Jaar B, DHJ 21

Eenentwintigste zondag door het jaar B – Johannes 6, 60-69

Wij zijn aangekomen bij het einde van de broodrede. De evangelist Johannes vertelt hier dat na de afwijzing door de joden, ook vele van zijn leerlingen afhaakten. zij gaven de joden gelijk in hun protest en gemor en verlieten het gezelschap.

Over wie gaat het? Niet over de twaalf; die worden achteraf afzonderlijk vernoemd met een geheel andere reactie. Op verschillende plaatsen in het vierde evangelie zegt de auteur dat velen in Hem begonnen te geloven vanwege de tekenen die zij zagen. Klaarblijkelijk zagen zij enkel maar de buitenkant van die tekenen: wat het in hun ogen rechtstreeks voor henzelf te betekenen had, bijvoorbeeld in het geval van de broodvermenigvuldiging, het voedsel dat Hij hun te bieden had om hun lijfelijke en materiële honger te stillen.

Maar als Hij – om het bekende gezegde eens om te draaien – het woord bij de daad voegde, als Jezus de betekenis van zijn handelen nader toelichtte, als Hij in casu zichzelf voorstelde, aandiende, aanbood als het levende Brood uit de hemel neergedaald, dan wordt het hun te veel. Afhaken doen ze nog niet meteen, maar hun ongenoegen uiten ze wel. ‘Deze taal stuit tegen de borst,’ zeggen zij. Er wordt niet vermeld tot wie zij dat zeggen. Tot de twaalf? Of onder elkaar? Niet tot Jezus blijkbaar. Maar die wist het uit zichzelf, zegt de evangelist. Daar hoefde Hij trouwens geen helderziende of gedachtelezer voor te zijn.

Heeft de Heer Jezus dan niets ondernomen om hen opnieuw voor zich te winnen? Als Hij een goede, een moderne pedagoog was geweest, dan had Hij hen toch wat kunnen paaien en een en ander van zijn straffe uitspraken een beetje kunnen relativeren. Maar zijn reactie is zo mogelijk nog radicaler.

Ik ben het levende Brood uit de hemel neergedaald! Welnu, wanneer je daar al aanstoot aan neemt, wat ga je dan doen als je de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was? Dat wil zeggen: als je geloof te maken zal krijgen met kruis en opstanding, met verrijzenis en verheerlijking, met Hemelvaart en wederkomst?

Dat was zeer zeker de druppel die de emmer heeft doen overlopen. ‘Ten gevolge daarvan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten het gezelschap.’

Net voor dit vers staat er nog een heel merkwaardige uitspraak van de Heer, die Hij even eerder in de broodrede bijna letterlijk ook al eens heeft gedaan. ‘Niemand kan tot Mij komen, als het hem niet door de Vader gegeven is.’

Heeft het dan wel zin de joden of de hier bedoelde leerlingen te verketteren wegens hun ongeloof: het geloof is hun blijkbaar niet gegeven. Dit Jezuswoord bij Johannes lijkt erop te wijzen dat hetzij Jezus, hetzij toch zeker Johannes een aanhanger is van een predestinatieleer waarbij ongeloof teken is van niet-uitverkiezing. Geloven is dan louter en alleen genadegave.

Het geloof is genadegave, dat is onmiskenbaar het geval; maar dat werkt niet als een automatisme ingevolge voorbeschikking of goddelijke willekeur. Genade is slechts werkzaam als ze terechtkomt in een mensenhart dat er open voor staat, dat er zich vrijwillig open voor stelt, dat tot ontvangen, tot medewerken bereid is. Je zou het kunnen uitdrukken als volgt. Het aanbod van de Vader is er voor iedere mens; de gave zelf wordt slechts gegeven aan wie openstaat voor en uit vrije wil ingaat op het aanbod.

In de grote Proloog staat het zo reeds samengevat. ‘Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet. Aan allen echter die Hem wél aanvaardden… gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden.’

Omdat zij er niet open voor stonden, zegt Johannes, daarom hebben de joden Jezus afgewezen. Omdat zij er niet open voor stonden, hebben zijn leerlingen in spe geen stap verder meer gezet in die richting dan hun eerste opportunistische poging. De consequenties van Pasen, kruis en verrijzenis, opstanding en verheerlijking, Hemelvaart én wederkomst, die kunnen zij niet aanvaarden. Die Jezus kunnen zij niet aanvaarden: het levende Brood dat uit de hemel is neergedaald en weer ten hemel zal opstijgen.

En daarom haken ze af en verlaten het gezelschap.
Dan vraagt Jezus zelf aan de twaalf: ‘Wilt ook gij soms weggaan?’

Is dat een retorische vraag van iemand die al op voorhand weet dat het antwoord zal zijn: ‘Neen, wij blijven’? Of is dit de vraag van iemand die in geval van een ‘Ja, wij houden het voor bekeken’, klaarstaat om er het bijltje bij neer te gooien?

Jezus’ trouw aan zijn zending hangt zeker niet af van zijn leerlingen en zijn succes. Wel andersom: Jezus heeft een dermate groot vertrouwen in zijn Vader dat Hij er zonder meer op durft te rekenen dat zijn uitverkoren twaalf in zijn trouw zullen delen, ondanks zichzelf misschien en al is er een verrader onder hen.

Voor het eerst in het Johannesevangelie treedt Petrus op in de rol van hun woordvoerder. Maar het is niet de overmoedige en zichzelf overschattende Petrus die wij van elders kennen. ‘Naar wie zouden wij gaan?’ Dat klinkt als een besluit dat zij hebben genomen tegen beter weten in. Zoiets als: wij verstaan zelf niet goed waarom, maar iets houdt ons hier en dat is sterker dan onszelf.

Het vervolg van Petrus’ repliek gaat wel heel wat positiever klinken. ‘Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven. Wij geloven in U.’

De twaalf staan dus wél open voor de genadegave hun geschonken. Zij willen ingaan op het aanbod. Maar je beluistert helemaal geen lichtzinnigheid of grootspraak in hun geloofsbelijdenis. Zoals in het geheel van zijn evangelie en zoals in wat voorafgaat, rekent de evangelist ook hier als het ware de toekomst in die hij kent als hij zijn geschrift neerschrijft, en waarvan hij weet dat ze wat de twaalf betreft te maken zal hebben met verraad en verloochening en vlucht, als het uur van het kruis gekomen zal zijn. Maar daardoorheen en daarbovenop is de evangelist de bevoorrechte getuige geweest van de verrijzenis én van de verrijzeniservaring die als de bekroning van alle genade aan hen geschonken wordt en waarvoor zij zich vol schroom en vol dankbaarheid hebben opengesteld.

Dit is een evangelie van onze tijd. Afhaken lijkt wel een teken van onze tijd te zijn. Geloven lijkt voor velen niet langer te verzoenen met hun denken en hun weten. Zij ervaren het als een hinder en een beletsel om zichzelf te zijn.

Wij kunnen het alleen maar vaststellen en er verdrietig om zijn, ontmoedigd, of boos en onverschillig – ‘ze moeten het zelf maar weten’. Wij die gebleven zijn, hebben weinig moeite om bij onszelf de reactie van de twaalf te herkennen en terug te vinden: naar wie zouden wij anders gaan, Heer? Wij verstaan zelf niet goed waarom, maar iets houdt ons hier en dat is sterker dan onszelf. Ons past allerminst grootspraak, maar wel grote schroom en grote dankbaarheid.

Dat wij elkaar tot steun zijn om ons open te stellen voor de genade die ons wordt geschonken, om ontvankelijk te zijn voor het levende Brood, de Levende midden onder ons aanwezig.

Dat wij, ondanks onszelf, ons verraad, onze verloochening, onze vlucht, zozeer doordrongen worden van zijn levenskracht en zijn liefde dat wij de toekomst vol vertrouwen tegemoet zien en dat ons getuigenis waarachtig en sterk moge zijn om tegen alle schijn in heel de wereld aan te spreken en al onze zusters en broeders te winnen voor Gods vrede en Gods liefde.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x