Jaar A, DHJ 6

Zesde zondag door het jaar A – Matteüs 5,17-37

Geconfronteerd met de schriftlezingen stellen mensen zich geregeld de vraag hoe letterlijk die teksten wel te nemen zijn. De taal van de Schrift, de taal van Jezus’ boodschap is de taal van het oude Oosten: spreuken en parabels, beeldspraak na beeldspraak.

Maar een gevaar voor te grote letterlijkheid is vandaag de dag niet zo acuut. Integendeel, wij zijn veeleer geneigd een en ander enkel maar zó te verstaan als wij het graag willen verstaan.

Met een zeker medelijden denken wij aan de mensen van vroeger. Wat hebben ze die niet allemaal wijsgemaakt? Maar wil dat zeggen dat onze voorouders eeuwenlang Jezus’ boodschap niet of verkeerd hebben begrepen? Is hun goedgelovigheid een hinderpaal geweest voor rechtgelovigheid? Heeft Gods Geest de kerk dan niet steeds geleid? Laat ons toch niet zo hooghartig zijn om alle waarheid en wijsheid, inclusief het privilege van de Geest, op te eisen voor exclusief deze tijd. Een beetje meer letterlijkheid zou wellicht helemaal geen kwaad doen.

Anderzijds is het niet meer dan normaal dat de redelijke wezens die mensen zijn, zich de vraag stellen wat te doen met een evangelietekst zoals die van vandaag. Laten wij het dan nog maar houden bij enkel de drie ‘antithesen in de tekst tussen wat de oude wet zegt en wat Jezus ervan maakt.

De oude wet zegt: gij zult geen echtbreuk plegen. Maar Jezus zegt: alleen al maar even lonken naar of een oogje hebben op een mooie vrouw, een mooie man is al even erg.

De oude wet zegt: gij zult niet doden. Maar Jezus zegt: alleen al maar even boos zijn op iemand is al even erg.

Ik kan mij voorstellen dat men het in bepaalde kringen met zulke uitspraken moeilijker zal hebben dan in andere. Een doorsnee-parochiepubliek bijvoorbeeld zal er allicht onthutster of ongeloviger op reageren dan een meer geëngageerde groep gelovigen in een bezinningscentrum of een kloostergemeenschap. Alhoewel… Bij de derde antithese aan het einde van het evangelie ligt dat duidelijk andersom. Ik kan mij voorstellen dat dit bij priesters en religieuzen wel enkele vragen zal doen rijzen, méér dan bij het gelovige voetvolk.

De oude wet zegt: gij zult geen valse eed doen. Maar jezus zegt: gij zult helemaal géén eed doen. Uw ja moet ja zijn en uw neen neen, en wat daar nog bij komt, is uit den boze.

Een meineed is slecht; dat is en blijft zo. Maar een eed, is dat uit den boze? Dan loopt er heel wat verkeerd in onze samenleving en zeker in bepaalde kringen ervan; denk aan justitie, aan ambtenarij…

En denk aan priesters en kloosterlingen en de geloften die zij afleggen bij hun intrede of wijding. Noemt Christus een gelofte uit den boze? In kerkelijke, klerikale of monachale kringen geldt toch dat die geloften precies te maken hebben met een grotere levensopgave en -inzet, met een grotere volmaaktheid zelfs? Of met andere woorden: dat een gelofte alles te maken heeft met het maximale levensprogramma van Christus, met zijn Bergrede dus. En net in die Bergrede zou klaarblijkelijk het tegenovergestelde staan? Dat kan toch de bedoeling niet zijn…

Telkens staat er: ‘Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders is gezegd: dit is de wet, volbreng die wet. Maar Ik zeg u…’

Is dan de oude wet verkeerd? Is dan het oude verbond waardeloos, zijn dan de tien geboden voorbijgestreefd? Zeker niet, want even scherp stelt de Heer dat er geen jota of stipje aan mag worden veranderd.

Maar de wet is niet méér dan de wet: met het volbrengen ervan is lang niet alles volbracht. De wet is enkel maar de basis om vanuit te vertrekken.

De Bergrede stelt daarenboven – dat wil zeggen: daarbovenop – de gerechtigheid: de gerechtigheid, groter dan die van de farizeeën, die toch als de prototypes gelden van de perfecte wetsvervulling. De Bergrede stelt daarenboven: de gerechtigheid in overvloed. En gerechtigheid begint precies daar waar de wet eindigt.

De wet geeft niet het doel aan, geen enkele wet doet dat. De wet is enkel maar de startlijn naar het doel.

De Bergrede spreekt de ultieme bedoeling uit van de Schepper met zijn schepping. En zo wil Jezus het ons leren en voorleven, zegt Hij.

Geen echtbreuk plegen is niet het doel van liefde en trouw, maar enkel een kader om de criteria te scheppen naar het doel toe: de zuiverheid van hart. En daarover heeft Jezus het.

Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.

Geen moorden plegen is niet het doel van de samenleving, maar enkel een minimaal kader om de criteria te scheppen naar het doel toe: barmhartigheid en vrede.

Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.

Zalig die vrede stichten, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.

De eed van mensen is niet het doel van de waarheid. Een gelofte is niet het doel van een hogere waarheid of een groter engagement. Het doel is: dat de inhoud van de gelofte mensen die ze afleggen, zo doordringt dat zij zuiverheid, gehoorzaamheid, armoede zo gewoon worden als ons dagelijks in- en uitademen.

De gelofte is niet het ideaal. Het is zowel een startbasis als een hulpmiddel om naar het ideaal toe te groeien, om ernaar uit te kijken en te verlangen, om te hopen dat met de jaren ons leven zó wordt dat ten einde toe enkel nog overblijft:

Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.

Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen.

Onze menselijke vrijheid met al haar beperktheid en mogelijkheden heeft behoefte aan de basis van de wet als een minimumprogramma, maar evenzeer behoefte aan de nooit bereikte horizon van de overvloedige gerechtigheid.

In de Bergrede geeft Jezus ons een menselijk gesproken onbereikbaar perspectief. Maar, is het streven naar het onbereikbare niet een van de allermenselijkste trekken die de Schepper ons in het hart heeft gelegd?

De wet zegt dat wij ernstig moeten zijn in het leven, ernstig met het leven moeten omgaan.

Het levende Woord van de Heer zegt dat wij steeds en steeds opnieuw verder kunnen én moeten vooruitgaan op de weg van de levensernst.

Met het volbrengen van de we’ t is niet alles volbracht. ‘Alles is volbracht’ als het leven helemaal gegeven is: in Gods hand gelegd, aan medemensen ter beschikking gesteld, zelfs overgeleverd aan het kwade om het kwade zelf te vernietigen.

Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen.

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x