Jaar B, DHJ 19

Negentiende zondag door het jaar B – Joh 6, 41-51

Velen onder ons hebben vroeger nog geleerd hoe de heilige kerk – universeel en de grenzen van tijd en ruimte overstijgend – in drie categorieën onder te verdelen is: de lijdende kerk, de strijdende kerk en de zegevierende kerk.

Wat klinken die termen ons oud in de oren! Een strijdende kerk… zijn er daarvoor geen modernere en dus (?) juistere omschrijvingen te vinden? Een open kerk bijvoorbeeld, een mondige kerk, een kritische kerk? Al lijkt het soms wel eerder een morrende kerk, een sceptische kerk.

Sceptisch, als het gaat over het stukje hemel dat de kerk ook is: het stukje wonder, het stukje buiten en boven het gewone, ontsnappend aan je menselijk kunnen en kennen en het overstijgend; als het gaat over een stukje God, ongrijpbaar en onvatbaar.

En morrend, als het gaat over dat andere stukje, het stukje aarde dat de kerk ook is: het stukje gewoon, klein, menselijk, klein-menselijk, getekend door de beperktheid en de onmacht van mensen; als het – ook dan – gaat Over een stukje God, dat stukje God dat zo eenvoudig is als het gelaat van een kind en zo gewoon als de gangen van een man in ons midden.

Onze kerk is inderdaad nogal eens een sceptische, een morrende kerk. Als het gaat over eucharistie bijvoorbeeld, dat ene topmoment van kerk-zijn rondom het Brood uit de hemel neergedaald.

Naar de kerk gaan, liturgie vieren, naar de mis gaan dat zegt mij weinig of niets. Wat heb ik daaraan? Iedereen moet toch toegeven dat die gemeenschap vaak allesbehalve een broederlijke gemeenschap is, dat de woordverkondiging vaak een oeverloos gepraat is, dat de communie aan het éne Brood een wat minder geslaagde camouflage is van de schrijnende verdeeldheid onder mensen in het algemeen en christenen in het bijzonder.

Trouwens, de geschiedenis van de morrende kerk is ouder dan de kerk zelf, is zo oud als de straat. De joden in de woestijn morden tegen Mozes, eerst omdat er geen eten, geen brood was en daarna omdat het hemelse manna maar flauwe kost leek te zijn.

Wat een pittoresk woord is het woord ‘morren’. Het is alsof de joden in de woestijn onze taal goed kenden. Zij morden. Zij zeiden: mor, mor, mor, Mozes toch!

En de joden ten tijde van Jezus morden al evenzeer. Zij morden tegen Hem, omdat Hij toch veel te weinig prestige had voor een messias: die man kennen wij toch met naam en toenaam. Plus komt daarbij dat onthutsende onderricht van Hem: moet dat óns evangelie zijn?

Jezus zegt: mor toch niet onder elkaar. Want morren is er precies het teken van dat de Vader je niet trekt, dat je je niet door de Vader, door God laat trekken, laat aantrekken, laat voorttrekken, laat optrekken. En dan kom je niet bij Hem terecht en niet bij Mij, niet de joden van toen en niet de kerk van nu.

Als de eucharistie ons nu zo sceptisch laat als Jezus’ tijdgenoten het waren na de broodvermenigvuldiging, is dat dan niet omdat wij, bijvoorbeeld in de verkondiging van het Woord, veeleer zoeken naar ons eigen geredeneer, ons eigen grote gelijk in plaats van ons te laten aantrekken door de Vader, ons te laten aanspreken door het spreken van God, het woord van God?

Is dat dan niet omdat wij meer geïnteresseerd zijn in babbelen met onszelf, in over en weer praten of ruziën onder elkaar, dan wel in gemeenschap vormen met elkaar en met de Vader, in het samenzijn met God?

Is dat dan niet omdat wij liever teren op onze kleine eigen voorraad aan levenskrachten dan ons toevertrouwen aan het leven zelf, aan een God, hier aanwezig in een stukje geconsacreerd Brood, teken ons gegeven van leven?

Wij moeten nodig een brood-kerk worden; de morrende kerk, de sceptische kerk, broodnodig: een kerk van mensen rondom het Brood.

Waarom precies het brood? Omdat het brood in zich draagt en uitdrukt alles wat van het leven is: alle gegeven zijn en alle opgave.

In de oude Bijbel staat enerzijds dat de mens zijn brood moet winnen in het zweet van zijn aanschijn; anderzijds staat er ook dat het ons gratis en overvloedig gegeven wordt.

Mensen morren tegen het leven, tegen het levende Brood, omdat het zoveel last en tranen, zweet en zorg meebrengt. Mensen hebben argwaan tegen het leven, het levende Brood, omdat zij veel beter menen te weten dat er zomaar geen geschenken worden uitgedeeld.

Geloven in het leven, geloven in het Brood van het leven wil het morren en het argwaan hebben omzetten in aanvaarden: je laten aantrekken, voorttrekken, optrekken door God; het leven aannemen als je taak, je dagelijks eendere taak met de zorgen en de tranen en de pijn, broos en kwetsbaar als enkel het leven is; en tegelijk het leven aannemen als een kostbaar geschenk, zo mooi als er geen ander is, zo onverwoestbaar als enkel het leven is.

Daarom is onze Heer Jezus het levende Brood: die de last en het lijden op zich nam in trouw en zelfvergeten gegevenheid tot het kruis toe.

Als wij dan eten van dit Brood, verkondigen wij de dood des Heren.

Maar ook: Hem van wie het hele leven één dankzegging, één lofprijzing is geweest aan de Vader, Schepper en Schenker van leven, van eeuwig leven.

Wij verkondigen zijn dood en wij belijden zijn verrijzenis.
En zo totdat Hij wederkomt, eten wij van dit levende Brood uit de hemel neergedaald.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x