Jaar A: Eerste zondag van de Advent

Eerste zondag van de advent – Matteüs 24, 37-44

Het is eigen aan ons christen-zijn dat wij geloven in de voortdurende werkdadige aanwezigheid van de Heer Jezus, de Levende in ons midden, zijn hemelvaartswoorden indachtig: ‘Ik zal met u zijn tot het einde der wereld.’

Maar tegelijk verwachten wij zijn komst, zien wij uit naar het moment dat Hij in ons leven binnentreedt, het ogenblik van de ontmoeting, ‘dé’ ontmoeting. Dat lijkt een tegenstrijdigheid. Hoe kun je iemand verwachten van wie je weet dat Hij er al is? Hoe kan iemand tegelijkertijd aanwezig zijn en op komst zijn?

Met bepaalde bevoorrechte menselijke relaties is er nochtans iets gelijksoortigs aan de hand: onder goede vrienden of geliefden bijvoorbeeld. Twee mensen die veel van elkaar houden, weten zich zodanig met elkaar verbonden dat zij als het ware voortdurend bij elkaar zijn, ook al is dit in het concrete leven niet het geval en zelfs onmogelijk. Precies vanuit hun diepe verbondenheid zien zij uit naar de volgende ontmoeting, uiteraard als die in het verschiet ligt, maar ook als de kans groot is dat ze lang op zich zal doen wachten.

De intensiteit van de verwachting is de graadmeter van de verbondenheid. En andersom: de kracht en de authenticiteit van de onderlinge vriendschapsband en liefdesrelatie bepalen de mate en de sterkte van de verwachting.

Liturgie vieren in het algemeen en eucharistie vieren in het bijzonder is – in de gemeenschap van de christengelovigen – gestalte geven aan de ontmoeting met de Levende, aanwezig in ons midden: in onze lofzang, ons dank- en smeekgebed, in het schriftwoord dat verkondigd wordt, in de tekenen die wij sacramenten noemen – uur na uur, dag aan dag. Maar tegelijk is liturgie vieren gestalte geven aan de verwachting van zijn komst, ons uitzien naar de ontmoeting. Als wij dan eten van dit Brood en drinken uit deze Beker, verkondigen wij de dood des Heren totdat Hij komt.

Liturgie verloopt in de tijd, gestructureerd volgens het eigen ritme van het kerkelijk jaar. Ieder jaar tekenen wij een kring die in grote lijnen het verloop volgt van Jezus’ leven: ‘gedenken wij dankbaar de daden des Heren, zijn leven, zijn dood en verrijzenis’. Het is een jaarkring die begint en eindigt bij verwachting: begint bij de verwachting van zijn komst (in die tijd, in ónze tijd) en eindigt bij de verwachting van zijn wederkomst. Maar deze cirkelende dynamiek van verwachting is op elk moment geïnspireerd door zijn blijvende aanwezigheid, door onze ontmoeting met de Levende, uur na uur, dag aan dag.

Vandaag is met de eerste zondag van de advent een nieuw kerkelijk jaar van start gegaan. In deze liturgische tijd, die zal uitmonden in het feest van de geboorte, is het ál verwachting dat de klok slaat. De advent is de grote stageperiode van de christenen, de oefentijd bij uitstek in verwachting.

De liturgie voorziet in drie eminente stagebegeleiders, drie Bijbelse mentoren, experts in verwachting en ontmoeting, omdat zijzelf zo uitgesproken sterk Godsverbonden zijn: Jesaja, Johannes de Doper en Maria. Nog niet direct vandaag, maar volop de volgende zondagen komen zij in de schriftlezingen van de woorddienst ruim aan bod.

Wel bestaat er een mooier woord om hen aan te duiden dan stagebegeleider of mentor: het woord ‘profeet’. Profeten zijn mensen van de verwachting, van de toekomst, van Gods toekomst. Profeten zijn mensen van de advent: de profeet Jesaja, de grootste van het eerste verbond; de profeet Johannes de Doper, de grootste van alle profeten zoals Jezus zelf over hem getuigde; en de profetes bij uitstek voor wie het woord profeet al weer te klein is, zo sterk beleefde zij, Maria, verwachting, toekomst, advent.

Advent vieren wordt dan voor ons: kijken en luisteren naar deze drie profeten, ons inleven in hun verhaal, trachten te begrijpen en te geloven wat zij vertellen, proberen te doen wat zij ons voorhouden, proberen te doen wat zij ons voordoen; kortom: in hun huid, in hun vel kruipen.

In de huid van Jesaja, in het vel van de profeet kruipen, dat wil zeggen: roepen, schreeuwen. Want de profeet was een schreeuwer.

Hij schreeuwt het uit van het geweld en de trouweloosheid der mensen. Maar tegelijk roept hij de mensen toe hoe mooi de toekomst eruitziet die zij te verwachten hebben.

De valse profeten van deze wereld roepen en schreeuwen andersom: ofwel dat alles goed is, ofwel dat niets nog ooit goed zal worden.

In de huid van de profeet Jesaja kruipen, advent vieren en beleven wil zeggen: dat het onze taak is nooit moe te worden onrecht te herkennen, aan te klagen en te bevechten; en, vol enthousiasme en geloofszekerheid aan de wereld en de mensen toe te zeggen en toe te wensen: alle goeds! Waarom wij dat aandurven te doen in deze zo bange tijd? Eenvoudigweg omdat wij, ook wij, meteen zelf besloten hebben om aan mensen geen onrecht maar alle goeds te dóen.

Omdat Hij niet ver wou zijn, is de Heer gekomen. Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen. Dáárom, zegt de vierde strofe van dit prachtige adventslied: wil dáárom elkander doen alle goeds geduldig. Wees elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig.

De lieddichter citeert in deze verzen om zo te zeggen tegelijk ‘de profeet Jesaja en die andere profeet, de grootste van allen, zo getuigde Jezus over hem: Johannes de Doper.

Ook Johannes de Doper is een echte profeet, een schreeuwer in de volle zin van het woord. Hij roept het uit, hij schreeuwt: bekeer u want het Rijk is nabij. Hij roept het uit, hij schreeuwt: ik ben het niet!

Al wij in zijn spoor advent willen beleven, in zijn vel willen kruipen, dan moet enerzijds de soberheid van onze levenswijze garant staan voor en teken zijn van onze ommekeer. Dan moet anderzijds ook uit onze mond het getuigen opklinken: dat wij het niet zijn, dat het niet om ons te doen is, maar om Iemand anders.

In onze dagen schreeuwen mensen tegen elkaar op dat het wel degelijk over henzelf gaat: mijn recht, mijn werk, mijn loon, mijn bezit, mijn vrijheid.

De Doper daarentegen schreeuwt over en voor de andere: het recht van de andere, de vrijheid van de andere; en zeker niet: recht en vrijheid ten koste van de andere. Hij schreeuwt: het recht van God, de wereld voor God. Iemand, een ander, dé Andere is op komst. Om Hem gaat het.

Maria, de profetes bij uitstek, voor wie het woord profeet inderdaad te klein is – zozeer beleeft zij verwachting, toekomst, advent – Maria schreeuwt niet.

Zij is vóór alles stilte. Eén enkel woord spreekt zij, dat korte woord: Ja, Fiat. Mij geschiede naar uw woord. En uit die stilte waarin zij het Mysterie heeft ontwaard en ervaren, en uit dat ene woord van overgave aan de toekomst borrelt één keer een woordenvloed van alle verwachting op, als Maria gaat zingen: het lied van alle profeten en alle advent: Magnificat.

In de huid van Maria kruipen, of toch, proberen dat te doen, want wellicht zijn wij daar niet groot genoeg voor, of misschien beter gezegd niet klein genoeg… in het spoor van Maria advent beleven wil zeggen: mensen worden van de stilte, mensen worden van de overgave, zangers van het Magnificat.

Gerechtigheid en bemoediging, soberheid en zelfvergetelheid, stilte, overgave en lofzang: zeven kleuren van de adventsregenboog van verwachting, toekomst, ontmoeting met de Levende.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x