Jaar B, DHJ 17

Zeventiende zondag door het jaar B – Job 6,1-15

Met de evangelietekst van vandaag als eerste wordt de lezing van het Marcusevangelie in deze B-cyclus voor vijf zondagen onderbroken voor de vrijwel volledige lezing van het zesde hoofdstuk van Johannes. Dat begint met het verhaal van het broodwonder dat vandaag aan de beurt is, en gaat dan vier zondagen lang verder met de zogenaamde broodrede, het grote twistgesprek tussen Jezus en de joden naar aanleiding van het wonderbaarlijke broodgebeuren.

De broodvermenigvuldiging is een van de meest spectaculaire en intrigerende wonderen uit het evangelie. Het is bovendien, zoals het wijnwonder in Kana, wat je zou kunnen noemen een luxewonder – denk maar aan de overvloed die duidelijk in het licht wordt gesteld. En het is, zoals het stillen van de storm en het wandelen over het water, een natuurwonder, of moet je veeleer zeggen: een tegennatuurwonder. Daarom doet het bij ons en bij velen nog meer vraagtekens rijzen dan bijvoorbeeld de genezing van een zieke. Hoe kan dat? Is dat wel echt gebeurd? Of moet dit alleen maar symbolisch verstaan worden?

Tegelijk valt op dat de broodvermenigvuldiging het meest verhaalde van alle evangelische mirakels is. Zesmaal komt het voor: tweemaal bij Marcus, tweemaal bij Matteüs, eenmaal bij Lucas en eenmaal bij Johannes. Het meest opmerkelijke hierbij is dat het het enige Jezuswonder is waarover deze Johannes tot in het rekenkundige detail overeenstemt met zijn collega’s: vijf broden en twee vissen voor vijfduizend mensen, en nog eens twaalf korven vol op overschot.

Als het zo vaak verteld wordt, is het minste dat je daaruit kunt afleiden dat Jezus met zijn leerlingen en zijn talrijke toehoorders wellicht meermaals samen ‘gepicknickt’ heeft, dat het misschien wel een gewoonte was om dit te doen. Maar dan ligt het al evenzeer voor de hand om te besluiten dat er ooit wel iets wonderbaarlijks gebeurd moet zijn bij zo’n gelegenheid: rondom het brood, wat het dan ook geweest moge zijn.

Wij zeiden reeds dat Johannes’ versie tot in het detail klopt met die van de synoptici. Uiteraard zijn er wat verschilpunten. Wij vermelden er hier twee die ons wel van enig belang lijken te zijn.

In tegenstelling tot de anderen noteert Johannes dat het paasfeest nabij was. Laat ons voorlopig daar alleen maar uit besluiten dat voor hem het broodwonder door Pasen gekleurd is, een licht werpt op het Pasen van de Heer, een tekenwaarde heeft naar zijn Pascha toe: naar de avond van het afscheid, de avond van het ultieme eucharistische broodwonder; naar het kruis toe van zijn levensgave; naar zijn opstanding ten leven toe, zijn verrijzenis en verheerlijking bij de Vader in de hemel.

Een tweede detail lijkt op het eerste gezicht nog minder betekenisvol. Bij de synoptici vraagt Jezus aan zijn apostelen, hoeveel brood zij in voorraad hebben. Het antwoord is steeds: zeven, of beter gezegd: vijf broden en twee vissen. Bij Johannes vraagt de Heer dat niet. Daar komt Andreas uit eigen beweging voor de dag met de mededeling: ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen.’
In de context van het verhaal vraag je je af wat een jongen daar in die weide, op die groene helling tussen al dat volk, komt doen met vijf broden en twee vissen. Waar heeft hij die vandaan? Waarvoor moeten ze dienen? Vijf broden lijkt zo massaal voor één jongen. En vissen in de volle zon op die woestijnachtige plek, die blijven ook niet zo lang fris.

Over die vissen stapt men gewoonlijk vlug heen, want die komen in het verdere verloop toch niet meer ter sprake. Maar elke evangelist vernoemt ze wel, en ik meen ook dat het zijn belang heeft, omdat ze wordt aangegeven dat het geheel niet zomaar symbolisch is zonder meer. Met enkel brood ga je dat vlugger denken, maar met die vissen erbij ligt dat anders.

Wat die vissen betreft, ligt er een spoor van ‘oplossing’ in het Griekse taalgebruik van Johannes. De synoptici gebruiken de courante term ichtus, ons ook wel wat vertrouwd uit de vroegchristelijke cryptische voorstellingen in de catacomben bijvoorbeeld: ichtus, als zijnde de samengebrachte beginletters van Jesus Christos Theou (h)Uios Soter: Jezus christus, Gods Zoon, onze Heiland. Maar Johannes gebruikt het woord ‘opsa non’, gedroogde vis.

Twee kleine gedroogde visjes had hij bij zich, de jongen, en vijf gerstebroodjes; die zullen ook wel klein geweest zijn, kleine platte gerstebroodjes of gerstekoeken. En voor de jongen zelf gebruikt de evangelist ook niet het gewone woord ‘pais’, jongen, kind; maar: ‘paidarion’, een kleine jongen, een jongetje. Hier is een jongetje met vijf pistoletjes en twee sardientjes om het zo eens plastisch uit te drukken. Dat lijkt al heel wat aannemelijker: mondvoorraad op maat.

In de oude Statenbijbel, helemaal in Vondels taal opgesteld, staat letterlijk – schrik niet – ‘Hier is een jongsken met vijf gerstebroodjes en twee visjes.’

In een poëtische homilie over dit verhaal zegt de grote Nederlandse voorman van oecumene en liturgische vernieuwing, dominee Willem Overbosch:

‘Een kleine jongen is beschikbaar om priesterdienst te verrichten met vijf broden en twee vissen: even onooglijk als brood en wijn en water bij avondmaal en doop. Maar in dat onooglijk elementaire komt de Heer ons tegemoet, daarin geeft Hij ons zijn toenadering te kennen. En zie: het is voldoende om de hele schare te verzadigen.’

Men kan hierin een grond herkennen voor de klassieke verklaring van het gebeuren: dat de beschikbaarheid en het voorbeeld van één, onder de indruk van de Heer Jezus, onder de invloed van zijn woord en mensenliefde en uitstraling, tot gevolg hadden dat de vijfduizend samen gingen delen wat eenieder voor zich had meegebracht, dat ze samenlegden voor elkander, zodat nog twaalf korven overschot werden vergaard: overvloed in plaats van tekort aan voedsel.

Dat is een mooie uitleg die een en ander vrij aannemelijk maakt. Maar het is geen uitgemaakte zaak en geen zekerheid. Niets verbiedt ons om de zaak op die wijze te benaderen. Maar toch laten wij best de nodige ruimte voor het mysterie van Jezus’ ingrijpende en wondere daadkracht die centraal staat en blijft staan. Zesmaal wordt het verhaal verteld. Alle vier de evangelisten leggen hetzelfde getuigenis af. Dan kun je er niet omheen dat er rondom het brood bij die gelegenheid iets wonderbaarlijks gebeurd is, wat het ook moge zijn. Tenslotte mogen wij niet vergeten dat het duidelijk niet alleen over lichamelijke voeding gaat, maar daarbovenuit over geestelijk voedsel voor levenshongerige mensen.

Willem Barnard heeft van dit evangelie en zijn simpele wiskunde van vijf plus twee is zeven een uniek gedicht gemaakt, een lied tegelijk zo speels en poëtisch als ernstig en diep. Allicht heeft hij daarbij ook het jongetje voor ogen gehad, want het lijkt echt een kinderlied, hetgeen dan sommige serieuze lieden de wenkbrauwen doet fronsen over zo’n infantiel lijkend vers. Maar het is niet infantiel. Dat zal vooral duidelijk worden in de opbouw, strofe voor strofe. Iedere strofe is als een nieuwe kring, rondom de vorige getekend, zodat het geheel vijf concentrische cirkels vormt. En die cirkels worden de ene na de andere getekend, steeds meer naar Pasen toe. Barnard heeft goed gelezen dat Johannes opmerkt dat het paasfeest nabij was.

De eerste strofe is eenvoudig het resumé van het verhaal.
Zeven was voldoende / vijf en twee
Zeven was voldoende / voor vijfduizend
op de heuvels langs de zee.

De tweede strofe doet niet minder of niet meer dan het verhaal verleggen van toentertijd naar onze tijd. ‘Zeven wás voldoende’ wordt ‘zeven is voldoende’. Van eenvoudig voedsel wordt het dagelijkse geestelijke levenskost.
Zeven is voldoende / toen en nu.
Zeven is voldoende / alle dagen
van ons leven dank zij U.

De derde strofe is de sacramentele strofe. ‘Zeven is voldoende’ wordt hier ‘Jezus is voldoende’. Vooral de laatste regel gaat duidelijk de richting uit van avondmaal en eucharistie: ‘als de kring gesloten is’.
Zeven is voldoende / brood en vis.
Jezus is voldoende / voor ons allen,
als de kring gesloten is.

Neen, dit laatste vers is er niet, zoals sommige eerdergenoemde serieuze lieden opwerpen, enkel maar om te rijmen. Het duidt op het samen aanzitten rondom de tafel, het samen in de kring rondom het altaar staan om te communiceren aan het Lichaam en het Bloed van de Heer.

Dan komt de vierde strofe, de goedevrijdagstrofe, de strofe van kruispasen.
Voed ons met uw leven / vis en brood,
alle zeven dagen / Gij verzadigt
allen met uw offerdood.

De vijfde strofe ten slotte is de strofe van verrijzenispasen, van de verheerlijking en van de wederkomst, de maranathastrofe.
Want Gij zijt de eerste / rond alom.
Ja, Gij zijt de eerste / en de laatste.
Kom, o Here Jezus, kom.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x