Jaar A, vasten I

Eerste zondag in de veertigdagentijd – Matteüs 4, 1-11

De bekoringen in de woestijn vormen een verhaal zonder ooggetuigen. Des te pittoresker is het verhaal. Het overstijgt onze verbeeldingskracht. Jezus, tot daaraan toe. Maar geest en duivel, hoe moeten wij ons die voorstellen? En verder: van stenen brood maken, boven op de tempel geraken om er mogelijkerwijze af te springen, van boven op een hoge berg heel de wereld zien?

Jezusfilms aarzelen niet om dit verhaal in beeld te brengen. Het resultaat kan fantastisch zijn, maar meer ook niet, omdat men zodoende een zuiver spiritueel gegeven wil materialiseren, niet alleen met woorden maar met concrete beelden. En dit schiet helemaal aan de bedoeling van het verhaal voorbij.

De hele scène in de woestijn vertoont het karakter van een twistgesprek tussen twee schriftgeleerden die elkaar bestoken met Bijbelargumenten. ‘Want er staat geschreven…’, zo gaat het heen en weer.

Dat de satan zelf in deze discussie schriftwoorden in de mond neemt, hoeft ons niet te verwonderen. Paulus zegt dat de duivel zich soms vermomt als de engel van het licht. Dat deed reeds de duivel uit het verhaal van de zondeval van de eerste mensen: zich voordoen als de engel van het licht, als de gezant van God die helderheid schept, want hij belooft aan de mens de kennis van goed en kwaad.

De scène past bijzonder goed in het kader van het Matteüsevangelie. Zijn bekoringsverhaal symboliseert en weerspiegelt de discussie tussen het oude jodendom en het nieuwe christendom rondom de vraag of Jezus de te verwachten Messias is, al dan niet. Daarover heeft Matteüs het toch in zijn geschrift. En telkens opnieuw voert hij aan: ‘Want er staat geschreven…’

De bekoringen, de uitnodigingen en uitdagingen, vragen en opdrachten van de satan aan Jezus zijn dan de eisen, de verwachtingen van het oude jodendom. Zo hoort hun messias te zijn, en anders is hij het niet.

Hij moet een einde maken aan honger en armoede (= van stenen brood maken). Hij moet de natuurelementen de baas kunnen (= risicoloos van de tempelpoort springen). Hij moet politiek de zaken rechtzetten en het oude koningschap in ere herstellen (= alle koninkrijken der aarde aan Hem, aan ons onderwerpen).

Uiteraard zijn dat niet de vragen van alleen maar de joden uit Jezus’ tijd, maar van alle mensen van alle tijden: als God zo niet is, bestaat er geen God!

Het zijn ook de vragen die aanwezig zijn en blijven in de diepte van het hart van de rechtgeaarde en eerlijk zoekende christengelovige.

Want al hebben wij voor Jezus Christus gekozen en hoe oprecht wij ook willen zijn in ons geloof, de oude verzuchtingen van het mensenhart zijn daarmee zeker niet voorgoed verstomd.

Steeds opnieuw willen wij van onze Jezus Christus een oppermachtige magiër maken die voor ons stenen in brood verandert; een mythologisch wonderwezen dat de menselijke conditie overstijgt en uitdaagt door bijvoorbeeld de wet van de zwaartekracht te negeren en te trotseren; een superkoning van het rijk van onze dromen, boven alle rijken en heerlijkheden ter wereld.

Wij geven het verhaal de naam: de bekoringen van Jezus in de woestijn. Maar het zou ook anders en wellicht even juist genoemd kunnen worden: onze bekoringen ten aanzien van Jezus, namelijk hoe wij Hem graag zouden willen zien en waarop Hij telkens antwoorden moet: zó ben Ik niet.

Onze bekoring blijft dat wij Jezus willen vergoddelijken, ver-afgoddelijken tot een supermens waardoor zijn menswording zelf in haar diepste eigenheid wordt ontkracht.

En ons argument, tegen Hem in, is: Gij zijt toch de Zoon van God. Dus…

Op deze wijze sluit het verhaal van de beproevingen in de woestijn onmiddellijk aan op het voorafgaande, dat van de Doop des Heren. De proclamatie van de hemelse Vader, ‘Dit is mijn Zoon, mijn Veelgeliefde’, vindt haar echo in de duivelse tegenzet, ‘als Gij de Zoon van God zijt’.

Diezelfde uitdaging zal terugkomen als de Heer Jezus aan het kruis hangt en de woorden van de satan weerklinken uit de mond van de spottende omstanders: ‘Als Gij de Zoon van God zijt, kom dan van uw kruis af.

Op de laatste uitdaging van de satan in de woestijn is Jezus’ uiteindelijke wederwoord: ‘Weg, satan.’

Waar hebben wij dat eerder gehoord?

Doet het ons niet denken aan het verhaal van Petrus’ belijdenis in Caesarea Filippi? Even na zijn spontane en plechtige erkenning ‘Gij zijt de Zoon van God’, krijgt ook hij die het toch zo goed voorhad, van Jezus te horen: ‘Ga weg, satan’, omdat hij weigert de mensheid van de Zoon te aanvaarden, de kwetsbaarheid, het lijden en de dood van de Messias.

Het lijden en de dood van zijn Gezalfde zijn de zwaarste hypotheek die weegt op ons geloof in een almachtige God.

Paulus zegt: door de zonde is de dood, dat is het lijden en de sterfelijkheid, over alle mensen gekomen.

Menen dat een mens, dat de Mensenzoon zich daaraan kan onttrekken, ziedaar onze bekoring. Dat is: God verzoeken, God op de proef stellen. Dat is: knielen voor de satan en niet voor de Almachtige.

Geloven in Jezus Christus, geloven in verlossing, bevrijding, verrijzenis, geloven in zachtmoedigheid, barmhartigheid, zuiverheid van harte, verzoening en vrede, geloven in de arme, de treurende, de hongerende, de gekwelde mens, dat wil zeggen: geloven in een God die tot de kwetsbare en gekwetste mens zegt: Jij bent mijn Zoon, mijn Veelgeliefde, mijn welbehagen.

Dit is een woord dat komt uit de mond van God. Daarvan leven wij. In Jezus Christus onze Heer.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x