Jaar A: Doopsel van de Heer

Doopsel van de Heer — Mt 3,13-17 Vandaag eindigt de kerstkring. De viering van het Doopsel van de Heer is er het slotfeest van. Vanaf volgende week vieren wij een klein aantal zogeheten zondagen door het jaar; en vanaf de derde zondag is in deze A-cyclus Mattes de evangelist van dienst. Eerst heeft hij het even over de roeping van de leerlingen. Onmiddellijk daarna is voor de rest van deze periode de grote Bergrede aan de beurt. Reeds eind februari (of begin maart) start opnieuw de paaskring, te beginnen met de veertigdaagse voorbereidingstijd op de grote gedachtenisvieringen van kruisdood en verrijzenis. Het verhaal dat Mattes vandaag vertelt over de Doop van Jezus door Johannes in de Jordaan, is ongeveer identiek aan dat van de beide andere synoptici. Ook de boodschap en betekenis zijn dezelfde. Als gepast sluitstuk van de kersttijd geldt de Doop des Heren als de volle bevestiging van Christus’ komst, zijn menswording, zijn verschijnen als mens tussen de mensen, zijn Epifanie. Van Christus’ kant wordt bij zijn Doopsel bevestigd dat Hij de volle consequentie van het mens-zijn op zich neemt. Van Gods kant uit wordt bevestigd dat Jezus de Gezondene is, de Gezegende die komt in de naam van de Heer, de Zoon, de Welbeminde. Zoals bijna steeds het geval is, zijn er tussen de drie collega’s enkele kleine verschillen die weinig ter zake doen. Zo bijvoorbeeld meldt Marcus zeer gedetailleerd dat Jezus uit Nazareth in Galilea is overgekomen naar de Jordaan, in Judea, waar Johannes predikte. Mattes vermeldt wel Galilea, maar Nazareth niet. Maar bij Jezus’ terugreis náár Galilea zegt Mattes wel uitdrukkelijk dat de Heer Nazareth mijdt om zich direct in Kafamaiim te vestigen. Mattes heeft het wat moeilijk met Nazareth, zoals reeds bleek uit zijn kindsheidevangelie: omdat Nazareth als stad in geen* enkele Bijbelprofetie woordelijk wordt vernoemd. En dat precies had de auteur van het eerste evangelie nodig voor de hele opbouw en constructie van zijn verhaal. Dit enkel voor de fijnproevers. Een groter verschil met Marcus en Lucas, iets dat eigen is aan Matteiis en daarom allicht ook van meer belang is voor het goed begrijpen van de tekst, is dat Mattes Johannes de Doper protesteren laat: ‘ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij’. Het begin van Jezus’ wederwoord, ‘laat het nu zijn’, kan gezien worden als een extra bevestiging van Jezus’ wil om zijn authentieke mens-zijn te onderstrepen. Zo beschouwd is dit bijkomende detail slechts een kwestie van accentuering. Vooral echter het vervolg van Jezus’ antwoord is de moeite waard om even aan te stippen en erop in te gaan. ‘Zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen.’ Eerst is er het woordje ‘ons’, in het meervoud; niet in het enkelvoud ‘zo past het u, Johannes, om te volbrengen wat is vastgesteld’; maar ‘ons’. Beiden hebben wij tezamen onze rol te spelen: gij de uwe, Ik de mijne. U, maar vooral Mij past het te volbrengen wat is vastgesteld. Die uitdrukking, volbrengen wat is vastgesteld, doet denken aan een gebod, een plicht, de wet die moet worden volbracht. Maar dat moet toch goed genuanceerd worden. Het is jammer dat wij hier te maken hebben met een eigenaardige, haast raadselachtige om niet te zeggen foutieve officiële Nederlandse ver taling. Zelfs in de Latijnse Vulgaat staat niet: ‘implere omniam legem’, heel de wet volbrengen, alles wat daarin is vastgesteld; maar wel: ‘implere omniam iustitiam’, gerechtigheid volbrengen, gerechtigheid ‘vervullen’. En precies dat woord gerechtigheid is verdwenen, waar het begrip toch een sleutelbegrip, een sleutelwoord is in heel de Schrift en niet het minst bij Mattes. Wij moeten maar even denken aan de zaligsprekingen van de Bergrede. Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. En: zalig die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. Iets verderop staat in dezelfde Bergrede: als uw gerechtigheid niet groter is dan die van de farizeeën, zult gij het Koninkrijk niet binnengaan. Wat is die gerechtigheid? Als mensen zeggen: ons is gerechtigheid geschied, dan bedoelen ze: ons is recht gedaan, wij hebben gekregen waar wij recht op hadden. Maar de Bijbelse gerechtigheid gaat heel wat verder en dieper. Daar gaat het precies over datgene wat mensen verwachten, datgene wat van ons verwacht en gevraagd wordt boven de wet uit, boven op de plicht, boven op het recht; boven op rechtvaardigheid bijvoorbeeld. Ooit hebben wij gerechtigheid de vergrotende trap van rechtvaardigheid genoemd. Als de wet helemaal volbracht is, zoals de farizeeën dat doen, dan begint het pas, dan blijft nog: de gerechtigheid te vervullen. In feite gaat het dus over het volbrengen van méér dan enkel wat is vastgesteld, van wat niet is vastgesteld en toch noodzakelijk en heilzaam is voor het komende Rijk. Zoek eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid, en de rest zal u erbij geschonken worden. De Heer Jezus wil zich door Johannes laten dopen, niet enkel om zijn menselijke conditie te bevestigen, maar veel meer dan dat: alles wat dat specifiek voor Hem met zich brengt, namelijk zijn roeping tot in haar uiterste consequenties, zijn gegevenheid, zijn dienstbaarheid, zijn totale overgave en trouw aan de Vader en aan de mensen, Gods kinderen: dat Hij hun diepste levenshonger en levensdorst naar gerechtigheid verzadigen zal. Er is nog een ander detail dat verschilt, ogenschijnlijk zo miniem dat je het haast niet opmerkt. Bij Marcus en Lucas richt de stem van de Vader uit de hemel zich rechtstreeks tot Jezus: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn Veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen.’ Mattes gebruikt niet de eerste, maar de derde persoon: ‘Dit is mijn Zoon, mijn Veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.’ Zo krijgt de tussenkomst van de Vader meer het karakter van een plechtige proclamatie aan de wereld dan van een vertrouwelijke bevestiging van Vader tot Zoon. Op die manier speelt Mattes ook reeds letterlijk in op dezelfde scène in het verhaal van de gedaanteverandering op de Tabor, waar alle drie de evangelisten de stem uit de wolk laten zeggen: ‘Dit is mijn Zoon, de Welbeminde’, en waar Matteiis dan ook specificeert: ‘in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld’. En dat laatste vers in zijn geheel is er een waar wel een oude profetie de basis van is. In het lied van de Dienaar bij Jesaja, zoals dat vandaag ook in de eerste lezing aan bod komt, staat: ‘Dit is mijn Dienaar die Ik ondersteun, mijn uitverkorene in wie Ik behagen schep.’ Het Hebreeuwse woord voor ‘dienaar’, zoals het Griekse ‘pais’, is hetzelfde woord als dat voor kind of zoon: `mijn Zoon, mijn Welbeminde, in wie Ik welbehagen heb gesteld’. En zeer opvallend in dit eerste lied van de Dienaar, zoals het in de eerste lezing wordt geciteerd, is het herhaaldelijk gebruik van de term `gerechtigheid’. Mijn geest stort ik over hem uit, gerechtigheid laat Hij stralen over de volken… Het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven, in waarheid zal hij de gerechtigheid laten stralen. Onvermoeid en ongebroken zal hij op aarde gerechtigheid laten zegevieren… Ik, de Heer, roep u in gerechtigheid… Ik maak u voor de mensen tot een teken van mijn verbond en tot een licht voor de volken… Paaskring Eerste zondag in de veertigdagentijd — Mt De bekoringen in de woestijn vormen een verhaal zonder ooggetuigen. Des te pittoresker is het verhaal. Het overstijgt onze verbeeldingskracht. Jezus, tot daaraan toe. Maar geest en duivel, hoe moeten wij ons die voorstellen? En verder: van stenen brood maken, boven op de tempel geraken om er mogelijkerwijze af te springen, van boven op een hoge berg heel de wereld zien? Jezusfilms aarzelen niet om dit verhaal in beeld te brengen. Het resultaat kan fantastisch zijn, maar meer ook niet, omdat men zodoende een zuiver spiritueel gegeven wil materialiseren, niet alleen met woorden maar met concrete beelden. En dit schiet helemaal aan de bedoeling van het verhaal voorbij. De hele scène in de woestijn vertoont het karakter van een twistgesprek tussen twee schriftgeleerden die elkaar bestoken met Bijbelargumenten. ‘Want er staat geschreven…’, zo gaat het heen en weer. Dat de satan zelf in deze discussie schriftwoorden in de mond neemt, hoeft ons niet te verwonderen. Paulus zegt dat de duivel zich soms vermomt als de engel van het licht. Dat deed reeds de duivel uit het verhaal van de zondeval van de eerste mensen: zich voordoen als de engel van het licht, als de gezant van God die helderheid schept, want hij belooft aan de mens de kennis van goed en kwaad. De scène past bijzonder goed in het kader van het Mattesevangelie. Zijn bekoringsverhaal symboliseert en weerspiegelt de discussie tussen het oude jodendom en het nieuwe christendom rondom de vraag of Jezus de te verwachten Messias is, al dan niet. Daarover heeft Matteiis het toch in zijn geschrift. En telkens opnieuw voert hij aan: ‘Want er staat geschreven…’

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x