Jaar A, DHJ 5

Vijfde zondag door het jaar A – Matteüs 5, 12-15

De vijfde zondag door het jaar valt nooit ver van het feest van Lichtmis: dat feest tussen Kerstmis en Pasen waarop wij (net als met Kerstmis en Pasen) kunnen zingen: zoals het licht ons verblijdt in de nacht, zo is Jezus onze vreugde. Hij is een licht voor onze ogen. De oude en blinde ogen van Simeon en Hanna hebben Hem gezien en Hem op hun eigen kerst- én paasfeest herkend als het licht van de wereld.

Vandaag zegt Jezus tot zijn leerlingen, tot ons: gij zijt het licht van de wereld. Wat kan dat anders betekenen dan dat het mensgeworden Woord van God, de Levende die zetelt aan Gods rechterhand, zó’n onuitputtelijke bron van helderheid en warmte is dat al wie zich door dat licht laten bestralen – dat wil zeggen: wie zijn leerlingen zijn – op hun beurt licht en warmte gaan uitstralen? Gij zijt het licht van de wereld.

Evenzo in het oog springend is natuurlijk de band tussen de evangelielezing van vandaag en van vorige zondag. Wij lazen toen het begin van de Bergrede, de zaligsprekingen. De zopas gelezen tekst sluit daar rechtstreeks op aan.

In iedere Jezusfilm maakt de episode van de Bergrede een belangrijke scène uit. Bij mij duikt dan het beeld op van een innemende dertigjarige man die aan het woord is, en van een stille menigte die geboeid en ingespannen toehoort.

Dat klopt niet met wat de tekst zegt aan het begin van Matteüs’ vijfde hoofdstuk: ‘Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op; en nadat Hij was gaan neerzitten, kwamen zijn leerlingen bij Hem. Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus: zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen.’

Jezus richt zich dus niet tot de menigte, maar tot de leerlingen die Hij iets tevoren uitgenodigd had Hem te volgen en die op deze uitnodiging waren ingegaan. En Jezus heeft het over de mensen uit de menigte daarbeneden. Van hen zegt Hij tot zijn leerlingen: zalig de armen, de treurenden, de hongerigen, de vervolgden; en verder: zalig de zachtmoedigen, de barmhartigen, de zuiveren van hart, de vredestichters. Voor al deze gewone lieden spreekt Hij zijn grote eerbied en waardering uit, ondanks hun noden en vanwege hun levenshouding.

Dan schakelt Hij plots over van de zij-vorm naar de gij-vorm. Dan zegt Hij tot zijn leerlingen: zalig zijt gíj! Als een negende zaligspreking. Of beter: een samenvatting van de acht, nu toegepast op de leerlingen. Zalig zijt gij, wanneer men ú beschimpt, vervolgt en belastert om mijnentwil. Zalig zijt gij, als men ú niet waardeert of respecteert, als men ú verfoeit en afschrijft: om uw armoede en nood, om uw houding van eenvoud en zachtmoedigheid.

De leerlingen van Jezus vormen dus helemaal geen elitair gezelschap, in de zin van beter en anders dan de anderen. Zij zijn uitgekozen uit de menigte van arme en kleine mensen die worden zalig geprezen: nu, rechtstreeks en op de man af: zalig zijt gij!

Daarop sluit in diezelfde gij-vorm de tekst van vandaag aan: gij die mijn leerlingen zijt, gij die zalig zijt, gij zijt het zout der aarde, gij zijt het licht van de wereld. Gij die in de ogen van de wereld van geen tel zijt en daarenboven de verkeerde kant hebt gekozen (daarom trouwens wordt gij belasterd, beschimpt, vervolgd), gij zijt in mijn ogen, in Gods ogen wél van tel: zalig zijt gij. En daarom zijt gij het licht van de wereld, het zout der aarde: omdat gij zalig zijt en omdat gij mijn leerlingen zijt. Licht voor zoveel duisternis, zout voor zoveel smakeloosheid en bederf.

Hier worden twee beelden gebruikt: licht en zout. Beide hebben gemeenschappelijk dat ze te maken hebben met zintuigen, met zien en smaken. Maar als dusdanig vertonen zij tegengestelde eigenschappen. Licht is bij bepaling zichtbaar, anders is het zinloos. Zout is de facto onzichtbaar in zijn werking: onopvallend, want anders is het altijd te weinig of te veel om goed te zijn.

Zo is de leerling van Jezus: tegelijk zichtbaar en onopvallend.

Zichtbaar is en moet zijn: het getuigenis, het georganiseerde dienstwerk. De kerk in de wereld moet te zien zijn, moet licht zijn. Dat kan niet anders qua organisatie van de caritas en qua verkondiging.

Anderzijds behoort de leerling, behoort de kerk, net zoals het werk van Gods genade, onzichtbaar te zijn. Hier past vooral het woord ‘onopvallend’. Heiligen die opvallen, kerkleiders die opvallen of zoeken op te vallen, die vertrouwen wij maar half; net zoals in de parabel van de farizeeër en de tollenaar die ene daar vooraan in de tempel.

Leerlingen van Jezus moeten hun leven lang zoeken en streven naar het goede evenwicht tussen beide: hun zichtbaarheid en hun onopvallendheid, als licht en als zout. Bij heiligen werkt dat op den duur spontaan, vanzelf.

In de beeldspraak van de Bijbel gaat het vaak over licht, zelden over zout. Daarom blijven wij even stilstaan bij dit tweede beeld: gij zijt het zout der aarde. Het woordje ‘aarde’ is gewoon synoniem van wereld en leven. Het mag in de vergelijking zeker niet in de landbouwkundige zin van het woord begrepen worden, zoals bij dergelijke beelden in de Schrift meestal wél het geval is. Denken wij maar aan de graankorrel die in de aarde valt om vrucht voort te brengen.

Zout wordt niet in de aarde gestrooid. Of tenminste niet in die tijd: toen waren er nog geen autowegen die ijzelglad kunnen worden en daarom met zout bestrooid worden. Zout is er om uitgestrooid te worden in voedsel, hetzij om er smaak aan te geven, hetzij om het te bewaren tegen bederf. Zout realiseert zichzelf door zich te mengen, te verbinden met de spijzen, door er zich in op te lossen, er zich in te verliezen. Opnieuw denken wij aan het beeld van de graankorrel. Zoals die moet sterven in de aarde, zo moet het zout oplossen in het voedsel om zichzelf te zijn, om doel en zin van zijn bestaan waar te maken.

Kritische Bijbellezers vragen zich af of dit beeld nog wel opgaat in onze tijd waarin toch ontdekt is dat zout schadelijk is voor hart en bloedvaten. Dokters schrijven toch zoutloos dieet voor! Laat ons het maar houden bij het advies van de wijze arts die het heeft over weinig en matig en nooit te veel. Want te veel is nooit goed, ook niet in deze evangelische parabel-context. Het moet onopvallend blijven, het mag niet door de spijzen heen smaken. Het is niet nodig en niet goed het er vingerdik op te leggen: hoe christelijk wij wel zijn, hoe groot ons gelijk wel is, hoe onaantastbaar ons geloof, hoe onaanvechtbaar onze waarheid, hoe superieur onze beschaving. Kortom, hoe perfect wij wel passen in het Koninkrijk der hemelen. Beter dan dat zijn wat deemoed en schroom, wat erbarmen en begrip. Zo niet, dan missen wij het eerste begin: zalig de armen van geest, zalig de zachtmoedigen.

Van de andere kant hoeven wij zeker ook niet bang te zijn om te veel te kruiden, zo groot is immers de te kruiden massa. Er is zoveel geweld dat men moeilijk overdrijven kan in vrede en verdraagzaamheid. Er is zoveel pijn en droefheid dat er geen gevaar is voor te veel troost. Er is zoveel nood en zoveel tekort dat men nooit goed genoeg zal zijn, laat staan té goed.

Gij zijt het zout der aarde. Gij zijt het licht van de wereld. Zeker mogen wij er niet aan voorbijgaan dat deze woorden niet enkel in de gij-vorm uit gesproken en opgeschreven zijn, maar ook in de tegenwoordige tijd: gij `zijt’ het zout, gij ‘zijt’ het licht. Het is geen oproep: wees als zout, word als licht. Het is geen voorwaardelijke wijs: als gij… dan zult gij zijn… Maar rechtstreeks en op de man af: gij zijt wat gij zijt.

De leerling van Jezus, de kleine mens die zich geroepen weet om Hem te volgen, die eerbied en waardering betoont voor kleine mensen en daarom klein wordt met de kleinen, die gelooft in de zachte waarden, zachtmoedigheid, barmhartigheid: die is zout en licht, die telt mee in Jezus’ ogen, die heeft een rol te spelen in Gods goede schepping, het Koninkrijk der hemelen, smaak en kleur te geven aan het leven van mensen.

Aan het einde van de plechtige afkondiging van de acht zaligheden – het levensprogramma voor mensen van goede wil, inclusief en in het bijzonder voor Jezus’ leerlingen – weerklinkt dit woord van de Heer als een bemoedigend argument voor ons: om in onszelf te geloven, om trots te zijn op ons geloof en onze roeping, om met levensvreugde en optimisme te getuigen en dienst te betonen. Want wij zijn toch het zout der aarde, het licht van de wereld!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x