Jaar A: Kerst I

Kerstmis – Lucas 2, 1-14

Als Driekoningen de feestdag is van de wijzen uit het Oosten, dan moet Kerstmis wel de feestdag van de herders zijn. Ze zijn in ieder geval niet weg te denken uit het kerstverhaal.

In het eerste deel van dit verhaal is er van hen nog geen sprake. Wel komen hier een aantal feiten aan bod die op zich niet zó bijzonder zijn. Dat er een volkstelling plaatsvindt, dat mensen daarom naar hun geboortestad moeten, dat Jozef dus naar Bethlehem reist, dat zijn vrouw hoogzwanger is en dat precies dan haar tijd gekomen is, en zelfs dat ze haar pasgeboren Zoon in doeken wikkelt, dat is toch op de keper beschouwd niet allemaal zó ongewoon. Het is wel een stilaan groeiend crescendo naar wat nu volgt: zij legde Hem in een kribbe neer, want in de herberg was er geen plaats voor hen.

Dat is het keerpunt van het verhaal. Het Kind van Maria en Jozef wordt niet als een rijke koningszoon geboren, zelfs niet als een gewone burger aan wie de herberg onderdak biedt; maar wel als een arme, een dakloze, een ‘beddeloze’ verschoppeling die dan maar uit pure nood in een kribbe wordt neergelegd.

Op zich is dat al schokkend genoeg. Toch krijgt het pas zijn volle betekenis uit de rest van het verhaal. En de rest is het verhaal van de herders. Zij spelen er niet zomaar een figurantenrol in, maar een hoofdrol. Laten wij eerst even nagaan wie die herders feitelijk waren.

In de Bijbel is er vaak sprake van herders. In de samenleving van die dagen was herder-zijn een belangrijke bezigheid.

Jezus zelf vertelt de parabel van de Goede Herder. Hij heeft het over twee soorten herders: de goede en de huurlingen. Hij wil het verschil beklemtonen tussen zijn mensenliefde, zijn authentieke bekommernis voor de zijnen, en de schijnzorg en zelfzucht van anderen die zich ten onrechte herders van het volk noemen. Huurlingen noemt Jezus hen.

Maar in de parabel gaat het niet over een andere tegenstelling, die ook reëel is, tussen eigenaars en niet-eigenaars.

De herder die eigenaar is van een kudde schapen, is een rijk man. Die hoeft ’s nachts op het veld geen wacht te houden. Die ligt dan lekker warm in bed en laat het surveillancewerk over aan huurlingen, die allesbehalve rijk zijn. De tegenstelling rijk – arm heeft in de Bijbelse traditie van Israël een duidelijke betekenis. Rijkdom is teken van Gods goedgezindheid, armoede is teken van afwijzing. Rijkdom geldt als bewijs van deugdzaamheid, armoede wijst op zondigheid.

De herders van het kerstverhaal zijn huurlingen, verworpenen van de maatschappij en de religie, ruigaards, met de vinger gewezen en vaak nog terecht ook. Dat idyllisch tafereeltje van ‘de herdertjes lagen bij nachte, ze hielden vol trouwe de wachte’ zou best eens helemaal niet met de werkelijkheid kunnen kloppen: niet goed genoeg voor een beter vak, te arm en te dom om voor iets anders in aanmerking te komen.

En precies aan die ruigaards verschijnt dan de engel. Als wij daarvan opschrikken, dan zijzelf nog veel meer.

Als zij al opschrikken van zijn verschijning, wat moet hun verbazing nog zoveel groter geweest zijn over de woorden die de engel sprak: ‘Heden is u een redder geboren.’ Dat de hemel zich meldt in de persoon en de boodschap van een engel, tot daaraan toe. Maar nu zegt de hemel dat er een mens geboren is om – in ’s hemelsnaam – de wereld te redden, om ‘hen’, de ruigaards, te redden.

En dat is niet alles. Dat is nog lang niet het einde van de climax van de verwondering. De engel gaat verder. Het bewijs, het eerste waarmerk, is dat dit gebeurd is in de stad van David. Het tweede teken, het tweede waarmerk is dat het om een Kind gaat, in doeken gewikkeld, en dat in een kribbe ligt. De erfgenaam, de opvolger van koning David: een arm, dakloos kind van arme dakloze ouders, net als zijzelf: daklozen, verschoppelingen, met de vinger gewezen.

Nu is het de beurt aan het engelenkoor om met zijn loflied op een unieke manier de brug te slaan tussen de hoogste hemel en de aarde van de kleinste mens. Eer aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen die Hem lief zijn! Wie zijn dat dan? Alle mensen? Misschien wel. De rijken zeker wel? Onmogelijk is dat niet. Maar zeker en zonder twijfel déze mensen: die van de open stal en het open veld, de arme lui, de kleine lieden, de zondaars. De officiële zondaars van de maatschappij, zij zijn God lief.

Zeiden wij niet dat de herders een hoofdrol speelden in het kerstverhaal? Het is om hen te doen. Het is om en voor hen dat er een Kind geboren is.

Tot hier bestond hun rol enkel uit het vernemen en beluisteren van dit revolutionaire goede nieuws. Nu wordt hun rol extra actief. Tot hier was het een kwestie van horen; ook wel van zien, maar vooral van horen. Gehoord hebben ze nu inderdaad alles, maar gezien nog lang niet.

Daarom moeten zij in beweging komen, op stap gaan: om te gaan zien wat er te zien is. En er wás wat te zien, zegt het verhaal. Zij keken hun ogen uit, zo kun je het ’t best uitdrukken. Engelen hadden ze al gezien. Nu zagen ze de rest van de hemel op aarde: mensen zoals zijzelf die God lief zijn; hemelingen op aarde, Maria en Jozef; en het Kind in de kribbe, God die voor hen mens geworden is.

Ook hiermee is het verhaal niet af en is hun rol niet uitgespeeld. Integendeel. Zij hebben goed begrepen wat hun nog te doen staat. Zij moeten namelijk noch min noch meer de taak van de engel overnemen en het grote nieuws melden aan Maria en Jozef, want die hadden dat nog niet gehoord, tenminste niet met evenveel woorden. Ze vertellen alles wat ze gezien en gehoord hadden. Stel je voor: van die ruige herders hebben Jozef en Maria de kerstboodschap vernomen. Aan die verstotelingen kwam het toe hun deze boodschap over te brengen.

Ze luisterden dan ook gretig, Maria en Jozef. Maria hoorde álles, tot het laatste woord en het kleinste detail dat ieder van hen vertelde. Niets ontging haar en zij balde het samen in haar hart. Nieuw was het niet, maar wel was het een pure bevestiging van haar eigen lied. Eer aan God in den hoge – Magnificat. Die machtig is zal vallen, die nietig is komt op de troon. Die hongert wordt verzadigd, niet de ruigen maar de rijken stuurt Hij heen.

En nog is het verhaal niet af en nog is de hoofdrol van de herders niet uitgespeeld. Zij moeten terug naar het leven van elke dag en elke nacht. Tegelijk moeten zij, na de taak van de ene engel, ook die van het hele engelenkoor overnemen. Zij loofden en prezen God, zegt het verhaal aan het einde. Zij zongen het lied van de engelen met dezelfde tekst en melodie. Eer aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen die Hem lief zijn. Zij wisten maar al te goed nu over wie dat ging.

Wat staat er ons anders te doen met Kerstmis dan, zo goed als we kunnen, in de huid te kruipen en de rol te vertolken van de herders van Bethlehem? Luisteren en kijken en vertellen en zingen. Dat wij vooral niet vergeten vandaag onze ogen uit te kijken naar het Kind in de kribbe.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x