Jaar A, Openbaring des Heren

Openbaring des Heren – Matteüs 2, 1-12

Wij blijven gefascineerd door het kerstverhaal van Driekoningen. Tegelijk stellen wij ons vragen over de relatie tussen dat beeldrijke maar eenvoudige verhaal en de plechtige naam die het driekoningenfeest heeft gekregen: Epifanie, Openbaring des Heren. Wat zou dan wel het bijzondere openbaringsgehalte zijn van deze vreemde vertelling? Wat daar ook van zij, het verhaal blijft ons boeien. Het blijft precies zo tot onze verbeelding spreken als het dat door de eeuwen heen gedaan heeft.

De oosterse Wijzen van Matteüs zijn al vlug Koningen geworden. Zo stond het in de sterren, of liever in de psalmen geschreven: dat vorsten uit Tarsis en koningen uit Seba ‘Hem’ hun geschenken zouden komen brengen.

Dat ze met zijn drieën waren, heeft de vrome verbeelding afgeleid uit het door de evangelist vernoemde aantal geschenken: goud, wierook en mirre.

Sinds de achtste eeuw kennen wij hun namen: Melchior, Kaspar en Balthasar. Balthasar betekent: man; Melchior wil zeggen: oude man; Kaspar: jongeman. Voor wijsheid staat geen leeftijd dus. En het is nooit te vroeg of te laat om de ontdekking van je leven te doen en consequent daarmee een nieuwe weg van toekomst in te slaan.

Wij blijven gefascineerd door het kerstverhaal van Driekoningen. Telkens opnieuw kan de aandachtige lezer of toehoorder getroffen worden door het onverwachte bij iedere fase van het gebeuren.

Onverwacht! Dat wil zeggen: niet zoals normaal te verwachten was. Onverwacht laat de God van de openbaring zich vinden: niet in de Schrift of zeker niet alleen maar in de heilige Schrift, maar in de sterren aan het firmament. De openbaring laat zich niet opsluiten in een boek, hoe geprivilegieerd het op dit vlak ook moge zijn. De waarheid is nooit een monopolie.

Onverwacht laat de God van het uitverkoren volk zich zien: niet aan de gevestigde waarden en leiders van het volk, niet aan eigen volk eerst, maar aan vreemde lieden zonder waarmerk of zekerheid, die hun huis hebben verlaten en op weg gaan voor een reis, zo vol van risico als het geloof zelf.

Onverwacht verschijnt de God van de vrede: niet in zijn eigen stad voor vrede bestemd, de stad van de koning die vrede enkel bouwt op het geweld van de onderdrukking; onverwacht verschijnt de God van het licht: niet in de stad van zoveel schittering en oogverblindende schijn dat een ster minder of meer niet eens wordt opgemerkt. Maar in een rustige en kleine stede: de stad van de geboorte midden in de stilte van de nacht waar alle ruimte en tijd is voor vrede en licht.

Onverwacht openbaart de almachtige God zich: niet in de trekken van de keizer of de koning, zijn majesteit en zijn hofhouding van slaafse lippendienst, maar in die van een arme-mensenkind: zijn schamele hulpeloosheid en de zorgende liefde van zijn Moeder.

In deze context lijkt het wel of de aangeboden geschenken misplaatst zijn. Die horen thuis in een koninklijk paleis. Want wat moeten kleine mensen en hun pasgeborene met goud, wierook en mirre?

Allicht is dit het meest onverwachte van het driekoningenverhaal: dat de geschenken van de Wijzen uit het Oosten ons iets te vertellen hebben, ons iets ‘openbaren’ over God, over zijn Mensenzoon, over dit pasgeboren Kind, het vleesgeworden Woord van God.

Er zijn twee soorten geschenken die mensen elkaar geven bij gelegenheid van een feest, een verjaardag bijvoorbeeld, of op kerstdag. Er zijn enerzijds de praktische, de bruikbare cadeaus. Bij Jezus’ geboorte zorgden volgens de vrome overlevering de herders daarvoor.

Anderzijds zijn er de symboolgeschenken: bloemen bijvoorbeeld, of een mooi beeld: ergens nutteloos, maar daarom zeker niet zinloos. Integendeel, zij willen de uitdrukking zijn van onze dankbaarheid ten aanzien van het verleden van de gevierde en/of van onze allerbeste wensen voor de toekomst van de feesteling, in casu van de boreling.

Als ze goedgekozen zijn, vertellen geschenken ons iets over hem of haar voor wie ze bedoeld zijn. En ondanks zichzelf misschien hebben onze Driekoningen goed gekozen. Bij de geboorte van Jezus, de mens geworden Zoon van God, vatten hun symbolische gaven op een perfecte manier het toekomstige leven van de Mensenzoon samen: als een profetie, een hele bijbel waard en waardig.

Alle drie, goud, wierook en mirre, hebben zij te maken met menselijke zintuigen, met de menselijke waarneming, met het tastbare, het lichamelijke, het gevoelsmatige, het psychosomatische van mensen.

Goud is een sieraad om zich op te smukken en extra mooi te maken. Wierook dient om welriekend te branden; mirre om voedsel te kruiden. Voor het oog, voor de geur, voor de smaak. Het zijn aangename dingen voor de mens.

En al heeft de pasgeborene er niets aan, de geschenken vertellen ons heel wat over de authenticiteit van de menswording. Een Kind is ons geboren, een mens van vlees en bloed: nog sprakeloos en machteloos, maar die groeien zal en zien en horen en ruiken en proeven, die genieten zal van de goede dingen van het leven – goud, wierook en mirre – en die zal lijden onder de honger en de pijn van het leven.

Voor deze mens gaan wij op de knieën. Voor God doen wij dat uiteraard. Maar hier en nu doen wij het voor Gods Zoon in ons midden, Mens uit een mens geboren. En evenzeer doen wij het, knielen wij neer voor ieder mensenkind, dat immers bekleed is met de waardigheid van zijn Schepper.

Zij zagen het Kind en zijn moeder Maria. Zij vielen op hun knieën neer en aanbaden Hem. Zij haalden hun schatten tevoorschijn en boden hun geschenken aan: goud, wierook en mirre.

Maar de offergaven van de koningen betekenen nog veel meer dan dat. Vóór alles willen zij ons iets zeggen, iets ‘openbaren’ over de roeping, de zending van Gods Zoon: de taak en de opdracht die de Vader aan onze Heer en Heiland heeft toevertrouwd.

Die zending ligt helemaal in de lijn van de geschiedenis, in het spoor van de schepping, belofte en verbond, in de lijn van de heilshistorie van het uitverkoren volk, zijn leiders en zijn voorgangers.

Zo staat het in de oude Boeken: goud voor de koning: voor het gewaad, het gezag van de koning; wierook voor de priester, voor het offer van de priester; mirre voor de profeet, voor de zalving, het zalvende woord van de profeet.

De koning is de man van de actie, die metterdaad zijn volk leidt en behoedt en bevrijdt en groot maakt.

De profeet is de man van de wijsheid, die met zijn nooit aflatend woord aan de samenleving haar oorsprong en doel verkondigt en voorhoudt en in herinnering brengt.

De priester is de man van het gebed, die de mensen voorgaat in de eredienst en het offer, die voor hen ten beste spreekt: hun voorspreker, hun bemiddelaar bij God.

Goud, mirre, wierook.
Koning, profeet, priester.

Hij ging zijn land weldoende rond, genas de zieken en zegende de kinderen.

Tot zijn leerlingen sprak Hij: wie de grootste wil zijn, moet de kleinste worden en de dienaar van allen.

Toen Hij in zijn uur gekomen was, nam Hij brood, dankte God en zei: neem en eet, dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt.

Het stond in de sterren geschreven. God had dat eigenhandig zelf gedaan: hoe Hij zich in Jezus aan de wereld en aan ons heeft willen openbaren en laten zien.

Koning, profeet, priester. Mogen wij op dit feest van Epifanie neerknielen voor het Kind in de kribbe, de Gekruisigde van Golgotha, de Levende in ons midden aanwezig.

Mogen wij op dit feest van de Openbaring in de ster die stilstaat boven ons levenshuis, lezen hoe Jezus zich in en door ons aan de ander wil laten zien: elkander dienend, elkander bemoedigend, voor en met elkander biddend in zijn Naam.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x