Jaar B, DHJ 14

Veertiende zondag door het jaar B – Marcus 6, 1-6

Soms komt bij ons de gedachte op dat Jezus’ tijdgenoten het toch wel heel wat gemakkelijker gehad moeten hebben om in Hem te geloven dan wij, aangezien zij Hem rechtstreeks ontmoetten, Hem hoorden spreken en met Hem spraken, Hem bezig zagen, Hem kenden. Maar blijkbaar was dat toch niet het geval.

Neem nu de apostelen. Drie jaar lang zijn zij dag in dag uit met Hem opgetrokken, en nog begrepen zij Hem niet. En vanaf het begin van zijn apostolaat geldt hetzelfde voor mensen die Hem dertig jaar lang nabij waren geweest, zijn leven lang: zijn familie, zijn buren, zijn kennissen, zijn dorpsgenoten. Zij hadden alle reden om er trots op te zijn dat iemand uit hun eigenste midden met zoveel wijsheid en wonderkracht begenadigd was. Maar zij waren niet trots. Integendeel, zij namen aanstoot aan Hem: aan wat Hij was, aan wat Hij deed en zei.

De vraag die zich opdringt, is dan ook wat heeft Jezus wel verteld bij zijn eerste toespraak, zijn eerste optreden in de synagoge van zijn vaderstad Nazareth om zo’n felle reactie uit te lokken?

De evangelist Marcus omschrijft het niet nader in zijn korte relaas van de feiten. Rechtstreeks weten wij het dus niet uit deze bron. Maar onrechtstreeks weten wij het wel: iedere bladzijde van het evangelie confronteert ons met de boodschap die Jezus bracht. En meer dan het evangelie of dé evangelies: heel de Schrift doet dat.

Duidelijk is dat de Heer Jezus zich in Nazareth als profeet heeft aangediend want in zijn eigen conclusie over de reactie van zijn toehoorders zegt Hij: een profeet wordt niet geëerd in eigen land. ‘Geen sant in eigen land,’ zo drukt onze taal het nu nog uit.

Welnu, wat profeten gezegd hebben, dat staat volop in de oude Schrift. Neem nu bijvoorbeeld de profeet Ezechiël, in de eerste lezing van deze zondag. Liturgiemakers hebben ze welbewust gekozen vanwege het verband van deze tekst met het dagevangelie.

De Geest is op mij neergedaald. Hij heeft mij de woorden die ik zeggen moest in de mond gelegd: ‘Dit is een opstandig, een weerbarstig, een nukkig volk. En of zij nu luisteren of niet, zij zullen weten dat er een profeet in hun midden is.’

Als Jezus iets in die aard gezegd heeft – en dat zit er dik in – dan is de reactie van zijn toehoorders, net zoals die in de tijd van Ezechiël, best te begrijpen. Dertig jaar heeft Hij bij ons gewoond. En in plaats van een beetje eerbied en erkentelijkheid te geven scheldt Hij ons maar direct de huid vol en noemt ons: weerbarstig, nukkig. Zou je je daaraan dan niet ergeren? Is dat niet echt iets om aanstoot aan te nemen?
Marcus’ collega Lucas vertelt het verhaal van Jezus’ eerste optreden in Nazareth op zijn manier, met meer tekst en uitleg erbij. Hier staat wel te lezen wat Hij gezegd heeft.

Zoals gebruikelijk voor rabbi’s in de synagogedienst heeft ook Hij een profetentekst voorgelezen. Niet Ezechiël weliswaar, maar diens collega Jesaja. Wij kunnen in elk geval zeggen dat die tekst lang niet zo agressief is, maar veel positiever overkomt.

De Geest is op mij neergedaald. Hij heeft mij duidelijk gemaakt wat mijn profetentaak is: aan armen de Blijde Boodschap brengen, aan zieken genezing toezeggen, aan verdrukten bevrijding melden – kortom, aan mensen vertellen dat God hun genadig zal zijn.

Dat lijkt aanvaardbaar voor de toehoorders in Jesaja’s tijd en voor die in Jezus’ tijd. Aan een boodschap van hoop wordt geen aanstoot genomen.

Maar dan komt het. Jezus houdt het niet bij enkel het voorlezen van Jesaja tekst. Jij sluit het boek en begint er zijn commentaar bij te geven.

Dit is kort en krachtig, niet mis te verstaan: ‘liet profeten woord dat Ik heb voorgelezen, is hier en nu volle actualiteit geworden, is hier en nu in vervulling gegaan, is in Mij in vervulling gegaan.’

Opnieuw wordt nu de felle reactie van het publiek begrijpelijk. Dertig jaar lang hebben wij deze jongeman in ons midden gekend: een goede, onopvallende timmermanszoon. Dan is hij een tijdje de woestijn ingetrokken voor God-weet-welk avontuur of belevenis. En nu is Hij daar terug: blijkbaar een verstandige, begaafde, wondere jongvolwassene – daar niet van. Maar om dan bij de eerste de beste gelegenheid zo hoog van de toren te blazen, dat getuigt toch niet van veel tact of voorkomendheid.
Ik kan mij voorstellen dat als ikzelf, zoveel jaar geleden, bij mijn eerste preek in eigen parochie mij zo zou hebben voorgesteld, de mensen van het thuisfront ook wel – en niet onterecht trouwens – zouden hebben gedacht: die is op zijn kop gevallen; het is hem naar het hoofd gestegen.

De reactie van de toehoorders, hun afwijzing, hun ‘ongeloof’ is des te begrijpelijker, omdat Hij in feite van zichzelf zegt: de Geest van God is op Mij neergedaald, op Mij!

De Geest op Hem neergedaald? De Geest is toch het uitzonderlijk voorrecht van hen die het volk te leiden hebben: rechters en koningen, mensen van hoge afkomst, mensen van macht en aanzien; maar toch niet zomaar eentje uit ons midden, laat Hem toevallig wat verstandiger en welbespraakter, wat handiger en begaafder zijn dan de meesten van ons?

Daar ligt de kern van de zaak. Jezus was hun té gewoon, een mens van tussen de mensen. Als die zich dan de rol en de titel toe-eigent van rechter en koning en profeet en Messias, dan kunnen zij daar niet bij: dat nemen wij niet, dat ergert ons, daar nemen wij aanstoot aan.

Of, met andere woorden: dat geloven wij niet. In Hem geloven wij niet.

En wij die zeggen wél in Hem te geloven, die het menen, het proberen – zo goed als het kan – en er trots op zijn dat wij zijn Naam dragen, wat betekent ‘in Hem geloven’ voor ons?
Geloven betekent: aannemen dat wij in ons leven, in ons denken, voelen en doen, die God kunnen ontmoeten heel diep in het binnenste van ons bestaan, maar ook en evenzeer in de ontmoeting met een andere mens, een mens zoals ieder van ons er zelf een is.

Geloven in Jezus Christus betekent: aannemen dat deze gewone man, deze éne en unieke mens in zijn leven die godsontmoeting totaal en voor honderd procent heeft gerealiseerd, omdat Hij Gods eigen Zoon is. Evengoed kunnen wij zeggen: zodat en opdat wij in deze man, Gods eigen Zoon erkennen, mens onder de mensen, voor alle tijden geboren uit de Vader en op wie zijn Geest is neergedaald.

Geloven in Jezus Christus is: geloven dat in Hem de tijd stilstaat.

Geloven in Jezus Christus betekent: met ons verstand, ons hart en onze handen aannemen dat wij – hier en nu – in de mens Jezus God kunnen ontmoeten en dat daar vertrekpunt en aankomstplaats, doel en zin gelegen zijn van alle ontmoetingen van mensen onderling: kinderen van de Vader, onze zusters en broeders, in Jezus de Heer.

En andersom: dat de ontmoeting met eenieder die mijn wegen kruist, met elkeen die om mijn dienst en vriendschap vraagt, met elk die mij zijn dienst en zijn vriendschap aanbiedt, met wie geen dienst of geen vriendschap vraagt of aanbiedt, maar er des te meer behoefte aan heeft – kortom, dat elke waarachtige ontmoeting van mensen onderling de afstraling en de, weerspiegeling kan zijn van de ontmoeting met de Heer, de plaats en het moment dat schepping en verlossing, amor en caritas zichzelf, dit betekent Gods droom, realiseren.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x