Jaar B, Christus-Koning

Christus-Koning – Job 18, 30-37

Vroeger werd het feest van Christus-Koning vrij uitbundig gevierd, maar tegelijk toch ook inhoudelijk nogal eenzijdig ingevuld als het feest van de katholieke actie, de katholieke bewegingen allerhande, zoals ze mettertijd in de kerkgemeenschap waren ontstaan.

Met de liturgische vernieuwing van het tweede Vaticaans concilie werd het feest verplaatst naar deze laatste zondag van het kerkelijk jaar. Zo kreeg deze feestdag terecht een bredere betekenis met een duidelijke verwijzing naar de eindtijd, naar de wederkomst, naar de eeuwige heerlijkheid van God en zijn Christus: Hij die zit aan de rechterhand van de Vader en die zal wederkomen om te oordelen levenden en doden.

De apocalyptische visioenen van de profeet Daniël in de eerste lezing en van de ziener van Patmos in het epistel spelen daar helemaal op in. Normaliter zou je dan een evangelie in dezelfde zin verwachten: tenminste een blij paasevangelie of zoals het inderdaad in de A-cyclus het geval is, het visioen dat Matteüs vertelt over de wederkomst. Kom, gezegenden van mijn Vader, ontvang het Rijk dat voor u bereid is vanaf de grondvesten van de wereld.

Maar in deze B-cyclus, zoals trouwens ook in cyclus C, wordt een uittreksel voorgelezen uit het lijdensverhaal.

Het is opmerkelijk dat in de evangelies Jezus zichzelf nooit koning noemt of laat noemen of doet noemen, behalve dan in het lijdensverhaal, inzonderheid in dat volgens Johannes. In die twee hoofdstukken alleen al komt vijftienmaal het woord koning voor. In het ene korte fragment van vandaag staan zesmaal de termen koning en koningschap.

Om de beurt proclameren Pilatus en de joden de man uit Nazareth tot koning, hetgeen tegelijk geldt als aanklacht en als de rechtstreekse aanleiding voor zijn veroordeling en executie.

Jezus zelf zal het als het ware schoorvoetend aan de landvoogd toegeven. Als u dan toch aandringt, Pilatus, goed, noem Mij dan maar zo: koning. Maar weet goed dat mijn koningschap niets te maken heeft met wat mensen onder dat woord verstaan, maar alles te maken heeft met de waarheid. Of met andere woorden: de waarheid van de wereld, van de joden, van u, Pilatus, is een heel andere waarheid dan de mijne, dan die van mijn Vader. De waarheid, de diepe realiteit van mijn koningschap en koninkrijk heeft alles te maken met gerechtigheid en vrede, met dienstbaarheid en barmhartigheid, met trouw en overgave, ook als dat de werkelijkheid van het kruis ten gevolge heeft.

Verderop in Johannes’ lijdensverhaal wordt de koningstitel een middel tot spot.

Gegroet, koning der joden, zo spotten de Romeinse soldaten de werkelijkheid van het kruis weg als zijnde allesbehalve waardig, waardevol of waarheid.

Zal ik dan uw koning kruisigen? Zo spot Pilatus met de joodse leiders, die in dit kleine, onbelangrijke en waardeloze stukje mens – zie de mens – een bedreiging en een gevaar zien voor zichzelf. Dat is het toch niet waard, zegt de landvoogd. Dat kan toch niets te maken hebben met de echte, de grote waarden van het leven, met de waarheid – stel je voor.

De spot ten top liet Pilatus boven aan het kruis een opschrift aanbrengen met de simpele waarheid over deze Gekruisigde: Jezus van Nazareth, de koning van de joden. Als dusdanig was dit bedoeld als spot, maar ook, ten gerieve van de omstanders, van het volk als middel tot spot: een lachertje over deze belachelijke zaak.

Ingekaderd echter in het Johannesevangelie klinkt dit opschrift als een proclamatie vanwege de Vader zelf en een geloofsbelijdenis van zijn getrouwen, zijn volgelingen, zijn kerk: proclamatie en belijdenis van Jezus’ kruis als het teken bij uitstek van zijn koningschap voorgoed.

Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks: als de uiting van spot en minachting vanwege de Hebreeuwse, de joodse wereld, de wereld van de cultus, de religie; de Romeinse wereld, de wereld van de macht; de Griekse wereld, de wereld van de wijsheid. Spot en minachting voor de zinloosheid, de machteloosheid, de dwaasheid van het kruis.

Ingekaderd in het Johannesevangelie klinkt het als een proclamatie en een geloofsbelijdenis dat de waarheid van Christus en zijn kruis niet de cultus van de mensen betreft, niet de macht van de mensen, niet de wijsheid van de mensen, maar de cultus en de macht en de wijsheid van God: de religie van de aanbidding en de lofzang, de macht van de dienstbaarheid en de barmhartigheid, de wijsheid van de liefde die zichzelf wegdenkt en wegschenkt.

Op een van de eerste evangeliebladzijden, bij Matteüs dan, staat een eerste proclamatie van Christus-Koning. Ook dat ware een mooi evangelie geweest voor dit feest. Het gaat over het verhaal dat wij lezen op het feest dat in de volksmond het feest van de Driekoningen heet.

Drie vreemdelingen uit het verre Oosten komen in Jeruzalem aan de vraag: waar is de nieuwe, de pasgeboren Koning, want wij zijn gekomen om Hem te huldigen? En als zij Hem gevonden hebben, vallen zij op hun knieën neer: leggen zij hun koningschap af voor zijn koningschap. Aan zijn voeten leggen zij hun geschenken neer, en de keuze daarvan heeft heel wat te betekenen.

Goud was het teken van de koning als politieke machthebber. Mirre was het teken van de koning als wijze man, als profeet. Wierook was het teken van de koning als religieuze leider, als priester. Toen ook reeds de drie aspecten van de menselijke waarheid en waardigheid, cultus-religie en wijsheid en macht, aan de voeten gelegd van een pasgeboren kind. Of: de waarheid van het leven, de diepe levensrealiteit, zoals ze onmiskenbaar te lezen is in de sprakeloosheid, de hulpbehoevendheid, de kleinheid van de pasgeborene.

Die pasgeborene die de mensen in hun waanwaarheid later opnieuw tot sprakeloosheid willen brengen, als zij Hem aan het kruis slaan. Maar het kruis spreekt. Het spreekt eens en voorgoed Gods waarheid, Jezus’ waarheid uit. Het spreekt ook vandaag nog. Het spreekt voor zichzelf: om consequente trouw en overgave, om dienstbaarheid en barmhartigheid, om gerechtigheid en vrede, om liefde is het te doen.

Hij die ons is voorgegaan, Hij die dit tot het uiterste heeft beleefd, heeft ‘volbracht’, Hij die gehoorzaam geworden is tot de dood, ja de dood aan het kruis, dáárom is Hij geworden: dé mens, het meest getrouwe beeld van God. Daarom noemen wij Hem in geloof: de Zoon van God, onze Koning. Daarom belijden wij, hopelijk steeds even fris en geestdriftig als de eerste christenheid, dat Hij, de Gekruisigde, leeft. Hij is verrezen op de derde dag. Hij is opgevaren ten hemel en zit aan de rechterhand van de Vader. Hij zal wederkomen om te oordelen levenden en doden. Hij zal zeggen (ook tot ons …?): kom, gezegenden van mijn Vader. Ontvang het Rijk dat voor u bereid is vanaf de grondvesten van de wereld. Want al wat gij gedaan hebt voor de minsten van de mijnen, dat hebt Gij voor Mij gedaan

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x