noemt Hij hen. Maar dat klinkt toch wel ongemeen sterk. Natuurlijk waren er komedianten bij, huichelaars in de ware zin van het woord. De meesten echter geloofden in wat ze deden en meenden oprecht dat het zo hoorde.

Synoniem van huichelaar is het uit het Grieks afkomstige hypocriet, dat vooral als bijvoeglijk naamwoord in gebruik is: hypocriet zijn. Het tweede lid van het woord is perfect te vertalen door kritisch. Kritisch zijn
is (ook weer letterlijk uit het Grieks vertaald) oordelen, iets goed wikken en wegen om er zich dan een oordeel over te vormen. Het voorvoegsel hypo is het tegenovergestelde van hyper. Hypo slaat op te weinig, hyper op te veel. Hypotensie is te lage bloeddruk, hypertensie te hoge. Hypo-kinetisch is te weinig beweeglijk, hyperkinetisch is overbeweeglijk. Hyper-kritisch is té kritisch; hypocriet is niet kritisch genoeg. Maar onze farizeeën zijn toch wél te kritisch – voor Jezus’ leerlingen bijvoorbeeld? Dat is zo, maar dat is het gevolg van hun hypocriet zijn ten aanzien van zichzelf: te weinig kritisch wat hun eigen interpretatie van de wet en hun daaruit voortvloeiende leefwijze betreft; niet juist oordelend over belangrijk en minder belangrijk; geen juist onderscheid makend inzake de Thora, waar zij juist overtuigd waren van hun ongenaakbaar groot gelijk op dit vlak.

Jezus verwijt hen niet dat zij welbewust de mensen wat voorliegen, maar dat zij zichzelf bedriegen, zich daaraan vastklampen en het volk daarin meetrekken. Huichelaars in die zin! Hypocriet in die zin! Hij zegt: je zit ernaast, je bent het spoor bijster; je weet niet meer waarom het te doen is; je bent Gods inspiratie kwijt. Je goochelt met allerlei voorschriften en plichtplegingen, maar intussen ben je vervreemd geraakt van Gods eigenlijke bedoelingen met de wereld, met de mensen en dus met de wet.

Wat is Jezus’ alternatief? Zuiver innerlijkheid? Moeten mensen niets doen, alleen maar wat nadenken en bidden? Alsof de mens een zuivere geest is die enkel per toeval in een lichaamsomhulsel rondloopt. Zo denkt Jezus, het vleesgeworden Woord van God, er niet over. Hij wordt door de evangelies ten voeten uit getekend als degene die al weldoende het land doorkruist en talloze zieken geneest. Precies dat was een doorn in het oog van de farizeeën die dat niet deden. Precies dat was de reden van hun tanende en van zijn groeiende invloed bij het volk.

Gaat het dan over een louter innerlijke religie qua eredienst en gebed? Inzake bidden is dat zeker goeddeels het geval. Het is toch verwonderlijk dat als Hij zich in de stilte terugtrekt om te bidden, dit door zijn leerlingen en door het volk, evenals door de farizeeën als ongekend en nieuw ervaren wordt. Heer, leer ons bidden… Anderzijds gelooft Jezus manifest in synagoge en tempel, in schriftverkondiging en lofzang. Zelf zal hij brood en wijn tot dé tekenen maken van zijn gegevenheid en blijvende aanwezigheid, en de maaltijd tot het teken van zijn nieuwe verbond.

Wat Hij echter afwijst, zijn riten zonder inhoud die hun symbolische en verwijzende betekenis mettertijd zijn kwijtgeraakt ten bate van het ritueel op zich, zomaar. Je handen wassen, ook als ze niet vuil zijn… Als dat bewust verwijst naar de intentie om het binnenin schoon en zuiver te maken of naar de inspanning die je daarvoor hebt gedaan, okee. Nergens staat trouwens dat Jezus zijn volgelingen verbood dat te doen Maar Hij gaat in tegen het feit dat de farizeeën dit zijn gaan zien als van groot belang op zich, los van de symboliek die bijkomstig of onbestaande was geworden. Erger nog: dat zij aan zoiets een magisch effect toematen, een garantiebewijs van verworven verdiensten, goed voor de eeuwige zaligheid.

Wat is dan Jezus’ alternatief? Uiterlijkheid én innerlijkheid als elkaars complement, elkaars weerspiegeling. Het goede denken dat hand in hand gaat met het goede doen. Het goede denken dat leidt naar het goede doen. Het goede doen dat de goede gedachte voedt. Op die manier wordt de wet in ere hersteld wat de prioriteit van barmhartigheid, gerechtigheid, dienstbaarheid, broederlijke liefde betreft. En dat doet allerminst afbreuk aan de noodzakelijke rol van eredienst en rite, op voorwaarde dat het ene de spiegel van het andere blijft: gebaar en woord, de weerspiegeling van de ingesteldheid van het hart, het ene heen en weer met het andere. Jezus’ alternatief, het alternatief van het christendom is een leven, een religie en een eredienst van het hart.

In het tweede deel van het evangelie expliciteert Jezus dit. Ten opzichte van het leuke eerste deel vinden wij de tweede helft eerder aan de stroeve en conservatieve kant. Die opsomming van alle zonden van Israël, zoiets ligt ons minder.

Maar het staat er wel. Niet wat vanbuiten komt, maar wat vanbinnen uit het hart komt, dat bezoedelt de mens, zegt de Heer. Wij zijn de eersten om toe te geven dat er heel wat fout loopt in ons doen en laten. Toch zijn wij er even vlug bij om de feiten los te maken van de innerlijke ingesteldheid. Zo slecht zijn wij nu ook weer niet aan de binnenkant, zeggen wij. Een tweede bedenking is dat die laakbare dingen binnen in het mensenhart kunnen gebeuren, realiteiten kunnen zijn, ook als ze uitwendig, de facto niet worden uitgevoerd. In je hart kun je diefstal plegen, ontucht, echtbreuk, bedrog. Je hart kan een moordkuil zijn.

Daarom is dit evangeliefragment geen evangelie over de alles relativerende vrijheid van leerlingen tegenover de wet, maar een evangelie van de diepe en steeds actuele tragiek van elk mensenhart dat voortdurend balanceert tussen – wij moeten Jezus’ lijst integraal durven aan te houden – boze gedachten en hemelse dromen; ontucht en zuiverheid van intentie; diefstal en eerbied voor andermans eigenheid; moord en levenwekkende bemoediging; echtbreuk en trouw aan het gegeven woord; hebzucht en solidariteit; kwaadaardigheid en vertrouwen; bedrog en eerlijkheid; losbandigheid en soberheid; afgunst en delen in elkaars lief en leed; godslastering en lofzang; trots en nederig dienstbetoon; lichtzinnigheid en de grote ernst van de liefde.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x