Jaar A, vasten II

Tweede zondag in de veertigdagentijd – Matteüs 17, 1-9

Dit evangelie verhaalt van een visioen, een mystieke ervaring. Daarom hoeft de gedaante-verandering op de berg Tahor nog niet te worden afgedaan als een sprookje of een louter zoete droom, een vlucht uit de werkelijkheid. Integendeel, dit evangelie staat heel dicht bij het leven, heel dicht bij het gewone, alledaagse leven, heel dicht ook bij het tekenende moment ervan dat het lijden is.

Een visioen, dat wil zeggen: een ‘zien soms even, door en over de dingen heen’: geen droom zonder meer, maar de diepe ervaring van een werkelijkheid die deze van de dingen overstijgt. Juist daarom kan zin geven aan wat zinloos lijkt, perspectief bieden aan wat uitzichtloos lijkt, inspiratie brengen voor het zingen van je dagelijkse levenslied, draagbaar maken wat ondraaglijk is of lijkt: het leven van alledag en zelfs het lijden.

Om het leven van alledag, de alledaagse dag lief te hebben, heb je behoefte aan verheven momenten -hoe zeldzaam ook – aan ervaringen van goedheid en schoonheid.

Zoals man en vrouw die om de banale dingen van de dag te dragen, behoefte hebben aan, genoeg hebben aan één morgenkus, opdat de grijze kleurloosheid die op hen afkomt, gekleurd zou worden met de heldere tinten van de liefde.

Om het lijden te kunnen dragen, heb je behoefte aan het visioen van de heerlijkheid.

Maar andersom is even waar.

Om de smaak te proeven van het verheven moment, om goedheid te erkennen, om van schoonheid te genieten, is het nodig te houden van de alledaagse dag en van de meest gewone dingen.

Om de zoetheid van de wederzijdse omhelzing te smaken, moeten man en vrouw graag doen wat ze te doen hebben. Zo niet, dan smaakt uiteindelijk de zoetste kus bitter.

Om de heerlijkheid van het visioen te kunnen zien, moet je aanvaarden dat er te lijden en te sterven valt.

Als Petrus zich in de zevende hemel waant – zo schoon is dit alles dat hij er blijven wil – krijgt hij een dubbele levensles.

De eerste is: het vermoeden en de gewaarwording dat er iets nog veel schoners is dan dit, zo verheven schoon dat het ondraaglijk is voor mensenogen. Daarom moet je dan je ogen verbergen en behoeden voor het licht. Zo doorzinderend is het weerklinken van de stem dat het horen ervan je tegen de grond slaat in vrees en ontzag. De gewaande hemel – hoe schoon ook – is nog steeds de echte hemel niet. Het mooiste stukje schepping is nog altijd de Schepper zelve niet. Wat staat ons nóg te wachten…

De tweede les is: dat wanneer eenmaal de tijd gekomen is om op te staan, je je vrees moet afleggen (terwijl je je ontzag blijft meedragen), je de top van de berg, zo dicht bij de hemel, moet verlaten om weer naar beneden te gaan, verder te gaan, door de dagen heen, ook naar de pijn toe. Maar, vergeten kun je het niet: dat het zo heerlijk was, dat er dus zulke goede dingen zijn, dat er dus nog zulke verheven dingen op komst zijn, te verwachten zijn!

Ja, daar zijn blijde dagen nog in ’t leven. Hoe weinig ook, er zijn er nog, voorwaar. Het begin van een gedicht van Guido Gezelle, in volle geloofsovertuiging geschreven.

Geloven is: uit weinige bevoorrechte momenten van even iets zien te onthouden dat er een Schoonheid is die op je wacht en over je waakt en die alles zal kleuren en blijven kleuren, zelfs de donkerte van de dood.

Dit mooie verhaal kan ons heel wat leren, ook bijvoorbeeld over liturgie: wat liturgie is en hoe ze behoort te zijn, om voor gelovigen een stukje visioen te betekenen, een stukje Taborervaring, een verheven moment telkens opnieuw dat zin geeft en perspectief biedt en inspiratie aanreikt voor het dagelijks leven.

Het verhaal van de gedaanteverandering op de Tabor leert dat je voor een authentieke liturgie de berg moet beklimmen, de stilte opzoeken en de afzondering intreden; niet alleen, dan kom je wel aan bidden toe maar niet aan liturgie, maar samen met enkele vrienden, tochtgenoten, geloofsgenoten.

Het leert dat liturgie niet kan zonder Mozes en Elia, zonder de profeten van de berg, zonder de Schrift: te beluisteren, te overdenken en te beamen.

Het verhaal van Jezus’ verheerlijking leert ook dat de liturgische viering niet mooi genoeg kan zijn: een festival van woord en klank en kleur. En tegelijk: dat het schone van de liturgische viering, zowel qua vorm als qua inhoud, niet doel op zich is, maar doorverwijzing naar God, naar de schoonste Schoonheid die wij, dankzij woord en klank en kleur – hier en nu – wel kunnen vermoeden en bevroeden, maar die wij nog niet zien, nog niet kunnen zien of dragen.

Liturgie mag en moet ons doen trillen van geluk, menselijk geluk, menselijke ontroering, gelovig geluk; maar tevens ons doen huiveren voor Gods ongekende grootheid en majesteit.

Een derde les van het Taborverhaal is: dat liturgie ons naar het volle leven moet voeren, naar de gewone dingen en daden en de mensen daarbeneden. Zij wachten op ons om te delen in onze ervaring van een mens in zijn ware gedaante en van een overheerlijke God.

Kerk én wereld hebben behoefte aan liturgie in haar volle kracht en rijkdom, opdat de grijze kleurloosheid van de eendere dagen gekleurd wordt met de heldere tinten van een belevenis die ons optilt naar de hoogte van het visioen.

En ten slotte: dat er veel te zwijgen valt. Liturgie moet ons tot stille getuigen maken: tot zwijgzame mensen, zwijgend voor het mysterie waarvoor alle woorden tekortschieten. Liturgie heeft een taak te volbrengen van stille ingetogenheid, een zwijgplicht die op ons rust tot op het moment dat ook voor ons de Mensenzoon is opgestaan uit de doden.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x