Jaar A, DHJ 9

Negende zondag door het jaar A – Matteüs 7, 21-27

Hier eindigt de Bergrede. Drie hoofdstukken lang, het vijfde, het zesde en het zevende, heeft de evangelist Matteüs de Heer Jezus aan het woord gelaten voor zijn eerste grote toespraak, zijn inaugurale rede, zijn programmaverklaring: het eerste onderricht, de eerste inhoudelijke omschrijving van de Blijde Boodschap van het Rijk der hemelen.

Na de tekst van het dagevangelie sluiten verzen 28 en 29 hoofdstuk 7 af: ‘Toen Jezus deze toespraak beëindigd had, was het volk buiten zichzelf van verbazing over zijn leer. Want Hij onderrichtte niet zoals hun schriftgeleerden, maar als iemand die gezag bezit.’

Toch duiden de meeste Bijbelkenners een vers aan dat iets eerder komt en ook aan de daglezing nog een stukje voorafgaat, als zijnde het eigenlijke slot van de Bergrede. Wij hebben het dan over vers 12: ‘Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen. Dit is Wet en Profeten.’ Een kernachtigere en completere samenvatting van heel het voorbije onderricht is moeilijk denkbaar. Wat dan volgt, met onder meer het evangelie van vandaag, is eerder een epiloog, een nawoord te noemen.

Laat ons vooraleer daarop in te gaan, eerst nog even stilstaan bij vers 12. Wij kennen dat iets beter in zijn om zo te zeggen ‘negatieve’ versie: wat gij niet wilt dat men u aandoet, doe dat zelf de ander ook niet aan. De ‘positieve’ versie hier ervaren wij als veel verder reikend. Geen ongerechtigheid doen is al heel wat; maar gerechtigheid doen, gerechtigheid vervullen klinkt en is nog zoveel meer allesomvattend. ‘Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen.’ En daar voegt de Heer aan toe: ‘Dat is Wet en Profeten.’

In heel de Bergrede is het tot hier toe ogenschijnlijk integraal en uitsluitend over de wet gegaan: het vervullen van de wet, maar daarbovenop de gerechtigheid die het doen en laten van de farizeeën en schriftgeleerden, de mannen van de wet, ver moet overstijgen. In het begin van de Bergrede, na de beroemde inleiding met de zaligsprekingen, is er in hoofdstuk 5 vers 17 ook al even sprake geweest van de profeten, ook daar in één adem genoemd met de wet: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om Wet en Profeten op te heffen.’

De Wet en de Profeten: als een enerzijds en een anderzijds, als elkaars logisch en onmisbaar complement in het geloof en de religie van Gods uitverkoren volk waar Jezus net als zijn toehoorders deel van uitmaakt.

Enerzijds de wet, anderzijds de profeten. Enerzijds de schriftgeleerden en farizeeën, de priesters ook, als de vertegenwoordigers van de wet, van de traditie, de ritus, van de trouw aan de traditie en de ritus. Anderzijds de profeten: zij vertegenwoordigen de geest, de gedrevenheid. Op hen rust de Geest des Heren die hen aanvuurt om onverbloemd te zeggen wat er te zeggen valt en vrijuit te doen wat er te doen valt.

De eersten kun je in de positieve zin van het woord de conservatieven noemen. Die mensen zijn broodnodig voor geloof en religie; zonder hen verliezen die hun ruggengraat. De anderen, de profeten, zijn dan de progressieven, al even broodnodig voor geloof en religie als het merg dat de ruggengraat vitaal en krachtig houdt.

Elkanders complement. Samen staan zij voor de gerechtigheid: niet de wet alleen, niet de profeten alleen; niet de wet zonder de levenwekkende geest, ook niet de gedrevenheid op drijfzand zonder de rotsgrond onder het huis. Trouw en gerechtigheid tezamen maken de gerechtigheid uit, de overvloedige gerechtigheid. ‘Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten.’

Dan volgt, zoals gezegd, de epiloog met onder meer, als tweede deel, de vandaag gelezen evangelietekst. In onze gebruikelijke Willibrordbijbel staat als ondertitel boven dit deel (vanaf vers 15): ‘Valse profeten’.

In het nawoord, de uitgeleide, de epiloog van zijn Bergrede heeft Jezus het inderdaad uitdrukkelijk over de profeten, met vooral een waarschuwing aan zijn toehoorders dat zij zich moeten hoeden voor de valse profeten: dat zelfs begeestering en gedrevenheid een façade kunnen zijn van een huis zonder fundamenten, wanneer de huisbewoners, ook al zijn het profeten, boven de wet menen te staan, voeling missen met de wet, ontrouw zijn en daarom al even ongerechtig als schriftgeleerden en farizeeën in hun slaafse wettigheid.

Jezus geeft enkele criteria om hen van elkaar te onderscheiden, de echte en de valse profeten. Aan hun vruchten, aan hun werken zult gij hen herkennen, zegt de Heer tot tweemaal toe, voordat Hij eraan toevoegt – vergelijk de daglezing –  dat noch het aanroepen van zijn Naam, noch het spreken in zijn Naam, het profeteren, noch zelfs het duivels uitdrijven in zijn Naam, een garantie vormt, zekerheid geeft, een soort levensverzekering is om tot de echte profeten te behoren, om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan.

De ondertoon van deze passage is eschatologisch te noemen. Het hele fragment klinkt als een eindoordeel. Er is sprake van de dag, de definitieve dag van het binnengaan – al dan niet – in het Rijk. Duidelijk is de verwijzing naar die andere, de laatste toespraak van de Heer in hetzelfde Matteüsevangelie, hoofdstuk 25.

De auteur citeert zichzelf, hij haalt het einde aan van zijn parabel van de bruidsmeisjes: ‘Heer, Heer, doe open. Maar hij, de bruidegom, antwoordde: voorwaar, ik ken u niet.’ De Heer zegt: ‘Nooit heb Ik u gekend. Ga weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet.’

In gedachten vullen wij dit vers onwillekeurig aan vanuit de grote slot-parabel van datzelfde hoofdstuk 25 met het tafereel van het koninklijk oordeel. Ga weg van Mij, gij die ongerechtigheid doet: gij die niet solidair waart of zijt met de armen, met de hongerigen en dorstigen, met de zieken en gevangenen. Wat gij niet gedaan hebt aan de minsten van de mijnen, hebt gij ook niet aan Mij gedaan. Wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten. Dat is de wil doen van de Vader die in de hemel is.

Deze eschatologische ondertoon wordt bevestigd door de gelijkenis van het huis op de rots. Pas als de storm er geweest is en huis heeft gehouden, als de storm voorbij is, dan zal blijken of de fundamenten van het huis stevige rots zijn of zanderig niets.

Zo speelt het slot van de Bergrede in op het slot van het gehele evangelie, net voor het begin van het lijdensverhaal. Maar zo sluit het evenzeer aan hij het begin van diezelfde Bergrede.

Zalig de armen, zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, zalig die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid. Zalig die gerechtigheid doen: die voor anderen doen wat zijzelf van anderen verwachten en nodig hebben. Zalig die vrede stichten. Zalig de zuiveren van hart. Zalig die barmhartig en zachtmoedig zijn. Want aan hen behoort het Koninkrijk der hemelen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x