Jaar A, zesde Paaszondag

Zesde paaszondag – Johannes 14,15-21

De Afscheidsrede is een moeilijk stuk evangelie. Het uittreksel van vandaag kan gelden als een representatief model voor het geheel.

Inderaad, gemakkelijk is het niet. Probeer maar eens je dit pas gehoorde fragment nu opnieuw voor de geest te halen. Met een parabel of genezingsverhaal lukt dat wel, maar hier geraken wij niet ver. Wel zullen wij ons enkele kernwoorden herinneren: Ik en de Vader; de Helper die komen zal; de liefde als het nieuwe gebod.

Wat het moeilijk maakt, is het schijnbare gebrek aan logica en structuur. Wij beschouwen de Afscheidsrede immers als verheven en ingewikkelde theologie, gepresenteerd in de vorm van een lange preek, een grote logisch gestructureerde redevoering.

Het is beter dit ruime deel uit het Johannesevangelie te benaderen zoals wij poëzie benaderen. Poëzie is ook aartsmoeilijk en onbegrijpelijk, als je ze cerebraal tot het laatste woord wilt doorhebben. Je moet er gewoonweg in onderduiken, je erin laten onderdompelen, je eraan toevertrouwen. Om gedichten te verstaan hoef je ze niet te ‘begrijpen’.

Johannes’ Afscheidsrede is geen poëzie, maar ze heeft daar wel meer van weg dan van een toespraak of redevoering. Het is geen overredingspleidooi met argumenten pro en contra. Het is geen logisch traktaat naar het klassieke model van wat wij een syllogisme noemen: major, minor, conclusio.

Wel zijn het woorden, uitgesproken bij gelegenheid van een afscheidsmaal en door een bevoorrechte, gelovige getuige genoteerd: niet gestructureerd tot een rede volgens de regels van de kunst, maar losweg bij elkaar gesprokkeld uit de herinnering en de bezinning.

Ook Jezus zelf heeft zeker geen lange preek gehouden. Maar vóór, tijdens en na het maaltijdgebeuren op witte donderdagavond is er een aantal losse ideeën, gevoelens en verlangens, wensen en aanbevelingen, geloofszekerheden en -ervaringen opgeweld uit zijn hart, zo boordevol overgave en vriendschap. Daarenboven is dat gebeurd in het bewustzijn van, zijn naderend einde, van het bereiken van zijn einddoel.

De eenheid van het geheel is dan ook niet het resultaat van logica of structuur, maar hangt samen met de heel bijzondere sfeer van dit moment van afscheid: een moment van intense vriendschap, innigheid en intimiteit, daarom nog niet getekend door sentimentaliteit of overgevoeligheid.

Vandaar dat de tekst een voortdurend heen en weer is tussen licht en schaduw, droefheid en verwachting, teleurstelling en vreugde, tussen dood en leven.

Vandaar de vele herhalingen, letterlijke en gevarieerde, in kleine, fijne schakeringen en nuances.

Vandaar het voortdurend ronddraaien in kringen. Zoals de bloedsomloop geen rechtlijnige vloeiende stroom is die in zee uitmondt, maar een kringloop, zo beweegt het leven zelf zich in cirkels: kringen van licht en schaduw, hoop en vrees, droefheid en vreugde, leven en dood.

Vandaar ten slotte de aanwezigheid van een aantal keerverzen, weerkerende refreinen, uiteraard bedoeld voor het leggen van de hoofdaccenten binnen het geheel:
Ik en de Vader zijn één; mogen allen één zijn.
Een Helper en Trooster wordt u gegeven, de Heilige Geest.
Een nieuw gebod geef Ik u: heb elkander lief.

Die elementen zijn medeverantwoordelijk voor de eenheid van het geheel. En de onderlinge combinatie van de kringen van heen en weer en de herhalingen en accentuerende keerverzen heeft een dubbel gevolg.

Enerzijds staat iedere zin op zich; anderzijds staat iedere zin in relatie tot alle andere. Alsof Jezus er maar één uitgesproken heeft. Zo immers verloopt een gesprek onder vrienden. Men zegt wat, men herhaalt het een keer of vier, en toch is het viermaal nieuw en anders. Men zegt wat, men zegt wat anders, en toch is het telkens weer hetzelfde.

Ik en de Vader zijn één; mogen allen één zijn.
Een Helper en Trooster wordt u gegeven, de Heilige Geest.
Een nieuw gebod geef Ik u: heb elkander lief.

De liturgie van vandaag plaatst de Afscheidsrede van Witte Donderdag in volle paastijd. Maakt dat het nog niet wat moeilijker? Neen, het geeft aan kring en heen en weer, aan herhalings- en refreinstructuur hun juiste en volle dimensie.

Witte Donderdagavond: evengoed de vooravond van zijn lijden als van zijn opstanding, van Pasen als van Hemelvaart en Pinksteren. Naar Goede Vrijdag, maar ook naar Hemelvaart toe: ‘nog een korte
tijd en gij zult Mij niet meer zien’.

Naar Pasen en naar Pinksteren toe: ‘dan zal de Vader op mijn verzoek u een andere Helper geven, die voor altijd bij u zal blijven, de Heilige Geest’.

Dit is de volle betekenis van Jezus’ Afscheid:
afgewezen door de wereld, uit de weg geruimd door de heersende machthebbers, uit het midden van zijn vrienden weggerukt; maar tegelijk: tot nieuw leven opgewekt, levend in verbondenheid met de Vader en de Geest, en daarom ook – opnieuw en voorgoed – verénigd met de vrienden van zijn geloof en zijn liefde.

Dit uiterste contrast, dit definitieve heen en weer tussen dood en leven is ook het ruimte en tijd overstijgende. heen en weer tussen geschiedenis en heilsgeschiedenis:
aan de ene kant de geschiedenis waar dingen en feiten en mensen voorbijgaan en verdwijnen om voorgoed’ voorbij te zijn: Jezus Christus voorgoed verleden tijd;
aan de andere kant de heilsgeschiedenis waar diezelfde dingen en feiten en mensen blijven, actueel voor toen, voor Witte Donderdag, én voor Pasen en voor jaren later en voor twintig eeuwen later, voor hier en nu: Jezus Christus hier en nu.

Een van de refreinen, het meest beklijvende allicht, is dat van de liefde. Een nieuw gebod geef Ik u: heb elkander lief.

Ook dat is een kring die wordt getekend, een heen en weer dat van een schijnbaar onmogelijke tegenstrijdigheid uitgaat.

Waar de wereld van de liefde begint, zeggen wij, daar eindigt toch die van geboden en verboden? Het ene is warm, het andere is koud. Hoe kun je nu de liefde tot een gebod maken? Warm en koud blazen tegelijkertijd? Je bemint toch niet op commando!

Toch wel, zegt de Heer, Ik wel.

Jezus maakt tussen beide, tussen liefde en gebod, een nooit vermoede combinatie van twee complementaire basispijlers om een leven op te bouwen: twee pijlers die het hele bouwwerk van het mensenleven in evenwicht houden, doordat ze met elkaar verbonden zijn en elkaar in evenwicht houden.

De liefde is niet langer een wazig iets, maar ze is helder en klaar. De wet is niet langer een star gegeven, maar ze is soepel en buigzaam. Wat heetgebakerd is, wordt afgekoeld en opgefrist. Wat onderkoeld is, gaat ontdooien en genieten van de zon.

Liefde gaat niet enkel meer over lief zijn voor elkaar of over wat liefdoenerij zonder engagement. Liefde is een doewoord geworden van concrete inzet: een gebod heet dat in Jezus’ testament. Liefde moet je dóen!

En van hun kant gaan wetten en geboden niet meer over het nuchter en koudweg volbrengen van wat moet – en dat is het dan. Het is inspiratie geworden, een kwestie van hart en ziel.

En dat is uiteindelijk wel een perfect syllogisme in die hele o zo structuur- en logicaloze Afscheidsrede:
major:
als gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden onderhouden;
minor:
Ik geef u een nieuw gebod: dat gij elkander liefhebt;
conclusio: dus:
als gij Mij liefhebt, zult gij elkaar beminnen, noch min noch meer, zoals Ik het u heb voorgedaan, zoals Ik u heb liefgehad.

Aan het einde van ons evangeliefragment staat: wie mijn geboden onderhoudt, hij is het die Mij liefheeft.

Aan het begin staat: als gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden onderhouden.

De cirkel is rond, de kring is gesloten. Liefde en gebod: wederzijds zijn ze elkaars voorwaarde en motief, elkaars oorzaak en gevolg; het bloed dat rondstroomt in de éne bloedsomloop van goddelijk én menselijk leven.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x