Jaar A, vasten III

Derde zondag in de veertigdagentijd – Job 4, 5-42

Een ontmoetingsverhaal in het Johannesevangelie is steeds voor een stuk ook het verhaal van zijn eigen ontmoeting – van hart tot hart – met zijn Meester. ”Wat de evangelist zelf heeft meegemaakt en niet rechtstreeks aan zijn lezers kwijt wil, leeft op in het verslag dat hij uitbrengt, het sterk gekleurde verslag van wat hij gezien en gehoord heeft van anderen.

Dit verhaal is daarom tegelijk te beluisteren en te lezen als het verhaal, als de weerspiegeling van onze eigen ontmoeting – van hart tot hart – met de Heer: het verhaal van onze roeping, van ons geloof.

Wij kunnen ons de vraag stellen of de Samaritaanse vrouw uiteindelijk tot het geloof gekomen is of niet. Met evenveel woorden wordt dat niet gezegd. Maar wij mogen redelijkerwijze aannemen dat er toen iets met haar gebeurd is, dat er iets is opengegaan, is losgemaakt, dat er een proces op gang is gekomen dat achteraf zijn verdere beloop en beslag moet krijgen, hoe dan ook.

Het eerste contact van de ontmoeting is, zoals dat bij ontmoetingen bijna altijd het geval is, louter buitenkant. Ik kom iemand tegen, een onbekende, met dezelfde menselijke vragen en verlangens, dezelfde lijfelijke nood als ikzelf: dorst. Mijn ontmoetingspartner vraagt mij hem te helpen, hetgeen gezien de omstandigheden logisch lijkt. Maar dan beweert hij plots tegen alle logica in dat hijzelf veel beter in staat is mij te helpen.

Meteen is het duidelijk dat hij ons gesprek op een hoger niveau wil tillen, er een andere dimensie aan wil geven: van het niveau van de lichamelijke menselijke nood naar dat van de existentiële behoefte, de menselijke levensdorst. Maar ik heb dat amper in de gaten. Het interesseert mij gewoon ook niet. Mijn antwoord ‘Geef mij dan van dat water, Heer’ is veeleer een sarcastisch afwijzen van deze prietpraat, dan wel een plots geloofsinzicht, zoals soms wordt uitgelegd. In dat geval immers zou de rest van het verhaal overbodig zijn geweest. Voor mij echter is en blijft er enkel maar die ene dorst te lessen.

Bij wijze van tussenstap brengt Hij onze dialoog op het niveau van het sociale, van de sociale menselijke behoefte aan contact met soortgenoten. Ga je man halen, je medemens, je partner, je wederhelft met wie je je leven deelt en zonder wie het leven niet is wat het is of hoort te zijn. Maar wat kan mij een man schelen, wat maakt mij een medemens uit? Daar heb ik geen behoefte aan. Dorst heb ik, alleen maar dorst. Daar gaat het mij om en daar blijft het bij.

Toch moet ik toegeven dat er in deze tweede fase van ons gesprek iets van die Ander uitgaat dat mij méér raakt dan in het begin. En hoe naïef, hoe oppervlakkig, hoe cynisch ik ook leef en ben, ik moet aan mezelf bekennen dat Hij iets weet, dat Hij iets heeft, iets te bieden heeft, dat Hij ‘iemand’ is.

Wij discussiëren nog wat verder, klaarblijkelijk langs elkaar heen. Dat leidt ertoe dat Hij weer eens zo’n plotse en onverwachte uitspraak doet. Simpelweg zegt Hij: Ik ben het. Ik-ben-het: Ik ben het levende Water, Ik ben het levende Brood, Ik ben de Goede Herder, de ware Wijnstok, Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.

Er steken in deze dialoog duidelijk twee lagen, zoals in alle vorige en volgende dialogen hij Sint-Jan. En deze woorden ‘Ik ben het’ horen telkens thuis in de tweede laag, de diepere, de binnenste laag. Het zijn woorden als pijlen op het hart gericht: niet om het te kwetsen, wel om het te raken; niet om te doen inslapen, wel om mijn existentiële honger en dorst wakker te maken.

Ik ben het; zegt Hij. Wat moet ik nu daarmee? Wat moet ik daarop antwoorden? Want, waarom weet ik niet, zijn woorden hebben mij geraakt, geroerd, ontroerd, niet alleen in de emotionele maar in de religieuze zin van het woord. Je kunt het ook genade noemen.

Het doet mij eensklaps even mijn lijfelijke dorst vergeten. Welke dorstige in de woestijn zou anders zomaar haar kruik achterlaten? Eensklaps heb ik even toch onweerstaanbaar nood aan medemensen om bij te rade te gaan en om steun te zoeken: mensen, wat overkomt mij toch? En meteen verdwijn ik, misschien wel graag, van het toneel.

Maar het blijft mij bezighouden. Ik kan niet anders, ik moet nog een antwoord geven op zijn laatste woorden. Ik voel er mij toe gedwongen. Het hoeft niet hardop en het hoeft niet meteen. Ons gesprek zal vanaf nu onhoorbaar verder verlopen, gefluisterd van hart tot hart.

Ofwel antwoord ik: Jij bent het niet. En alles blijft wat het was. Ik blijf wie ik was met mijn noden en verlangens. Voor die Ander is er geen ruimte, maak ik geen ruimte. Hij zal mij daarom niet veroordelen of afschrijven, maar met scheppend, creatief geduld een nieuwe ontmoeting tegemoet zien.

Ofwel zeg ik: Jij bent het. En alles wordt anders. Ik blijf wie ik was met mijn noden en verlangens, maar ik maak ruimte voor die Ander. En de ruimte die in mij is wordt zoveel groter, wordt helder en ontvankelijk. En Hij neemt genadig die ruimte in. Wij weten niet wat er van de Samaritaanse geworden is. Maar wij mogen redelijkerwijze aannemen dat haar antwoord een jawoord geworden is.

Er moet bij haar iets fundamenteel veranderd zijn, ware het maar omdat haar medemensen, die zo weinig voor haar te betekenen hadden en voor wie zijzelf wellicht ook maar weinig te betekenen had, enkel op basis van haar verwarde en eigenaardige verhaal, eropuit trekken voor hun eigen ontmoeting.

Van hen weten wij trouwens wel hoe het afliep. Velen geloofden in Hem, zegt de evangelist. In het begin, zeggen zij, geloofden wij op grond van uw verhaal, vrouw, medemens. Daarna zijn wij gaan geloven dat Hij het is op grond van zijn eigenste woord.

Ook hierin herkennen wij iets van onze eigen geloofsgeschiedenis.

Ons eerste argument, onze eerste geloofsbasis is eveneens: ons thuis,
onze familie, onze leraars, onze bekenden, de gemeenschap, de traditie, de
kerk. Allemaal evenveel geloofsgetuigen als aanzet voor onze eigen over-
tuiging, noem het van buitenuit.

Ons tweede argument, onze tweede grondslag, van binnenin, is Hijzelf
die tot ons zegt – van hart tot hart -: ‘Ik ben het.’ Onze ontmoeting met de
Levende. Onze geloofsovertuiging, ondanks alle zwakte en onzekerheid,
ergens pal en onwrikbaar, vanbinnen in, in de diepte van ons hart waar wij
in vereniging met Hem, de Heer, de Zoon, op aarde als in de hemel, de
Vader aanbidden in geest en waarheid.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x