Jaar A, DHJ 8

Achtste zondag door het jaar A – Matteüs 6, 24-34

Van het zojuist gelezen prachtige gedicht over christelijke onbezorgdheid horen velen enkel het naïeve en wereldvreemde waarvan het evangelie hier blijk zou geven. Wat is er nu normaler dan dat een mens bezorgd is voor zijn primaire behoeften, zijn voedsel, zijn kleding, zijn gezondheid, zijn sociaal goed recht, zijn welstand? Zo en niet anders zijn wij door de Schepper geschapen.

Bevolk de aarde en onderwerp haar, luidt zijn eerste opdracht. De aarde is ons in handen gegeven, ons toevertrouwd. Zouden wij dan alles maar op zijn beloop moeten laten, het maar uit de hand laten lopen? De woorden ‘maak u niet bezorgd’ klinken bijna onchristelijk. Want wie bewust leeft, weet zich verantwoordelijk – en dus bezorgd – voor het uitputten van energiebronnen, voor de vernietiging van de natuur, voor de dreiging van alles verdelgende wapens, voor de oncontroleerbare gevolgen van biologische manipulatie. Of raakt dit alles de christen niet en moet die maar doen alsof zijn neus bloedt, maar wat lustig aan gaan leven als de vogeltjes en de bloemetjes?

Het kan Jezus’ bedoeling niet geweest zijn om zoiets godslasterlijks te verkondigen als: je hoeft niet te werken, je hoeft niet te bidden, God knapt het wel voor je op. Integendeel, het kan niet anders dan dat de Heer Jezus, kijkend naar onze tijd bijvoorbeeld, zich lovend zou uitlaten over al die mensen die zich solidair opstellen met wie arm en geknecht zijn, zwak en weerloos. Wat je aan de minsten van de mijnen hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan. En toch heeft diezelfde Jezus het ook over leven, zoals de vogels en de bloemen.

Zijn bedoeling is duidelijk. Het evangelie kan of wil de zorgen van de mens niet wegnemen, maar ons leren hoe wij met onze zorgen moeten leven. Het evangelie wil de taak van de mens niet minimaliseren – arbeid siert de mens, adelt de mens, heiligt de mens maar wel ons menselijke doen en laten relativeren.

Mensen, en vaak de meest edelmoedige en bekommerde mensen, kunnen zich dermate vereenzelvigen met hun inspanningen, vastklampen aan hun werk dat hun blik verengd raakt en – zij niets anders meer zien dan alleen wat zijzelf doen en menen te moeten doen.

Hoeveel noest werkende mensen leven niet zonder perspectief! Het valt op dat precies binnen bewegingen van solidariteit, van streven naar natuurbehoud, van onvervalste inzet voor de noden in verre landen… dat men juist daar vaak een fundamenteel menselijk vermogen is kwijtgeraakt, namelijk om eenvoudig van iets te genieten, om zich simpelweg eens over te geven aan de vreugde en de genoegdoening van het moment.

Hun inzet verwordt dan vaak tot verbittering, verdorring, een krampachtig zich vastbijten in de eigen beperkte visie op problemen en noden, doordat een ruimer perspectief ontbreekt. Zij moeten opnieuw leren kijken, zegt Jezus, naar de vogels en de bloemen. Die gelden niet als voorbeeld voor zalig nietsdoen, maar als toonbeeld van vertrouwen, van zich geborgen weten in de zorgende hand van de Vader.

Mensen hebben het zichzelf zo moeilijk gemaakt dat zij de allereerste levensles vergeten zijn, namelijk dat zij Gods schepselen zijn. Van de bloemen en de vogels moeten wij dat opnieuw leren: leren dat niet alles van ons afhangt.

De mens moet zelf doen wat hij kan, zo goed mogelijk. Dat doen de bloemen en de vogels ook. Vogels weten dat God hun het nodige voedsel geeft, maar zij weten tevens dat Hij het niet in hun nest werpt. Doen wat wij kunnen doen, zo goed mogelijk, in het besef dat het uiteindelijk niet van ons maar van God afhangt.

Wij moeten leren leven in de spanning die er bestaat tussen enerzijds onze menselijke werkzaamheid en anderzijds de principiële, voortdurende en uiteindelijke impuls die uitgaat van God: Gods genade, zo noemen wij dat.

Je moet meewerken met de genade, woekeren met je talenten, zegt de Heer. Maar je moet je genade ook dankbaar erkennen als een gave Gods, je talenten erkennen als een gratis geschenk, zoals het voedsel voor de vogels en het kleurenpalet voor de bloemen.

Om voluit gelukkig te zijn, om te beantwoorden aan Gods plan met het leven moet de mens inzien dat hijzelf nooit volstaat voor zijn eigen geluk, en dat de Schepper zelf daar wél voor in-staat. Wie volledig voor zichzelf meent te kunnen instaan, wie helemaal voor zichzelf wil vol-staan, die wordt inderdaad en onvermijdelijk over-bezorgd, fanatiek bezorgd, angstig bezorgd, radeloos-ziekelijk bezorgd.

Jagend op steeds maar meer en hoger maken mensen hun mooie leven heel gecompliceerd. Werken om te leven, ja, maar niet andersom. Arbeid heiligt, ja, maar de arbeid zelf is niet heilig. Het middel is het doel niet.

Hoeveel overbodige en onnodige dingen zijn op die manier levensnoodzakelijk gaan lijken waar ze dan levensgevaarlijk kunnen worden!

Het echt levensnoodzakelijke is: vriendschap, vreugde, vergeving, dankbaarheid, kortom, alles wat het hart betreft, het hart van de mens, het hart van de natuur, het hart van God. En dat alles ontbeert men zonder te beseffen wat men ontbeert of dat men het ontbeert.

Daarin ligt dan ook enerzijds de armoede, de leegte van de materiele rijkdom, anderzijds de koninklijke rijkdom van de evangelische arme en onbezorgde mens, de bezitter van het Rijk, het Rijk van God en zijn gerechtigheid.

De vogels en de bloemen zijn in hun onbezorgdheid, in hun onvermogen om zich ziekelijk bezorgd te maken, een stukje levensnatuurlijke liturgie, een levend lied, een levende lofzang. Zij geuren of zij zingen voor de Vader die hen bergt in zijn zorg.

Zo ook moet de mens afstand nemen van zijn werk en zijn zorg om zich mooi te maken voor God. Wij moeten aan elkaar en aan de wereld weer leren zingen als vrije vogels in de lucht.
Moge dit zorgeloze en onnodige moment, hier en nu, een weldoende oefening zijn in Godsvertrouwen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x