Jaar A, vierde Paaszondag

Vierde paaszondag – Johannes 10,1-10 – de Goede Herder

In het vers dat volgt op het voorgelezen fragment, staat dan: Ik ben de Goede Herder. De Goede Herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Die toevoeging werkt als het ware bevrijdend. Ze rondt de evangelielezing af. Het maakt dat ze ons plots veel vertrouwder in de oren klinkt.

De vierde paaszondag is de zondag van de Goede Herder – roepingenzondag.

Deze parabel moet wel een sterke paasdimensie hebben, al blijkt dat niet direct uit de tekst. Het is geen paasverhaal, het behoort niet tot de Afscheidsrede. En toch houdt de liturgie eraan om ieder jaar opnieuw in volle paastijd het tiende hoofdstuk van Johannes te programmeren, en te zingen van de Goede Herder.

De rijkdom van Johannes’ parabel heeft zeker te maken met zijn diepe Bijbelse wortels, die teruggaan naar de oude profeten en psalmen. Psalm 23, de herderpsalm bij uitstek, is universeel een van de bekendste stukken uit de Bijbel. Deze wordt zelfs tot de wereldliteratuur gerekend.

De Heer is mijn herder,
mij zal niets ontbreken.
Hij wijst mij te liggen
in grazige weiden.
Hij voert mij naar wateren der rust.
Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen.

Jezus getuigt andermaal van zichzelf dat in Hem het oude schriftwoord in vervulling is gegaan. Ik ben de Herder. Ik ben de Goede Herder. Ik geef mijn leven voor mijn schapen.

De parabel krijgt zijn kracht, zijn eigenheid van de verbinding van die twee woorden: goed en herder. Ik ben de Goede Herder. Anders klinkt het niet af; anders mankeert er wat aan.

Hoe sterk ook de beeldspraak, de parabel leidt bij mensen tot een dubbele oprisping: in de eerste plaats tegen het idyllische van het tableau dat voor onze ogen vorm krijgt; en ten tweede tegen de daarmee samenvallende vereenzelviging van christenen, van Christus’ volgelingen met een kudde schapen.

In onze verbeelding, in die van kunstenaars en catecheten zien wij de Goede Herder als een lieve, mooie man met een troeteldier om de hals. Zoals de oude psalmen het lijken te bezingen, zo stellen klassieke en moderne schilderijen, beelden en kerkramen het voor.

Maar zo idyllisch is het leven niet. De realiteit is toch wel anders, ook de ons minder bekende realiteit van de herder en zijn kudde, bijvoorbeeld in het oude Oosten van Jezus’ dagen. Geen vredig troepje, geen grazige weide, geen klaterend beekje; maar een woestijn van vruchteloosheid, een steppe van uitzichtloosheid, huurlingen en wolven: de bedreiging van onverantwoordelijkheid en agressie. Struggle for life, toen net als nu. En wil je het halen, dan moet je er je leven voor overhebben.

Deze correctie is terecht, maar heeft op haar beurt behoefte aan een tegencorrectie, een nuance die juist gemaakt wordt door het woordje ‘goed’: Ik ben de Goede Herder. Dat woordje ‘goed’ slaat weliswaar niet in de eerste plaats op een morele kwaliteit of karaktereigenschap; maar op de authenticiteit van Jezus’ herderschap: Ik ben de Herder, zoals de herder hoort te zijn. Hij zorgt voor zijn schapen, Hij geeft zijn leven voor hen, Hij geeft hun zijn leven.

En toch, bij de Goede Herder past geen agressie, geen assertiviteit, geen viriele strijdbaarheid, geen gewelddadigheid waarbij je als het zijn moet, zover gaat je leven te riskeren. Bij Hem past evenmin valse goedheid, goedpraterij, lamme-goedzakkerij. Bij Hem past enkel pure goedheid, eindeloze en onbeperkte goedheid: zichzelf vergeten, zichzelf verliezen, zijn leven geven.

Het eerste kernwoord van de parabel is goedheid: de goedheid van de herder, de Heer.

De tweede oprisping gaat tegen het beeld van de kudde: die weerloze, machteloze kudde schapen. Zo kan de Schepper zijn kinderen toch niet hebben bedoeld. Is er dan al niet genoeg kuddementaliteit bij mensen, zonder dat dit ook nog door de parabel moet worden goedgekeurd en geïdealiseerd? Arme schapen, geschoren schapen, zwarte schapen… en wij die onszelf willen zijn: persoonlijkheden, geëmancipeerde vrouwen en mannen, leken en priesters, kloosters en families.

Ook deze correctie is terecht. Want de parabel heeft het niet over kuddeachtige volgzaamheid van willoze schapen, maar over verantwoord en geëngageerd leiderschap van een Goede Herder. Ook hier echter is een tegencorrectie, een nuance nodig, namelijk het onderkennen en het bewustzijn dat mensen, hoe persoonlijk en zelfstandig, hoe bekwaam en beslagen ook, van de andere kant leiding nodig hebben, hulpbehoevend zijn. Wie van zichzelf beweert dat niet te zijn, heeft allicht meer hulp nodig dan een ander. Mensen op de vlucht, bannelingen, ontheemden: voor hen is dat manifest en evident. Maar ieder van ons, in zijn dagelijkse kleinheid en beperktheid, hoort ergens bij die evangelische kudde die een Goede Herder nodig heeft, voor wie een Goede Herder opkomt en zijn leven geeft.

Het tweede kernwoord van de parabel is hulpbehoevendheid, de hulpbehoevendheid van de mens.

Het spreekt voor zich dat beide kernwoorden met elkaar verbonden worden, dat ze samen de dynamische eenheid uitmaken van de beeldspraak en de parabel. Datgene wat deze verbondenheid bewerkstelligt tussen de Goede Herder en de hulpbehoevende kudde, is de luisterbereidheid van de schapen. Ik ken ze en zij kennen Mij, Ik roep ze bij hun naam en zij luisteren naar mijn stem.

Dat is niet zonder meer of automatisch een kenmerk of eigenschap van wie hulpbehoevend is. Veeleer is het zo dat – binnen de werkzaamheid van de genade – de goedheid van de Herder in woord en daad dermate aanstekelijk inwerkt op de schapen dat zij in hun hulpbehoevendheid inderdaad luisterbereid worden. Ik ken ze zo goed; Ik roep ze bij hun naam en mijn roepstern is zo indringend en overtuigend dat zij als het ware niet anders kunnen dan gaan luisteren naar mijn roepstem.

De zondag van de Goede Herder is roepingenzondag. Het eerste kenmerk van roeping is: de luisterbereidheid van de lammeren. Als die er is, zal zij vanzelfsprekend uitgroeien tot zorg en bekommernis, medeleven en medelijden voor en met de andere lammeren van de kudde: een lam dat zelf tot medeherder geworden is, conform het beeld van het boek Openbaring, namelijk het Lam in het midden van de troon zal de kudde weiden.

Hier is geen verschil tussen de ene en de andere roeping. Alle vrienden, alle leerlingen van de Heer worden geroepen om luisterende lammeren te zijn, maar tevens om voor elkaar te zorgen: geroepen om herder te zijn op welke wijze dan ook. Waar ligt dan wel het verschil tussen roepingen, als er al een verschil is?

De parabel is een paasparabel, hebben we gezegd. Roepingenzondag valt terecht midden in de paastijd. Er is een ander stukje paasevangelie van Johannes dat goed bij de parabel kan aansluiten en er dan een nieuwe dimensie aan toevoegt.

Ik ben de Goede Herder, zegt de Heer. De Goede Herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Zij luisteren naar zijn stem.

En nu laten wij hierop rechtstreeks het evangelie aansluiten van de derde paaszondag in de C-cyclus.

‘Toen Jezus dit gezegd had, zei Hij tot Petrus: ziet gij Mij graag, Petrus, houdt gij van Mij? Petrus antwoordde, eerst vurig, dan wat ongemakkelijk, de derde keer verward maar in overgave aan de barmhartigheid die hem werd betoond: dat weet Gij toch, Meester. Toen zei Jezus tot hem: weid mijn lammeren. Doe het vurig, maar niet overmoedig: je kent Mij en je kent jezelf. Luisterbereid en aanhankelijk zoals je bent, en hoe hulpbehoevend en beperkt ook, vertrouw Ik de wereld aan je zorgen toe als hun Goede Herder. Ik zal altijd bij je zijn.’

Hier is roeping vrije uitverkiezing vanwege de Goede Herder geworden, pure genade die de uitverkorene in het hart raakt en tot vrijwillige medewerking overtuigt. Het is geen privilege, wel een onmiskenbaar voorrecht om uitverkoren te worden. Het is een even onmiskenbare verantwoordelijkheid om uit vrije wil en met volle overgave op de uitnodiging in te gaan.

Laat ons, zoals telkenjare op deze vierde paaszondag ook nu, met het beeld van de Goede Herder voor ogen, onze roeping en die van iedere medemens tot bijzonder aandachtspunt en gebedsintentie maken.

Laat ons dankbaar zijn en bidden voor menselijke en christelijke roepingen in de brede zin van het woord; voor religieuze roepingen; voor priesterroepingen. Dat onze priesters gelukkig mogen zijn in de trouw aan hun roeping. Dat jonge mensen durven in te gaan op de roepstem van de Herder en erin geloven dat het mogelijk is en dat het de moeite loont.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x