Jaar A, Witte Donderdag

Witte Donderdag

Zo dadelijk zingen wij het opnieuw – is dat alweer een jaar geleden? -: ubi caritas et amor, Deus ibi est. Waar liefde is, daar is God. Want God is liefde, zegt Sint-Jan.

Voor beide Latijnse termen, caritas en amor, hebben wij in het Nederlands enkel het ene woordje liefde. Betekenen zij dus hetzelfde? Of is er tussen beide een subtiel onderscheid waarvoor wij een consequente vertaling missen?

In het Theologisch Woordenboek, standaardwerk uit 1952, komt het woord amor zelfs niet voor. Enkel caritas wordt daar vermeld als de geëigende term voor liefde in de religieuze, de gelovige, de christelijke zin van het woord.

Zou misschien daarom in de huidige versie van het ons zo dierbare voetwassingslied in het Graduale Romanum het woord amor weggelaten zijn? Ubi caritas est vera, Deus ibi est. Waar waarachtige caritas – liefde is, daar is God. Maar die uitleg klopt niet met het tweede vers: Congregavit nos in unum Christi amor. De amor, de liefde van Christus brengt ons samen, maakt ons tot één gemeenschap.

Staat caritas misschien voor de menselijke en amor voor de goddelijke kant van het ene mysterie? Of, amor voor het eerste en caritas voor het tweede gebod? Maar als Sint-Jan zegt ‘God is liefde’, heet het in het Latijn ‘Deus caritas est’. In het Latijnse Nieuwe Testament komen beide woorden voor zonder duidelijk verschil in betekenis; caritas weliswaar vaker dan amor.

Soms wordt het volgende onderscheid gemaakt. Amor is liefde uit genegenheid; caritas is liefde uit eerbied, uit hoogachting. Amor zou dan te maken hebben met het gevoelen; caritas eerder met een daadwerkelijk handelen. Het eerste zou niet per se het tweede met zich meebrengen: ik zie je graag, maar ik hoef daarom niet meteen je dienaar te zijn. Andersom zou het tweede los kunnen staan van het eerste: uit eerbied doe ik alles voor je, maar daarom voel ik nog geen affectie voor je in mijn hart.

Het zijn waardevolle ideeën. Het minste dat je eruit leren kunt, is dat liefde een meerduidig begrip is dat vele en verschillende ladingen dekt.

Het is zeker niet aangewezen om het gevoelsmatige voorop te stellen als het ultieme criterium van de liefde. Des te meer willen wij de nadruk leggen op de complementariteit van twee aspecten van de éne liefde als menselijke realiteit, als menselijk vermogen, talent, eigenschap, deugd – al dan niet met affectiviteit en gevoel geladen. Het ene aspect, amor, zou ik willen kenmerken als verbondenheid; het andere, caritas, als gegevenheid.

Ubi caritas et amor, Deus ibi est. Waar mensen met elkaar verbonden en aan elkaar gegeven zijn, daar is God in hun midden, want God is liefde. Congregavit nos in unum Christi amor. Onze verbondenheid met de Heer Jezus verbindt ons ook met elkaar, in het aan elkaar gegeven zijn zoals Hij het ons heeft voorgeleefd.

Dit zijn de inhoud en de boodschap van Witte Donderdag. De avond voor zijn dood heeft Jezus zelf gemaakt tot een hoogfeest van de liefde, een feest van verbondenheid en gegevenheid.

Dit feest is een vriendenmaal met een ritueel karakter dat door de Heer boven zichzelf is uitgetild tot een sacrament, een heilig teken van verbondenheid: rondom het ene Brood dat wordt gebroken en gedeeld, en de ene Beker die wordt doorgegeven, van hand tot hand, van mond tot mond, van hart tot hart.

Het andere hoogtepunt, als een concrete uitleg van het eerste, is een parabel, niet door de Heer verteld ditmaal, maar door Hem opgevoerd, uitgebeeld, zo realistisch mogelijk: de levende parabel van de voetwassing, geduid als het symbool van gegevenheid, van dienstbaarheid.

De avond voor zijn dood, de avond van zijn afscheid, zijn laatste levensavond heeft de Heer Jezus beleefd in het volle bewustzijn van wat er te gebeuren stond.

Enerzijds. In het bewustzijn (zegt Sint-Jan) dat Hij van God die Hij zijn Vader weet en noemt, is uitgegaan en naar God terugkeert: het bewustzijn van zijn unieke en totale verbondenheid met en overgave aan zijn Vader.

Anderzijds. In het bewustzijn van zijn zending bij de mensen, zijn verbondenheid met hen en zijn gegevenheid aan hen die Hij zijn vrienden weet en noemt en zelfs zijn kindertjes.

Voor hen, voor ons heeft Hij er meteen een dubbele opdracht van gemaakt, een dubbel gebod, een tweevoudig testament: ‘Doe dit om Mij te gedenken’ en ‘Heb elkander lief zoals Ik u heb liefgehad’.

In tegenstelling tot de eucharistieviering komt de parabel van de voetwassing slechts één keer in het jaar voor, op deze witte donderdagavond. Wij vertellen hem dan zo realistisch mogelijk aan elkaar, maar al te goed wetende dat het caritas-mandatum zelf dagelijkse kost is voor christenen, evengoed als het memento van het avondmaal.

Iedere dag wordt van ons verwacht dat wij, in verbondenheid met de Heer, elkaar de voeten wassen in dienstbaarheid en gegevenheid; zoals wij telkens opnieuw, dagelijks of wekelijks, worden uitgenodigd om deel te nemen aan de heilige gedachtenisviering. Daar worden onze eerbiedige verbondenheid met de drie-ene God en onze inzet voor wie ons zijn toevertrouwd, gevoed met het Brood des levens en de Wijn van de vreugde.

In het voorafgaande is het woord kruis niet één keer gevallen, alsof Witte Donderdag niets te maken heeft met Goede Vrijdag. Wij hebben het tot hier uitgesteld, omdat verbondenheid en dienstbaarheid, amor en caritas, niet bij bepaling moeten voeren naar lijden en kruis; als ware onze God geen God van levenden die zijn Gezondene, zijn Veelgeliefde, zou hebben voorbestemd voor ondergang en dood.

In de feitelijkheid is het evenwel vaak het geval, zo ook in Jezus’ leven. Daar duikt onvermijdelijk het kruis op. Voor de Heer geldt op deze avond dat Hij zich niet enkel bewust is van zijn verbondenheid met en overgave aan de Vader, van zijn zending van liefde bij de mensen, maar tegelijk ook van de afwijzing en weigering door mensen van zijn persoon en levensprogramma, evenals van de lijdensweg waarvoor Hij dus staat en het kruis dat Hem dus wacht.

Dit verandert echter niets aan zijn levensinstelling, zijn Godsverbondenheid, zijn consequente trouw. Integendeel, het uitzicht van mislukking en ondergang, van menselijk lijden en sterven wordt zelf radicaal veranderd.

In de consequente beleving tot het uiterste is de liefde sterker dan de dood. Het kruis, door mensen geplant als het afschrikwekkende gruwelteken van de dood als ultieme einde van alles, blijft voor de eeuwen overeind als het levensteken van de liefde.

Daarom zeggen en belijden wij dat wij door Jezus’ kruis verlost zijn en dat Hij op de derde dag is verrezen uit de doden.

Op Witte Donderdag vieren wij, belijden wij, bevestigen wij op een heel bewuste en expliciete wijze
dat wij onze Heer Jezus Christus levendig in herinnering willen houden:
levend in ons midden;
dat wij Hem willen volgen op de weg die Hij is voorgegaan;
dat wij geloven in de Mens die Hij is geweest
en in de God die Hij zijn Vader heeft geweten en genoemd;
dat wij geloven in de liefde, met elkaar verbonden, aan elkaar gegeven.

Witte Donderdag vieren, deze gebaren en tekenen stellen, het Brood breken, de Beker doorgeven, elkaar de voeten wassen: dit alles betekent ook een beetje dat wij nederig en oprecht onze beperktheid en onmacht erkennen, ons falen en ons verloochenen. De werkelijkheid van onze wereld staat zo veraf van het ideaal van verbondenheid en dienstbaarheid!

Maar tegelijk is Witte Donderdag een uitdrukking van hoop en vertrouwen in een toekomst waarin mogelijk wordt wat nu nog ondenkbaar is, namelijk dat mensen elkaar niet langer naar het leven staan, maar ten leven wekken en ten leven houden; dat wij zullen wonen in een wereld van gerechtigheid en vrede.

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x