Jaar B, DHJ 20

Twintigste zondag door het jaar B – Johannes 6, 51-58

De drie lezingen van deze woorddienst kunnen goed gelden als een les liturgie: als modelomschrijvingen van de betekenis van de drie grote delen van de eucharistieviering, namelijk de openingsritus, de dienst van het Woord en de eucharistische tafeldienst.

De eerste lezing uit het boek der Spreuken en de openingsritus. ‘Wie onervaren is, kome hierheen; en wie geen inzicht heeft, laat hem tot bezinning komen.’ Alles staat gereed voor het feestmaal. De gasten zijn uitgenodigd en maken zich klaar om te feesten.

In het epistel geeft Paulus les over wat de woorddienst is: naar Gods Woord luisteren uiteraard, zoals het ons in de Schrift is toevertrouwd. ‘Wees verstandig. Tracht te begrijpen wat de Heer wil. Laat u bezielen door de Geest.’

Maar een volwaardige liturgische woorddienst is niet enkel het beluisteren van de verkondigde boodschap, maar ook: ze beantwoorden, ze beamen. En dit gebeurt al zingende, zegt Paulus: elkaar bemoedigend en God dankend. ‘Spreek elkander toe in psalmen en hymnen en liederen, ingegeven door de Geest. Zing en speel voor de Heer van ganser harte. Zeg altijd dank voor alles aan God de Vader in de naam van onze Heer Jezus Christus.’

Het evangelie is andermaal een fragment uit het lange zesde hoofdstuk van Johannes over het levende Brood. De gehele zogenoemde broodrede is gespreid over de evangelielezingen van de zomerse zondagen in de B-cyclus. Vandaag is het de vierde episode in de rij van vijf. Stilaan nadert het slot. En naar het einde toe slaat de woordkeuze om: eerst van brood naar vlees, dan nog onverwachter naar vlees-en-bloed. Steeds duidelijker gaat het, zo wordt vrij algemeen begrepen en aanvaard, over eucharistie. Er zijn weliswaar exegeten die beweren en trachten te bewijzen dat Johannes het niet over eucharistie heeft, ook niet impliciet, maar dat hij het levende Brood enkel in het algemeen stelt als symbool voor de Heer Jezus: als het geestelijk voedsel voor wie in Hem gelooft.
Dat het daarover gaat, spreekt voor zich. Dat sluit echter niet uit of spreekt niet tegen dat de evangelist tegelijk de eucharistie bedoelt en beoogt. In de logica van het verhaal kan dit inderdaad hoogstens impliciet zijn als een profetie naar later toe. Maar in de theologica, de theologische logica van de auteur van het vierde evangelie past eucharistie helemaal in dit kader en kan er niet uit weggedacht worden.
De grote kracht en boodschap van dit evangelie liggen er precies in dat wordt betoond hoe een en ander onlosmakelijk verbonden is: eucharistie en leven; hoe beide zin en betekenis geven aan en krijgen van elkaar: leven én eucharistie.

Enerzijds handelt heel de broodrede over geloven in Jezus: zijn boodschap, zijn levenswijze; geloven in de christelijke liefde, de caritas; geloven dat het gegeven leven het volle leven wordt.

‘Ik ben het levende Brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit Brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. ‘Anderzijds gaat het tezelfdertijd over het teken bij uitstek van dit geloof en deze liefde, van het gegeven zijn en van het volle leven: de eucharistie als onlosmakelijk complement van geloof en leven.

Leven en liturgie gaan hand in hand met elkaar.

Deze eenheid tussen beide, het levende Brood in zijn algemene én specifieke symboolbetekenis, is voor Johannes zonder meer vanzelfsprekend, behoort tot de natuur zelf van het christelijk geloof. Voor christenen van vandaag lijkt dat minder vanzelfsprekend. En dan gaat het niet over de exegetische interpretatie van de tekst, maar wel over de existentieel-gelovige toepassing ervan.

Zoals in Jezus’ tijd de joden redetwistten onder elkaar, zo discussiëren vandaag de christenen onderling.
Als je maar regelmatig eucharistie viert, naar de mis gaat, zegt de één, dan ben je een goed christen. De rest kan erbij komen, maar dat is een zaak tussen je geweten en God.

Als je maar van je medemensen houdt, zegt de ander, als je maar geëngageerd bent, dan ben je een goed christen. De rest is uiterlijkheid en vaak enkel schone schijn.

Eucharistie is toch zo’n levensvreemd gebeuren, zegt de een. Het spreekt mensen zo weinig aan.
Het actieve leven is toch zo profaan, zegt de ander, zo ver van God, zo God-vreemd.

Deze discussie betreffende ‘of-of’ is al even oeverloos als die over de interpretatie van de Bijbeltekst. Waar er geen probleem zou mógen zijn, daar schieten beide stellingen naast elkaar door, omdat ze allebei voorbijgaan aan de boodschap van de broodrede: dat leven én eucharistie niet zonder elkaar kunnen, maar hand in hand gaan en dienen te gaan.

In de perikoop van vandaag is haast iedere zin een tweeledige zin. Het eerste lid over eten en drinken mondt rechtstreeks uit in het tweede lid over leven: als elkaars voorwaarde en gevolg.

‘Het Brood dat Ik zal geven is mijn vlees
ten bate van het leven van de wereld.’
‘Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u.’
‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt,
heeft eeuwig leven; hij blijft in Mij en Ik in hem.’

Vertrek je van het teken, van eucharistie, dan moet je noodzakelijkerwijze terechtkomen bij het leven.

Vertrek je van het leven, zoals de Schepper het wil en de Heer het verkondigt, dan mondt de christen vanzelfsprekend uit hij de viering van de eucharistie. Dat is het testament dat Jezus aan zijn leerlingen heeft nagelaten. ‘Doe dit om Mij te gedenken.’ Maar tegelijk en in dezelfde ene adem: ‘Heb elkander lief, zoals Ik u heb liefgehad.’

Als wij dan eten van dit Brood en drinken uit deze Beker, verkondigen wij het gegeven leven van de Heer tot Hij wederkomt in de heerlijkheid van de verrijzenis, de volheid van leven.

Als wij eten van dit Brood en drinken uit deze Beker, verkondigen wij, belijden wij dat wij in zijn voetsporen willen treden om aan elkaar gegeven te zijn, om ons leven als brood met elkaar te delen.

Bij het begin van de communieritus prijzen wij ons terecht zalig: dat wij genodigd zijn aan de maaltijd van de Heer. Mogen wij dat doen in het besef dat dit een opgave inhoudt voor ons concrete leven straks. Wij bidden dan ook dat wij dit teken ons gegeven, niet verloochenen in ons samenleven met elkaar. Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond zijn.

Het moment van de communie – zo hebben wij terecht geleerd – is het ogenblik hij uitstek van vereniging met de Heer en met elkaar. Maar meer dan enkel of louter ingekeerde innerlijkheid en vroomheid is het ook het ogenblik bij uitstek van persoonlijk engagement ten aanzien van de boodschap die ons is verkondigd en de concrete levenstaak die ons wacht.

Moge ten slotte alle leven en eucharistie vieren hand in hand uitmonden daar waar het begon en waar het thuishoort: in de dankzegging aan de Vader in de naam van onze Heer Jezus Christus.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x