Jaar A: Feest van de Heilige Familie

Zondag na Kerstmis – Matteüs 2,13-15,19-23 Feest van de Heilige Familie

Moderne gelovigen (wij…) hebben het moeilijk met de schriftlezing van deze zondag van de Heilige Familie:

het Oude Testament en het epistel die de rollen binnen het gezin lijken te verdelen op de bekende, ouderwetse, starre en voorbijgestreefde manier;

en het evangelie, dat amper kan doorgaan als een prototypeverhaal van een familiaal model.

Chronologisch staat deze evangelietekst trouwens op een verkeerde plaats. Volgende zondag, bij het hoogfeest van Epifanie, lezen wij het verhaal van de Wijzen uit het Oosten. Vandaag zijn die nog niet op het toneel verschenen. Maar het gebeuren dat vandaag verteld wordt, is er wel een vervolg op. Als je dit een liturgisch anachronisme mag noemen, hoeveel te meer is dat het geval wat de evangelielezingen van dit feest in de B- en C-cyclus betreft. Dan zijn de verhalen over de opdracht in de tempel en de terugvinding van de twaalfjarige Jezus aan de beurt, zo vlak na de geboorte en vóór de komst van de Drie Koningen.

Anderzijds zijn het toch wel de juiste evangelies voor het feest van vandaag, om de eenvoudige reden dat er geen andere zijn. Nergens elders in de evangelies is er nog iets te lezen over het gezin van Nazareth, de Heilige Familie.

Vandaar dan logischerwijze de vraag: staat dit feest wel op zijn plaats, zo centraal in de kersttijd en op zondag nog wel? Temeer daar het in tegenstelling tot vele andere feesten in deze periode niet eeuwenoud is, maar pas sinds goed honderd jaar bestaat. Aan het einde van de negentiende eeuw is het feest ontstaan vanuit de pauselijke en kerkelijke bezorgdheid voor het christelijke gezin toen, in de postindustriële tijd. En terecht, kun je wel zeggen; een ‘terecht’ dat ook voor onze tijd geldt.

Strikt genomen echter past dit feest niet in de grote heilshistorische boog van Kerstmis via Openbaring tot en met het Doopsel van de Heer. Toch is er een wezenlijk verband tussen Kerstmis en de Heilige Familie, als tussen twee aspecten van eenzelfde mysterie.

Als God op een zo definitieve wijze instapt in de geschiedenis van mensen, als God zich zo doelbewust wil laten zien met de trekken van een menselijk gezicht, als Gods liefde en trouw, zijn goedheid en genade gestalte krijgen in een mensenkind voor ons geboren, dan betekent dit uiteraard dat God via dit mensenkind, de Mensenzoon, in relatie wil treden met de andere mensen, met de gemeenschap der mensen.

En het kan dan ook niet anders dan dat dit – vanwege dit pasgeboren mens geworden Kind – allereerst gebeurt door middel van de oerrelatie van alle menselijke relaties, het kleinste verband dat mensen verbindt: het gezin, de familie.

Als de menswording een realiteit is en geen louter mysteriespel van woorden en symbolen, dan kan God als het ware niet anders dan als een Kind in relatie treden met een moeder en een vader van vlees en bloed. Dat wil zeggen: een relatie van mensen onderling die in de eerste plaats zorg dragen en verantwoordelijkheid nemen voor elkaar om – uitgaande van de geborgenheid van het gezin en erop terugvallend – in alle openheid de wereld tegemoet te treden en dienend in het leven te staan.

Als op een bepaald moment in het evangelieverhaal de mensen Jezus hebben horen spreken over zijn zending en zijn taak, zijn gedrevenheid door de Geest van God zelf, reageren zij verwonderd en vragen zich af of dit wel kan. Is dit niet de zoon van Jozef, de timmerman, en kennen wij niet met naam en toenaam zijn moeder en zijn naaste familie?

De consequentie van de menswording is inderdaad dat de Messias van de verwachting onverwacht-menselijk geboren is en opgegroeid als Kind in het huis van zijn ouders. Zo hoort het, ook al moest de Mensenzoon – voor zijn taak en zending – in het huis van zijn Vader zijn.

De hemel heeft zijn lot aan de aarde verbonden. Gods eigen zoon, het Kind ons geboren, heeft zijn identiteit opgebouwd op de stevige en onvervangbare fundamenten van een veilig en geborgen thuis in een door de hemel zelf gezegend huisgezin.

Het evangelie van vandaag geeft dit geloofsmysterie onverbeterlijk mooi weer in Matteüs’ vervolgverhaal van Jozef en zijn dromen.

In zijn eerste droom werd hem van hemelswege voorgehouden om vol vertrouwen zijn gezin te stichten, zijn vrouw te huwen en het Kind de naam te geven die God zelf voor zijn Zoon had uitgedacht: Emmanuel, God-met-ons.

In de tweede droom wordt bevestigd dat hij de zorg draagt voor de veiligheid van het Kind en zijn moeder, ook al moet hij daarvoor met hen op de vlucht slaan naar een vreemd land.

In de derde droom wordt hij herinnerd aan zijn verantwoordelijkheid om te zorgen voor een thuis van geborgenheid voor hen.

Deze lotsverbondenheid tussen hemel en aarde gaat natuurlijk verder dan enkel het gezin of de familie. Hierbij past volgende bedenking.

Wil de menselijke samenleving – in welke vorm dan ook – een verwerkelijking zijn van Gods scheppende droom, van het verbond dat Hij met zijn volk heeft gesloten en tot bezegeling waarvan Hij zijn eigen Zoon in de wereld heeft gezonden, dan moet deze samenleving – in al haar onderscheiden facetten en segmenten – wel een afspiegeling zijn van de primaire oermenselijke relatie binnen het gezin.

Het feest van de Heilige Familie is niet het feest van het gezin als kleine entiteit op zich: het gesloten gezinnetje, goed afgeschermd van en beschut tegen alles wat daarbuiten bestaat en waar het niets mee te maken heeft. Integendeel, het is het feest van de oercel van alle menselijk leven en samenleven.

Zo bestaat er een wisselwerking, een heen en weer tussen de verschillende niveaus en vormen van menselijke relaties en verbanden, van het kleinste, het familieverband, tot het grootste, de wereldwijde samenleving van alle kinderen Gods.

Niet enkel binnen de kleine kring van gezin en familie, maar waar ook daarbuiten, in welke ruimere mensenkring dan ook, zijn het principe en het fundament van de onderlinge relaties tussen mensen de zorg en de verantwoordelijkheid voor elkaar.

Of, andersom uitgedrukt: ubi caritas et amor, Deus ibi est. Het Christuslied bij uitstek van de dienstbaarheid en de gegevenheid is in de eerste plaats een huisliedje, een familieversje, een gezinsgezang.

En de contradictie van het gezin is dezelfde als de contradictie van de christelijke liefde, namelijk: dat ik slechts mijzelf ben, als ik graag doe wat jij graag wilt. Het is het kenmerk en het oerbeeld van de relatie tussen God en mens, tussen Vader en Zoon. Tenslotte is het de maatstaf van geluk en welzijn, vooruitgang en vrede, wereldwijd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x