Jaar B, derde zondag van de Advent

Derde zondag van de advent – Job 1, 6-8.19-28

Het oude en het nieuwe verbond, twee termen die vroeger veel meer in gebruik waren dan nu. Het is alsof ze allebei tot de voltooid verleden tijd behoren. In de advent komen ze weer even aan bod, omdat de eerste advent zowat geldt als het scharnier tussen beide.

Maar als ik beide begrippen zo na elkaar opnoem,
het oude verbond, het nieuwe verbond, dan komt er spontaan een derde woord bij mij op: het humanistisch verbond. Dat klinkt wel als alternatief voor beide andere. Dat lijkt wel te zijn uitgevonden om het deficit van beide andere te bevestigen voor de dag van vandaag. Het lijkt te insinueren dat beide eerstgenoemde niet humaan zijn, dat God een mensen-vreemde God is, dat Godgelovige mensen wereld-vreemde wezens zijn die de verkeerde keuze hebben gemaakt. En nochtans ging het heel duidelijk en telkenmale om de verbintenis, het verbond dat God met zijn mensen afsloot: niet voor zichzelf, maar voor hun goed, voor hun geluk, hun toekomst.

De advent is de gunstige tijd om zich te bezinnen op Gods mensenliefde, om zich opnieuw bewust te worden van zijn humanisme. De liturgie helpt ons hierbij in de grote figuren die ze naar voren schuift en die stuk voor stuk ten voeten uit humanisten zijn: mens voor de mensen.

Johannes de Doper. Wij noemen hem terecht een adventsfiguur. Hij is inderdaad de scharnierfiguur bij uitstek tussen oud en nieuw verbond. Met zijn ene been staat hij nog volop in het eerste, met zijn andere volop in het tweede. De laatste, de grootste der profeten. Maar evengoed de eerste, de grootste van de apostelen. Voorloper wordt hij genoemd, maar dan wel een voorloper die meteen ook een naloper, een navolger is geworden.

Hijzelf duidt de Heer Jezus aan als: Hij die na mij komt. Dat was de geëigende wijze waarop een joodse rabbi zijn leerling aanwees: hij die na mij komt. Johannes zegt: die na mij komt, is groter dan ik. De rollen worden omgekeerd. De leerling wordt Meester. En dus is de leraar discipel geworden. Van bekwame en begaafde mensen die iemand hebben ontmoet, nog begaafder en bekwamer dan zijzelf, zeggen wij: zij hebben hun meester gevonden. Van Johannes de Doper kun je terecht zeggen: de rabbi, de profeet die in zijn leerling zijn Meester gevonden heeft.

Op het centrale sluitstuk van het beroemde Isenheimer Altar, het barokmeesterwerk van Matthias Grünewald, staat de Gekruisigde afgebeeld; en naast Hem: Johannes, niet de evangelist maar de Doper. Het lam tussen hen beiden in maakt dit onmiskenbaar. Wat opvalt bij deze Johannesfiguur, is de heel lange wijsvinger, uitgestrekt naar de Gekruisigde, terwijl zijn blik op óns gericht is. Als zijn voorlopersrol reeds lang is uitgespeeld, blijft de kroongetuige van de komst des Heren, de adventus Domini, woordeloos herhalen wat hij vanaf het begin gezegd heeft, toen ze hem vroegen: ‘Wie ben je?’ en ‘Wat kom jij hier doen?’: niet ik ben het, niet over mij gaat het, maar over de Andere. Heel Johannes’ getuigenis en optreden zijn samengevat in die ene ‘vingerwijzing’: dat het niet om jezelf, maar om de Andere te doen is, de Zoon van God, de gekruisigde Man van Smarten; om elk-ander, elk kind van God, elke mens die lijdt en nood kent en die hulp verwacht.

Je kunt je afvragen of dit dan geen onmenselijke trek van het Godsgeloof is: een God en Schepper die van zijn schepsel verwacht dat hij zich helemaal wegcijfert, wegdenkt, uitschakelt. Is dat geen zelfmiskenning, zelfverloochening, zelfvernietiging? Wat doe je dan met die diepmenselijke ambitie in je hart om wel degelijk iemand te zijn? Johannes zegt: de Andere, groter dan ik Johannes de Doper is in zijn advent tot het inzicht gekomen dat hij zichzelf slechts ten volle kan realiseren als mens, als hij er is voor de Ander, voor elk-ander.

Godgelovig humanisme dus: de advent als oefentijd voor menswording; de advent als stage voor humanisme.

Mochten alle meesters zo met hun leerlingen omgaan.
Mochten alle vaders en moeders zo met hun kinderen omgaan.
Mochten alle machthebbers zo met hun dienaars omgaan.
Mochten alle humanisten zo met mensen omgaan:

mijn leerling, mijn kind, mijn knecht, mijn naaste: groter dan ik. Om hem, om haar is het te doen.

In de beide andere lezingen van de liturgie is telkens een andere profeet aan het woord, een andere apostel; een andere voorloper, een andere volgeling; een andere Godgelovige, een andere humanist. En beide zeggen op hun manier hetzelfde: niet ik ben het, niet om mij is het te doen, maar om de ander.

Niet ik, zegt Jesaja, maarJahwe de Heer wiens Geest op mij rust en die mij gezalfd heeft, die mij gezonden heeft enkel maar om aan de mensen te zeggen dat het om de ander te doen is: om de arme die hunkert naar wat licht voor de toekomst; om hem wiens hart gebroken is en die amper nog durft te hopen op genezing; om wie is opgesloten, uitgesloten en die amper nog durft te denken of te dromen van vrijheid. Om hun toekomstverwachting is het te doen, hun levensvreugde, hun genezing, hun vrijheid. En daarom gaat het niet om enkel een vluchtig woordje van opbeuring, maar om belofte metterdaad. In advent geloven wil zeggen: eraan beginnen, steeds opnieuw; weer eens opnieuw, want het is advent: oefentijd voor menswording, stageperiode voor humanisering.

Mochten alle nieuwsmedia zo met hun berichtgeving omgaan en – machtig als ze zijn – de wereld niet exclusief overstelpen met alleen maar hun dagelijkse portie doffe hopeloosheid, maar aan die hopeloze wereld melden dat er een kind geboren is, dat er een zieke genezen is, dat er een ruzie is bijgelegd, dat er een lied gezongen is, dat er een oude vermoeide oma in vrede gestorven is…

Ook Paulus was een meester, een rabbi van het orthodoxe pad, met voor alle indringers en nieuwlichters de vragen: ‘Wie ben je?’ en ‘Wat kom je bier doen?’; de vurige ‘ver’volger, tot hij in een moment van genade in Jezus zijn meester gevonden heeft. Niet ik leef meer, maar Christus leeft in mij. Om die Andere is het te doen. Dat is wat God van mij verlangt in Christus Jezus.

En daarom, omwille van die Andere:
– indien je voor een ander iets te betekenen wilt hebben, moet je blij zijn, altijd blij zijn; bidden, zonder ophouden bidden; danken, voor alles danken;
– omdat je voor een ander iets te betekenen mag hebben, mag je blij zijn, altijd blij zijn; bidden, zonder ophouden bidden; danken, voor alles
danken.

Wat een programma, een onmogelijk programma. Dat kan geen mens aan.

Altijd blij zijn. Je maakt je eigen karakter toch niet. Maar je kunt wel streven naar een constante ondertoon van gelijkmoedigheid, oog hebbende voor alle lijden en verdriet, maar ongenaakbaar voor mismoedigheid en wanhoop.

Wat een zegen is het voor mensen een blije medemens te ontmoeten!

Altijd bidden. Dat doet zelfs de heiligste monnik niet. Maar je kunt wel werk maken van permanente ingetogenheid waardoor je in staat bent te relativeren, al je geklaag en je tomeloze ambitie te relativeren, te komen tot de erkenning van eigen kleinheid én tegelijk van eigen onbevroede mogelijkheden.

Wat een zegen is het voor mensen een ingetogen medemens te ontmoeten!

Altijd dankbaar zijn. Ook voor tegenslag, voor pijn, voor beproeving, voor mislukking?

Je kunt je er wel in oefenen en bekwamen om niet enkel dankjewel te zeggen voor wat je krijgt, maar dankbaar te zijn voor wat je geven mag en geven kunt.

Wat een zegen is het voor mensen een dankbare medemens te ontmoeten!

En dan staat er bij diezelfde Paulus, de humanist, nog een merkwaardige aanbeveling: keur alles en behoud het goede. Wees kritisch voor jezelf, voor de ander, voor de hele wereld, en behoud het goede. Het gaat Paulus dus niet zozeer over afkeuren en weggooien, als wel over oog hebben voor het goede en over koesteren wat goed is: bij jezelf, bij de ander. Wie goed toekijkt, zal ontdekken dat er zoveel goede dingen bestaan en gebeuren, dat er overal wel iets goeds in zit.

De advent, oefentijd voor menswording, stage in humanisering van onze maatschappij.

Armen, gevangenen, blinden, geketenden, getekenden: wij gaan er iets aan doen, wij gaan wat voor hen doen.

Vreugde, ingetogenheid, dankbaarheid, oog hebben voor wat schoon en goed is: wij gaan meer mens worden.

Voor de ander, voor elk-ander. Die na mij komt, is groter dan ik. Dat is het wat God van mij verlangt in Christus Jezus.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x