Jaar B, DHJ 13

Dertiende zondag door het jaar B – Marcus 5, 21-43

In het lectionarium en in de volksmissalen staande verzen 24 tot 34 tussen haakjes. Die passage mag dus om zogenoemde pastorale redenen weggelaten worden, als men het geheel te lang vindt bijvoorbeeld. Velen zullen deze suggestie graag volgen, zodat het genezingsverhaal van de vrouw die aan bloedvloeiingen leed, praktisch nooit wordt voorgelezen en dus helemaal onbekend is en blijft.

Iets tussen haakjes plaatsen wil meteen ook zeggen dat dit deel minder belangrijk is en dat het niet nodig is om wat voorafgaat en wat volgt te begrijpen. En dus…

Op die wijze doet men allicht onbewust met een evangelietekst wat de maatschappij toen en nu in feite met de vrouw in kwestie deed en doet. Zij is helemaal niet belangrijk. Haar ziekte heeft haar buiten de samenleving geplaatst zetten haar tussen haakjes. Hoeveel kleine lieden, oudere, zieke, gewone mensen, worden op die manier door hun o zo belangrijke medeburgers inderdaad tussen haakjes geplaatst?

En dan is er nog die tweede consequentie van de haakjes: niet belangrijk maar ook niet nodig om het wél belangrijke deel vóór en na te verstaan. Is dat zo? Het zou weleens zo kunnen zijn dat voor de evangelist zelf het middendeel van zijn verhaal geen tussendoortje is, maar het centrum, het middelpunt. Een argument daarvoor is bijvoorbeeld dat dit centrale deel zich afspeelt in het openbaar met vele toeschouwers als getuigen, waar het andere gebeuren totaal in de privésfeer blijft, haast stiekem en zonder getuigen.

Als wij hierop verdergaand beide gebeurtenissen wat nader met elkaar vergelijken, brengt ons dat bij een aantal verschilpunten en een aantal gelijkenissen die niet anders doen dan beide delen met elkaar verbinden tot een hecht geheel, iets dat je niet zomaar scheidt of uit elkaar houdt.

In beide gevallen gaat het over een vrouw. Men gaat nogal graag op zoek naar de symboliek die hierin schuilt. Voor mij heeft het enkel te maken met juist die eenheid van het dubbelverhaal: een reden te meer om niets tussen haakjes te zetten.

Beide vrouwen zijn heel verschillend. De ene is het jonge dochtertje van een vooraanstaand figuur, een vader die het opneemt voor zijn kind dat zich bij hem geborgen weet. In het andere geval gaat het over een alleenstaande, al wat oudere dame voor wie niemand het opneemt, integendeel. Maar zij neemt het wel voor zichzelf op. Ondanks alles gelooft zij in zichzelf en dát geloof is het begin van haar redding.

Beide vrouwen hebben iets te maken met het getal twaalf. Het meisje is twaalf jaar oud; de vrouw is twaalf jaar ziek. Ook hier moet niet al te veel symboliek achter gezocht worden. Maar je kunt er niet omheen dat dit getal steeds gebruikt wordt als verwijzing naar de twaalf stammen van Israël: naar het hele volk dus en naar eenieder die ertoe behoort. Wij allemaal, ergens leven wij met de dood voor ogen, met de dood in het bloed, zoals het lied van de Goede Week zingt.

In de twee gevallen gebeurt het wonder door een aanraking. Dat is niet uitzonderlijk en het wijst op Jezus’ weinig omslachtige manier van doen bij dergelijke gelegenheden. Een verschilpunt echter is dat bij de genezing van de vrouw zijzelf de initiatiefneemster is: zij raakt Hem aan. Bij de opwekking van het meisje ligt het initiatief hij de Heer Jezus die naar haar huis toegaat en haar bij de hand neemt. En zo smeden gelijkenissen en contrasten de twee mirakelvertellingen steeds maar hechter aan elkaar vast.

Het grote verschilpunt, dat voor iedereen even opvallend als kenmerkend is, is dat het ene wonder een genezing betreft en het andere een opwekking uit de doden. Dat laatste is toch wel sterker, of niet? Is dat dan geen bewijs dat het ook belangrijker is dan het eerste, dat het iets is dat als het ware vanzelf tussen haakjes terechtkomt?

In feite is dat verschil niet zo groot als het lijkt. Het meisje sterft en is biologisch dood. De vrouw leeft, maar zij is sociaal dood. Vrouwen met een bloedvloeiingsziekte gelden als melaats, onrein tot en met, te mijden als de pest. Ze werden uit de samenleving verbannen, mochten niet deelhebben aan het gemeenschapsleven. En zelfs wie dat wilde, mocht hen niet opzoeken. Het waren levende doden. De vrouw is al twaalf jaar lang sociaal dood.

Voor ons, mensen, bestaat er maar één dood en maar één leven dat van tel is: het biologische. De rest kan erbij komen, maar is niet wat wij noemen levensnoodzakelijk. Daartoe is de mens geschapen, weten wij. Maar de levende mens is daarenboven ook geschapen voor de ander, voor elkander, voor de gemeenschap. Het sociale, daar kan hij niet buiten. Het is een primaire levensbehoefte. Mens met de mensen zijn is levensnoodzakelijk. Daarzonder is de mens levende dood.

Maar daarbovenuit is er nog de existentiële behoefte van de mens om de dood hoe dan ook te overstijgen en te leven in de volste en diepste zin van dat woord: de mens, geschapen voor het geluk dat geen einde kent. Ook dat is een fundamentele menselijke behoefte. Ook dat is levensnoodzakelijk. En daar is het de Heer Jezus uiteindelijk steeds en in de eerste plaats om te doen.

Zo komen wij aan bij het laatste punt van gelijkenis tussen de twee gebeurtenissen en hun hoofdpersonages: het geloof.

Hun geloof is het leven als hun kostbaarste bezit waaraan zij zich vastklampen en waarvoor zij alles doen wat in hun macht ligt om het te behouden en te behoeden en het zijn volle zin te geven.

Hun geloof in de levenskracht van Hem die zij kennen als hun wondere dorpsgenoot Jezus, en tot wie zij zich richten in hun nood, de een met de dood voor ogen, de ander met de dood in het bloed. Zij schuwen het niet om zijn hulp in te roepen, wat ook hun situatie of positie is: de notabele, geëerd door de goegemeente – maar was het wel gepast dat hij iemands hulp inriep? – en de verstotelinge, uitgebannen door dezelfde goegemeente en die geen contact mocht zoeken, geen hulp mocht vragen. Zij richten zich tot Hem, vol hoop en overgave. Zij geloven in Hem, niet enkel om de kracht die van Hem uitstraalt en uitgaat, maar ook vanwege zijn mensenliefde die hun verzekert dat Hij hen in zijn hart draagt en
daarom zijn levenskracht met hen delen wil.

In de episode over de zieke vrouw staat de eigenaardige zin waar Jezus vraagt wie Hem heeft aangeraakt. Kom nu, zeggen zijn leerlingen, moet je dat vragen in dit hele tumult? Iedereen heeft je aangeraakt. Maar Jezus én de vrouw weten waarover het gaat. Hij wil dat zij zich aan Hem laat kennen. Zij vreest dat Hij haar haar geheimzinnigdoenerij kwalijk zal nemen, zeker aangezien de wet haar officieel verbood Hem aan te raken of zelfs nabij te komen. Maar Jezus wil haar in het zonnetje zetten. Hij wil haar feliciteren. Zalig gij die gelooft. Uw geloof in het leven, uw geloof in mijn kracht en genegenheid, uw geloof in de liefde heeft u gered.

En dat allemaal maar tussen haakjes plaatsen als zijnde onbelangrijk?

Hun geloof, dat van de vrouw in zichzelf, dat van de synagogeoverste in zijn kind, is het meest kenmerkende feit van gelijkenis: de kern waarover het gaat. Toch ligt daar ook weer een verschil. De zieke vrouw wordt niet alleen genezen, maar ook volop geprezen om haar geloof. De man wordt voordat het meisje tot leven wordt opgewekt, aangeprezen om te geloven en te blijven geloven. Hij kan zelfs kracht putten uit het gebeuren met de vrouw waarvan hij getuige was.

Vaak wordt gezegd dat de bedoeling van Jezus’ wondertekenen is, mensen een reden of motief te geven om te geloven. Maar dat is niet de hoofdzaak of de hoofdrichting. Die ligt eerder andersom. Het wonder, het mirakel is de consequentie van het geloof, is er het gevolg, het uitvloeisel van. Daar waar geen geloof aanwezig was, zeggen de evangelies, kon Jezus geen wonderen doen. Maar telkens en telkens komt als keervers terug: uw geloof heeft u gered.

Wel zijn Jezus’ wonderen, genezingen, opwekkingen evenveel tekenen en voorafbeeldingen van zijn eigen opstanding uit de doden, zijn definitieve overwinning op de dood, zijn verrijzenis.

Zo groot is zijn geloof in het leven, zijn levenskracht en levenswil – dat wil zeggen: zijn vertrouwen in God, zijn verbondenheid met de Vader én zijn inzet voor de mensen, zijn gegevenheid aan de zijnen – dat Hij eens en voorgoed de Levende is. De Levende die niet ophoudt om ook ons – wat onze nood of onze pijn ook moge zijn, onze kleinheid en armoede evengoed als onze eigen geesteskracht en begaafdheid – geluk te wensen voor onze levenswil en ons geloof in de liefde en ons op te roepen om met hart en ziel te geloven in het leven.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x