Jaar A, Hemelvaart

Hemelvaart – Matteüs 28,16-20

Hemelvaart doet ons in de eerste plaats denken aan afscheid. Hoe betekenisvol-tegensprekelijk is dan de allerlaatste zin van het evangelie: Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld! Allesbehalve afscheid nemen is dat.

Enerzijds is er inderdaad de scheiding, de breuk, de afgrond, de grens tussen hemel en aarde, tussen tijd en eeuwigheid, tussen het nu en het hiernamaals, tussen leven en sterven.

Maar de Hemelvaart van de Heer Jezus drukt precies uit dat in Hem, de Mensenzoon, de Zoon van de Vader, in zijn leven en lijden, zijn sterven en opstanding die grens overschreden is, die afgrond overbrugd, die scheiding opgeheven, die breuk hersteld tussen hemel en aarde, tussen het nu en het hiernamaals.

Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld. Dat wil zeggen: totdat de aarde en de hemel één geworden zijn. Ik ben met u, tot het zal zijn: op aarde zoals in de hemel.

Het afscheidstafereel van Hemelvaart dat wij ons meestal voor de geest halen, is dat zoals het beschreven staat bij Lucas. Matteüs van zijn kant drukt hetzelfde gebeuren minder plastisch uit. Daarom echter is het slot van zijn evangelie niet minder groots: een ware apotheose van het geheel.

Matteüs’ verrijzenisverhaal gaat over de paaservaring van de vrouwen. Die krijgen, eerst van de engel, daarna van de Heer zelf de opdracht om aan zijn broeders de boodschap te brengen dat zij naar Galilea moeten gaan. Daar zullen zij Hem zien. Daarop sluit bijna onmiddellijk de scène van vandaag aan.

Door de vele paasverschijningsverhalen van Johannes en Lucas verliezen wij soms uit het oog dat Matteüs geen enkele andere verschijning aan de apostelen vertelt dan wel die ultieme in Galilea, op de berg die Hij hun had aangewezen: de berg die zij kenden van weleer, allicht de berg van dat allereerste ‘zalig zij’.

In vijf verzen, amper zes zinnen, wordt dan kernachtig het hele verloop van die laatste Ontmoeting weergegeven.

Matteüs blijft zichzelf getrouw. Ook zijn laatste korte verhaal vermeldt, zoals dat in heel zijn evangelie het geval was, enerzijds wat er gebeurd is, anderzijds wat de Heer gezegd heeft.

Enerzijds, eerst: een handeling. Anderzijds, daarbij aansluitend: een woord. Beide samen maken het ene gebeuren uit: de daad bij het woord gevoegd; of liever andersom: het woord duidelijk bij de daad gevoegd.

In de handeling onderscheiden wij drie momenten, zoals er drie bewegingen kunnen zijn voor één enkel gebaar. De leerlingen begaven zich naar de berg. Toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem. En… er werd getwijfeld.

Dan volgt het woord ter duiding. Ook hier gaat het over drie woorden, drie zinnen die onlosmakelijk met elkaar én met de handeling verbonden zijn als behorend tot één definitieve, laatste boodschap.

Mij is alle macht gegeven. Daarmee zegt de Heer, nog eens en voorgoed, wie Hij is: de Gezondene, de Zoon van de Vader. Dan zegt Hij wat hun te doen staat: trek de wijde wereld in om alle mensen tot mijn leerlingen te maken en hun mijn boodschap, mijn aanbod, mijn geboden kenbaar te maken. En ten slotte is er het derde woord, dat de brug slaat tussen het eerste en het tweede. Omdat Ik ben wie Ik ben, en als gij doet wat u te doen staat… dan ben Ik met u tot aan de voleinding der wereld.

Handeling en woord, beide zijn ze drieledig. Elk vormen zij één deel van het grote tweeluik. Maar ze hebben ook onderling één voor één alles met elkaar te maken. Je kunt ze twee aan twee in elkaar schuiven, kruisgewijs de daden en de woorden, zoals je bij het bidden de vingers van beide handen kruist en in elkaar strengelt. Zodoende krijg je drie momenten van telkens een daad en een duidend woord dat tegelijk het moment inleidt.

Het eerste tafereel.
De elf begaven zich naar Galilea, naar de berg. Dat is een daad van gehoorzaamheid. Hij had het hun opgedragen. Zovelen voor hen kregen een soortgelijke opdracht, te beginnen met aartsvader Abraham. Ook Mozes was een bergbeklimmer op hoger bevel. De berg beklimmen is een beweging naar boven toe, naar God toe: op zoek gaan naar God.

Jezus’ woord dat hierbij aansluit, is een woord van openbaring: Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Daarin maakt God zelf, de hemelse Vader, duidelijk dat Hij te zien is, te vinden is in zijn mensgeworden Zoon.

Het eerste tafereel van Hemelvaart, het woord bij de daad gevoegd, is een tafereel van geloof. Aan mensen, blijvend op zoek, wordt de genade geschonken van de Godsontmoeting.

Het tweede tafereel.
Toen zij Hem zagen, wierpen zij zich in aanbidding neer. Een daad van inkeer en verwondering, van ingetogenheid en gebed, van huldiging en contemplatie.

Jezus’ wederwoord is een woord van zending: ga dus en maak de volkeren tot mijn leerlingen; doop hen en leer hen te onderhouden wat Ik u bevolen heb. Bij de daad van de aanbidding wordt het woord gevoegd van de zending: zending tot een apostolaat van verkondiging en dienstbaarheid.

Het tweede tafereel van Hemelvaart is een tafereel van liefde: het eerste gebod, dat van aanbidding, en het tweede daaraan gelijk, dat van de broederlijke liefde.

Dan volgt het derde tafereel.
Sommigen twijfelden, zegt de Willibrordvertaling. In de Griekse tekst staat het woordje ‘sommigen’ niet. Zij aanbaden Hem; zij twijfelden echter. Enerzijds aanbaden zij Hem, anderzijds werd er getwijfeld.

In elk geval doet het vreemd aan. Hoe kan aanbidding overeengebracht worden met twijfel? Hoe kun je iemand aanbidden, als je aan hem zou twijfelen? Maar zij twijfelen niet, de elf, aan wie ze zien; zij twijfelen veeleer aan zichzelf.

Van de ene kant gaat het over de menselijke aarzeling die logischerwijze samen hoort bij aanbidding: de schroom, de eerbied, het besef van eigen kleinheid; in elk geval het tegengestelde van zelfverzekerdheid, die helemaal niet bij aanbidding past.

Van de andere kant is er de aarzeling van de leerlingen ten aanzien van zichzelf vanwege hun wankelmoedigheid en gemakkelijke vlucht in het uur van de waarheid, het uur van zijn kruis. Is het dan mogelijk, vragen wij ons af, dat wij toch nog en desondanks zijn vrienden zijn?

Een derde reden van aarzeling is de opdracht die hun hier en nu wordt toevertrouwd. Kunnen wij die wel aan? Zijn wij in staat tot de verkondiging? Zijn wij edelmoedig genoeg voor het dienstwerk?

De aarzeling van de elf is een daad van deemoed en berouw, bewustzijn en bekentenis van eigen kleinheid en tekort. Daarbij aansluitend is Jezus’ finale antwoord een woord van belofte, van barmhartigheid, van verzoening, van vrede.

Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld.

Het derde tafereel van Hemelvaart is het tafereel van de hoop: het woord bij de daad gevoegd, namelijk dat wij in het besef van ons onvermogen, maar tegelijk van alle genade die ons geschonken wordt, vol vertrouwen leven naar de toekomst toe die Hij aan ons heeft toevertrouwd.

Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld, totdat het zal zijn: op aarde zoals in de hemel.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x