Jaar B, DHJ 12

Twaalfde zondag door het jaar B – Marcus 4,3 5-40

In het evangelie kun je nogal eens op wat minder logische dingen stoten. Neem nu die storm van vandaag bijvoorbeeld. Kan die echt zo hevig zijn geweest op dat betrekkelijk kleine binnenmeer van Galilea?

Neem nu Jezus’ leerlingen bijvoorbeeld. Doorgewinterde vissers als ze waren, die de natuurelementen goed kenden, zouden toch niet in die mate in paniek mogen raken voor dat beetje wind op het hun zo vertrouwde meer?

En Jezus van zijn kant, zoon van een timmerman, die gaat normaal gesproken toch niet rustig liggen slapen en blijven slapen in die omstandigheden? Hij zou feitelijk bang geweest moeten zijn en aan zijn vrienden gevraagd hebben: hoe kunnen jullie zo rustig blijven, kunnen jullie dan niets doen voor onze veiligheid? En zij hadden dan, met een wat meewarige glimlach om de mond, moeten antwoorden: maar meester toch, wat is nu een beetje water en een beetje wind? Wees maar gerust, dat gaat wel over.
Stel je voor: de visser heeft angst voor de wind en de zee en de timmerman slaapt. Als de visser al bang wordt, dan moet de timmerman in paniek raken, maar hij slaapt.

Meteen wordt duidelijk dat het in dit evangelieverhaal over andere dingen gaat, meer naar de diepte toe, meer aan de binnenkant gelegen van menselijke onrust en angst, in tegenstelling tot onverstoorbaar levens- en godsvertrouwen.

In alle vier de evangelies staat het verhaal te lezen over een gebeurtenis die over iets heel anders gaat en niets te maken heeft met dit van ‘de storm gestild’. Wij zijn er ook zeker niet direct toe geneigd beide verhalen met elkaar in verband te brengen. En toch gaat het in beide gevallen over hetzelfde: over doodsangst bij de ene en over het slapen van de andere. Er loopt een vreemde parallel tussen enerzijds ‘de storm op het meer’ en anderzijds ‘de nachtelijke doodsstrijd in de Hof van Olijven’.

Ook deze passage aan het begin van Jezus’ lijdensverhaal handelt over ‘oversteken’ van de ene naar de andere levensoever. Zijn Pascha zal het heten: door de dood heen naar het leven.

En toen was Hij het die bang was – angstig ten dode toe. Maar toen sliepen zij, als ging het hun niet aan.

Slapen betekent in Bijbeltaal: buitenstaander zijn, er niets mee te maken hebben, niet op de situatie betrokken zijn of willen zijn. Wakker worden of liever wakker gemaakt worden is dan het beroep dat de ander vanuit zijn nood, zijn angst, zijn levensangst op je doet.

In de boot op het meer vroegen zij Hem: maakt het U niets uit dat wij vergaan? In de Hof van Olijven vraagt Hij hun – zoveel minder: kunnen jullie dan niet één uurtje met Mij waken?

In het eerste geval wordt de storm gestild, wordt hun levensangst bezworen, overwonnen, weggenomen. In het tweede geval slapen zij weer in, klaarblijkelijk niet geïnteresseerd in de nood van de ander, hun Meester, Hem alleen latend in zijn eenzame doodsangst en doodsstrijd.

Maar ja, in het eerste geval gaat het ook over de Almachtige op wie machteloze, kleine lieden een beroep doen. Het is toch maar normaal dat Hij hen helpt. In het tweede geval kan plots diezelfde Almachtige niet eens zichzelf behelpen. Wat zouden wij dan toch?

Anderen heeft Hij gered, zichzelf kan Hij niet redden. Kom af van uw kruis, dan zullen wij geloven. Kom heen door uw doodsangst, dan zullen wij meteen wakker zijn en blijven. Zo niet, dan slapen wij maar verder, enkel maar bevestigd in onze machteloosheid.

Laat ons nog even de slotzin van Getsemane in herinnering brengen en hieraan toevoegen: het steeds weerkerende antwoordrefrein van de Gelovige, van de Gezondene, de Zoon. Niet wat Ik wil, Vader, maar uw wil geschiede.

Er zijn enkele passende bedenkingen te maken bij het evangelie van vandaag, precies vanuit de hier geschetste parallel. Reeds op louter menselijk vlak geldt dat je je wakker moet laten maken, dat je er moet zijn, telkens als een vriend in nood een beroep op je doet; en niet dat je hem ooit alleen laat en zelfs niet solidair zou willen meegaan met zijn probleem, ook al ben je niet hij machte, machteloos om het op te lossen, ook al is het onoplosbaar.

Een tweede bedenking is dat een mens nooit vruchteloos tot God roept, ook al lijkt die te slapen. Dit is wel de gebruikelijkste, de ‘klassieke’ les die uit het verhaal van de storm op het meer getrokken wordt. Maar de parallel van Getsemane kan daar wel wat aan toevoegen en tegenover plaatsen, namelijk dat God vaak vruchteloos mensen roept, mij roept, ook al behoor ik tot de kring van zijn intieme vrienden, zijn slapende vrienden.

Een derde gedachte knoopt aan bij het ‘oversteken’, zij het het ‘dagelijkse’ in het mensenleven, zij het het ‘ultieme’, het ‘uiteindelijke’ in datzelfde menselijk bestaan. Middenin zal het, dagelijks of uiteindelijk, steeds te maken krijgen met angst.

Het leven wordt zo vaak getekend door angst: de angst voor duizenden kleine dingetjes tot, ten einde toe, de angst voor het leven zelf, levensangst, doodsangst.

Uit het lijdensverhaal van de Heer Jezus in zijn geheel valt op te maken dat Hijzelf meer angst heeft gevoeld, als het ware meer heeft afgezien in de Hof van Olijven dan op de hele kruisweg en kruisiging daarna. Daar hoor je geen enkele klacht meer over zijn lippen komen; hier tot driemaal toe.

De angst voor een probleem dat zich stelt of aankondigt, is vaak erger om te dragen dan het probleem zelf. Mensen gaan niet ten onder aan de problemen waar zij voor staan, maar veeleer aan de angst die deze met zich brengen. Neem die angst weg en het probleem is vaak grotendeels of zeker voor de helft opgelost.

En ook: vaak ben je machteloos ten aanzien van het probleem van je vriend; maar nooit mag je machteloos blijven toezien ten aanzien van zijn angst. Daarin kun je altijd een stuk meegaan, op dat vlak ben je steeds in staat iets te doen of te zijn, al gaat het over God zelf die je roept met de stem van een hulpbehoevende mens, en al voel jij jezelf de meest onbeholpene van alle machtelozen.

En ten slotte: angst lach je niet weg. Eigen angst of die van een medemens, een vriend, wordt niet overwonnen door naïeve, kortzichtige, gespeelde of gewaande zelfverzekerdheid. Kijk naar de leerlingen in de boot. Hun angst slaat niet om in dolle vreugde maar in vrees, zegt het verhaal: in ontzag, in vreze des Heren. ‘Wie is Hij toch?’

Angst kent als antwoord niet zonder meer roekeloze durf, maar veeleer: schroom. Angst voor het leven en zijn vele vragen en onzekerheden vindt een juist antwoord enkel in schroom voor het leven en zijn grote geheim. Panische angst ten aanzien van je menselijke onmacht en machteloosheid staat tegenover schroomvol vertrouwen op de Barmhartige en Almachtige. Levensangst, doodsangst, zelfs op het ultieme moment moet, bij het oversteken zelf, uitgroeien tot overgave aan Gods wil. Zo vraagt het de Vader aan de Zoon.

Zo vroeg het Jahwe aan de man Job: niet omdat die Jahwe een willekeurig despoot is, maar gewoonweg omdat overgave aan de Schepper behoort tot het wezen zelf van het mens-zijn.

Niet wat Ik wil, Vader, maar uw wil geschiede.
Als wind en zee Hem gehoorzamen, hoe zouden wij Hem dan niet gehoorzaam zijn?

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x