Jaar A, vasten IV

Vierde zondag in de veertigdagentijd – Job 9, 1-41

Een lang evangelie was dat, zoals nog weleens het geval is in de veertigdagentijd. De homilie behoort niet recht maar omgekeerd evenredig daarmee te zijn. Het verhaal spreekt toch voor zich! Voor een goed begrip situeren wij het toch eerst even kort binnen het grotere geheel van het Johannesevangelie.

Aan dit verhaal van het negende hoofdstuk gaat het relaas vooraf van het broodwonder in hoofdstuk 6, met aansluitend vele verzen lang een hevig oplopende discussie tussen Jezus en de joden, de farizeeën op de eerste rij. Het komt tot een totale, definitieve breuk. Wat zegt die nieuwlichter ook allemaal? Ik ben het Brood van het Leven. Ik ben de Bron van levend Water. Ik ben het Licht van de wereld. Dat wordt zó onverdraaglijk, dat is zó godslasterlijk dat zij Hem willen stenigen. Maar Jezus vertrekt uit de tempel, ‘omdat zijn uur nog niet gekomen is’.

En dan volgt dit genezingsverhaal duidelijk als een bewijs voor de laatst aangehaalde Ik-zin: ‘Ik ben het Licht van de wereld.’ Tegelijk wordt de breuk bevestigd. Ondanks de vanzelfsprekendheid van de feiten hullen de farizeeën zich in de mantel van hun eigen groot gelijk. De blindgeborene ziet; de zienden zijn verblind.

Het komt vaker voor dat in een van de evangelies over de genezing van een blinde wordt verteld. Maar Johannes heeft het over een blindgeborene: iemand die nooit gezien heeft, die niet weet hoe een mens, een dier, een bloem of een boom eruitziet, en dan plots al die dingen niet enkel ‘zien’ kan, maar ook begrijpt, vat, herkent. Zelfs een kind, met gezonde ogen geboren, moet leren zien. Van de blindgeborene worden als het ware de ogen tweemaal ineens geopend: voor de vormen en de kleuren, en meteen ook voor hun inhoud en betekenis. Hem wordt niet alleen gezicht, maar inzicht geschonken; niet enkel licht, maar leven. De genezen blindgeborene is inderdaad een bewijs van Jezus’ zelfgetuigenis: ‘Ik ben het Licht van de wereld.’

Het valt op dat het mirakel zelf nogal een omslachtige bedoening is in vergelijking met Jezus’ andere wonderen waar een enkel woord volstaat. Hier ‘werkt’ Jezus met speeksel en klei, dingen die algemeen bekend waren als geneeskrachtig, zeker voor zieke ogen. Maar Jezus is toch geen vreemde magiër? Waarom dan die nodeloze omweg? Om zo het uitzonderlijke van dit wonder te onderstrepen?

Een beter argument ligt in het feit dat het gebeuren op sabbat plaatsvindt. Op sabbat waren alle werken verboden. Zelfs ogen verzorgen met speeksel en klei was niet toegestaan. Heeft Jezus zodoende de farizeeën nog wat extra willen uitdagen? Dat ligt helemaal niet in zijn aard.

Maar, wat op sabbat wél was toegestaan, was mensen in levensnood of levensgevaar helpen. En zo gezien worden deze nutteloze middeltjes van speeksel en klei tekenen van de levensdiepe dimensie van het gebeuren. De blindgeborene, de voor het licht doodgeborene, is in levensnood. Hem wordt leven geschonken. ‘Ik ben het Licht van de wereld,’ zegt de Heer.

Dan nog is Hij niet klaar met zijn ‘werk’. Hij stuurt de blinde naar de vijver van Siloë om er zijn ogen te gaan afspoelen. Ook wassingen behoren tot de volkse geneeskunde van Jezus’ tijd en van alle tijden. En Siloë had een goede naam op dat gebied.

Schijnbaar terloops vermeldt de evangelist dat de naam Siloë betekent: de Gezondene. Wat volgt is een woordenspel, typisch voor Johannes. Het water van de vijver krijgt kracht van de Gezondene. Als de van God Gezondene een zieke opdraagt om er zich te gaan wassen, dan zal de genezing daarop onvermijdelijk en zonder twijfel volgen. Hij ging, hij waste zich, hij kwam ziende terug. Ook op deze wijze krijgt het zelfgetuigenis van Jezus, de Gezondene, extra bewijskracht: ‘Ik ben het Licht van de wereld.’

Wat een rijkdom aan symboliek en geloofsinzicht binnen het bestek van deze enkele verzen! Maar wij hadden een korte homilie in het vooruitzicht gesteld. Die is nu toch al een tijdje aan de gang en wij zijn nog maar aan vers zeven toe. Er staat ons nog een vijfendertigtal te wachten. Voeg daarbij dat tot nog toe alles als vanzelf verliep. De problemen beginnen pas, nu de anderen er zich mee gaan bemoeien: de buren, de ouders, de onvermijdelijke farizeeën.

Wat volgt is noch min noch meer de bevestiging van de kloof, de definitieve breuk tussen Jezus en de joden, zoals die is ontstaan na de broodrede en de discussie daaromheen. Die kloof wordt niet overbrugd. Integendeel, zij wordt steeds dieper en breder. Het Licht van de wereld stoot voorgoed op de verblinding van hen die wel zien met hun ogen, maar niet met hun hart: die zelf zozeer verblind zijn door zelfverzekerdheid en kortzichtigheid dat zij niet meer in staat zijn wat dan ook te zien, hoe evident en helder het ook mag zijn.

Wees toch eens even ernstig, zeggen zij tegen de man, ‘geef eer aan God; wij weten toch dat deze man een zondaar is’. Het antwoord van de blindgeborene getuigt van puur gezond verstand. ‘Of Hij een zondaar is weet ik niet. Eén ding weet ik wel: dat ik blind was en dat ik nu zie… Als deze Man niet van God kwam, had Hij zoiets toch nooit kunnen doen.’

Zo stimuleert de reactie van de farizeeën bij hem die zij uit hun kring uitsluiten, nog extra de reeds aanwezige bereidheid om te geloven in het Licht van de wereld. Als hij Jezus opnieuw ontmoet, belijdt hij het: ‘Ik geloof, Heer.’ En hij werpt zich voor Hem neer.

Dit evangelie is niet zonder reden uitgekozen voor deze vierde zondag van de veertigdagentijd, de zondag waarop van oudsher de doopleerlingen werden ondervraagd. Als bevestiging en als opdracht werd hun dan plechtig de geloofsbelijdenis overhandigd. Met Pasen zouden zij die uitspreken, bij hun doopsel zelf.

Het verhaal van de blindgeborene is een betekenisvol doopselevangelie, ook al handelt de tekst daar niet over. In het verlengde ervan wordt het doopsel terecht sacrament van het licht genoemd, sacrament van de verlichting.

In zijn hernieuwde ontmoeting met Jezus, als de blindgeborene tot het volle licht is gekomen, belijdt hij inderdaad zijn geloof. Het is een modelgeloofsbelijdenis. Niet vanwege de tekstuele inhoud: hij somt geen reeks dogmatische waarheden op, maar houdt het bij één enkel woord: ‘Ik geloof, Heer.’ Wat daar echter bij aansluit, is van nog groter belang, is nog méér ‘geloofsbelijdenis’ in de volle zin van het woord: hij werpt zich voor Hem neer. Geloven is in de eerste plaats geen zaak van woorden, maar een kwestie van loven en danken en van zich ten dienste stellen. Hij wierp zich voor Hem neer.

Als wij met Pasen plechtig het geloof van ons doopsel hernieuwen, leggen wij voor onszelf allicht iets te veel de klemtoon op dat belijden als een intellectuele act, en iets te weinig op het daarmee onlosmakelijk verbonden aspect van engagement enerzijds, van aanbidding, lofzang, dankzegging anderzijds. Een gezongen credo, een lied is uiterst geschikt om dit uit te drukken en te onderstrepen.
Het loont de moeite dat wij er ons over bezinnen hoe wij van onze wekelijkse geloofsbelijdenis opnieuw een volwaardig danklied kunnen maken: een hymne aan het Licht, een lofzang voor het Licht van de wereld dat onze ogen en ons hart opent voor het mysterie van het leven en de liefde.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x