Jaar A: Tweede zondag van de Advent

Tweede zondag van de advent – Matteüs 3, 1-12

Bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij. Zo luidt het begin van de prediking van Johannes de Doper. Meteen is het de samenvatting van zijn gehele predikatie.

Met deze oproep wordt de advent getekend, naar Kerstmis toe. Bekering is een sleutelwoord van de advent, net zoals verwachting dat is. De profeet roept op tot verwachting; de Doper roept op tot bekering. In feite gaat het over dezelfde grondhouding: leef toekomstgericht. Houd je klaar, maak je klaar voor wat er te gebeuren staat.

Jezus’ boodschap begint met dezelfde woorden. Bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij. Of, in een andere versie: bekeer u, en geloof in de Blijde Boodschap.

Jezus’ oproep is geen adventsoproep meer, naar Kerstmis toe. Hij is immers zelf de langverwachte die, in de naam van de Heer, gekomen is, die mens geworden is. Zijn oproep klinkt aan het begin van de veertigdagentijd, naar Pasen toe, als christenen op Aswoensdag met een askruisje worden getekend, ten teken van boete en bekering.

Als na Jezus’ verrijzenis, op de dag van Pinksteren, de mensen aan de apostelen vragen ‘mannen, broeders, wat moeten wij doen?’, dan is Petrus’ antwoord ditmaal – andermaal – : bekeer u. Bekeer u en laat u dopen in de naam van Jezus Christus. Nu is het een oproep geworden’ naar alle komende eeuwen toe, totdat Hij komt.

Bekering is een sleutelwoord van heel het evangelie en heel de Schrift, voortdurend en telkens opnieuw toekomstgericht.

Driemaal, telkens en voortdurend, heeft het te maken met Gods komen, in Jezus de Heer: zijn komst op aarde, zijn thuiskomst bij de Vader, zijn wederkomst – Menswording, Verlossing, Parousie.

Driemaal, telkens en voortdurend, heeft het te maken met leven: geboorte, opstanding of leven dat de dood overwint, eeuwig leven. Bekering is je klaar houden, je klaarmaken voor de komst, voor het leven. Bekering is een sleutelwoord van het christendom.

Maar christenen nemen het woord niet zo graag in de mond. Wij schuwen het, omdat wij vinden dat het zo negatief klinkt. Bekeringsgezindheid is niet het eerste dat bij christenen opvalt.

Wij zijn toch bekeerd. Wij zijn toch gedoopt. Wij kennen en erkennen onze fouten en zwakheden. En, wie gedoopt is, wordt toch gered. Zo’n beetje als de farizeeën in het evangelie: wij hebben toch Abraham tot vader. Dan is Gods goede gunst ons toch verzekerd, dat kan toch niet anders.

Daar wordt Johannes kwaad van. Adderengebroed, noemt hij hen, omdat zij als adders zelfgenoegzaam in hun nest blijven rondkruipen: alsof het Rijk er al helemaal is en niet meer komen moet, niet meer te verwachten is; alsof de boodschap al helemaal gegeven en begrepen is en geen bekering meer nodig is.

Het tegenovergestelde is waar. Zich bekeren wil juist zeggen: het onvolkomene van het moment, het hier en nu, inzien; maar tegelijk inzien dat ditzelfde hier en nu alle kansen biedt, alle perspectieven opent voor het waarmaken van de toekomst.

Bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij. Bekeer u, en geloof in de Blijde Boodschap; dat wil zeggen: geloof dat het Rijk nabij is. Het motief van de bekering is gelijk aan het doel ervan. Het waarom is gelijk aan het waartoe. ‘Omdat’ wordt meteen ‘opdat’. Bekeer u, omdat het Rijk nabij is. Bekeer u, opdat de toekomst zich waarmaakt, opdat Gods Koninkrijk komen mag.

Waar Johannes de Doper vooral het motief beklemtoont, daar schildert Jesaja vooral het doel, in een ongeëvenaard toekomstvisioen. Er is een grote tegenstelling tussen het evangelie en de eerste lezing, tussen de dreigende toon van het evangelie en het mateloze optimisme van de lezing. Je krijgt de indruk dat dit evangelie bij het Oude en deze lezing bij het Nieuwe Testament hoort. “Waar klinkt nu feitelijk het meest authentieke van de boodschap in door?

Wij mogen beide niet los van elkaar zien, wij moeten ze in elkaar verweven, ze als het ware in een collage tot één geheel, één enkel kunstwerk maken.

In die tijd trad een profeet op en predikte in de woestijn: bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij. Bekeer u, opdat ze komen mag: die toekomst, dat niemand meer zondigt, niemand meer kwaad doet op heel Gods heilige berg; dat heel de aarde vervuld is van zijn liefde; dat de wolf huist bij het lam; dat de zuigeling speelt bij het hol van de adder; dat het kindje zijn handje steekt in het nest van de slang.

Bekering is: geloven in het visioen, met heel je hart hopen op toekomst, met heel je zijn en doen investeren in vrede: liefde en vrede – ondanks alles – tussen wolf en lam, tussen slang en mens, zoals in den beginne.

Maar het adderengebroed dat zich niet bekeert, dat dus geen zuigeling in de nabijheid duldt, heeft het anders begrepen. Je ziet toch wat je ziet. De realiteit is toch geen sprookje. Je ziet toch om je heen dat mensen wolven zijn die mensen-lammeren verslinden, dat mensen wolven zijn voor elkaar. Als dat zo is vandaag, wat zou het dan morgen anders zijn?

Homo homini lupus, zegt de menselijke wijsheid. Mensen zijn wolven voor elkaar. Dat leidt zij af uit de tekenen van de tijd. Dat vertaalt zij cynisch en zelfverzekerd naar de toekomst toe: toekomst die er niet is buiten het steeds maar verder wegzinken in zinloosheid en leegte. Homo homini lupus.

Maar Jesaja’s boodschap, Johannes’ boodschap, die verschillen hier fundamenteel van. Bekeer u, want het Rijk is nabij. Geloof in de Blijde Boodschap. Hij die komen zal, het vleesgeworden Woord van God, Hij is geen lupus, maar agnus. Ecce homo: homini agnus, agnus Dei. Zelfs overgeleverd aan de wolven, gekruisigd, zegt Hij aan wie stervende naast Hem hangt en zelf ook een wolf was: vrede zij u – een paaswoord ten leven vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs. Daar speelt de zuigeling bij het hol van de adder, daar huist de wolf hij het lam.

Wij denken misschien wel terecht dat mensen vandaag méér hebben aan deze boodschap in de stijl van Jesaja dan van kerkelijke banbliksems in de stijl van Johannes de Doper.

Dat is zeker het geval, als wijzelf naar mensen toe gaan die verstrikt zijn in uitzichtloosheid, die geen toekomst meer zien. Maar voor onszelf die het toch niet zo kwaad hebben, noch met het hier en nu, noch met de toekomst, is het toch wel een probaat en aangewezen hulpmiddel om Johannes de Doper en zijn opgestoken vingertje ter harte te nemen: zijn kemelharen kleding en zijn sprinkhanenvoeding, wat soberheid en wat terughoudendheid in deze advent, om niet zelfgenoegzaam in ons nestje rond te draaien, maar steeds opnieuw te leren wat bekering en wat verwachting is.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x