Jaar A, DHJ 4

Vierde zondag door het jaar A – Matteüs 5, 1-I2
De acht zaligheden

Het is goed dat het bekende evangelie van de zaligsprekingen eens op een ander moment gelezen wordt dan enkel op Allerheiligen of hij de uitvaartliturgie. Dat werpt er onmiddellijk een ander licht op. Want met Allerheiligen of bij een uitvaart betrekken wij de zaligsprekingen op mensen die hun aardse leven beëindigd hebben en die dan, in de Bijbelse zin van het woord, zalig gesproken, zalig verklaard worden. Dat is juist en terecht, maar misschien wat eenzijdig.

Vandaag klinken diezelfde acht zaligheden op in het kader van een gewone zondag door het jaar: een zondag aan het begin van het kerkelijk jaar, als voor de liturgie het openbaar leven van de Heer Jezus van start gaat: als Hij een begin maakt met de verkondiging van zijn Blijde Boodschap. Meteen beluisteren wij dan ook de zaligsprekingen als een oproep vandaag tot wie zijn volgelingen, zijn leerlingen willen zijn: om er werk van te maken; een oproep tot de levenden nu: om in de hun toegemeten tijd er hun levenswerk van te maken.

De zaligsprekingen komen helemaal vooraan in wat door de evangelist Matteüs gecomponeerd is als Jezus’ eerste grote toespraak, de Bergrede: zijn beleidsverklaring, de samenvatting van zijn levensleer.

Voordien heeft Matteüs al verteld dat Jezus na zijn Doop in de Jordaan en zijn veertigdaagse woestijnervaring, al weldoende rondtrok door de steden en dorpen van Galilea, terwijl Hij de Blijde Boodschap verkondigde. Maar wát zijn toespraken, grote of kleine, concreet inhielden, dat werd nog niet verteld. Tenzij in één enkele zin die wel vaak aan bod moet zijn gekomen, dat hij zo opgevallen en bijgebleven is; een zin die ook Johannes de Doper en vóór hem de profeten van het eerste verbond kenmerkte: `Bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij.’

En dan komt de Bergrede met voorop de acht zaligheden. Hier wordt een eerste expliciete invulling gegeven aan wat zeggen wil ‘bekeer u’; en/of aan wat ‘het Rijk der hemelen’ is. De zaligsprekingen vormen dus een oproep tot bekering en/of tegelijk een omschrijving van het Rijk der hemelen. Zich bekeren is: worden zoals hier voor het eerst omschreven wordt. Het Rijk der hemelen is zoals het hier voor het eerst uitgetekend wordt.

In ieder geval wordt hier een achttal eigenschappen opgenoemd: goede kenmerken of eigenschappen van mensen die wij in ons christelijk taalgebruik meestal deugden noemen – een achttal deugden dus waarvan Jezus zegt dat aan degene die ze bezit, die ze beoefent, het Koninkrijk der hemelen toebehoort. Zo begint het gedicht en zo eindigt het. Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen. En aan het slot: zalig die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen.

Meteen duikt een eerste probleem op. Vervolgd worden kun je toch moeilijk een eigenschap noemen, dat is toch geen deugd. Gerechtigheid is een deugd en daar kun je om vervolgd worden. Ook de manier waarop een mens dit draagt en verwerkt, kan terecht deugdzaam genoemd worden. Maar het vervolgd worden op zich is een pijnlijke, een mensonwaardige zaak: geen deugd.

In de reeks van acht is er nog zo eentje: de tweede in de rij. Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden. Treuren, treurnis, droefheid is toch geen aan te bevelen, aan te kweken eigenschap, geen deugd. Ik verkondig u een Blijde Boodschap: wees droef? Vreugde is toch het diepe kenmerk van de christenen, vernemen wij bij zoveel gelegenheden.

Bij nader toezien zijn er nog twee zaligheden waarvan Matteüs bij zijn redactie van de gegevens blijkbaar een deugd gemáákt heeft. Daarin stemt hij dan ook niet overeen met Lucas, die volgens exegeten dichter bij het Jezuswoord zelf staat.

Jezus zelf heeft allicht gezegd: zalig de armen. Arm zijn echter is dan weer geen goede menselijke eigenschap, geen deugd, maar een pijnlijke, mensonwaardige toestand. Noodlijdend is er een veelbetekenend synoniem van. Matte-s heeft er een deugd van gemaakt. Hij zal er zijn goede reden voor gehad hebben. Zalig de armen van geest: zalig wie zich niet vasthecht aan aardse rijkdom. En dat is geen onwaarheid, integendeel, dat is wel degelijk een zaligheid.

Zo heeft Jezus allicht ook gezegd: zalig die hongerlijdt. Hongerlijden is geen deugd, maar een primair aspect van menselijk tekort en menselijke nood. Andermaal heeft Matteüs er een deugd van gemaakt. Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. En dat is weer wel aan te prijzen als levenshouding voor het Koninkrijk.

Laat mij u geruststellen: met de overige vier deugden van Matteüs is niets aan de hand. Maar ze worden geen van alle door Lucas genoemd. Die prijst enkel noodlijdende mensen zalig, geen deugdzame. Matteüs doet dat uitdrukkelijk wél.

Maar of ze nu met vier of met zes zijn, doet niet ter zake. Feit is dat Jezus bij Matteüs een aantal menselijke eigenschappen schetst waarvan hij de bezitters of beoefenaars zalig noemt. In zijn ogen zijn zij het Rijk der hemelen waard en waardig.

In de ogen van de wereld zijn die mensen dat niet, zijn het integendeel waardeloze mensen van wie de noden en tekorten zelfs in de beste religieuze tradities geduid worden als een straf, als zonde en gevolg van zonde. Als Hij deze mensen zalig prijst, dan tekent Jezus duidelijk en sterk protest aan tegen het heersende wereldbeeld ter zake, een protest dat meteen heel positief klinkt. De zaligsprekingen drukken Jezus’ grote waardering en diepe respect uit voor deze mensen in nood tot wie Hij zegt: Ik sta aan jullie kant, God komt aan jullie kant staan. Zalig die treuren, want zij zullen getroost worden. En dat heeft ook alles met bekering te maken. De zaligsprekingen zijn een oproep tot bekering: om het gangbare wereldbeeld en de daarmee samengaande visie op de mens grondig te herzien. En er meteen iets aan te doen ook.

En dan is er de andere categorie, de deugden: zachtmoedigheid, barmhartigheid, zuiverheid, vredelievendheid. Het zijn ook niet direct de eigenschappen die het doen voor de wereld. Zelfs het zo geprezen gezond menselijk verstand loopt er niet echt hoog mee op.

Zachtmoedigheid? Je krijgt het deksel op je neus. Barmhartigheid? Ondank is ’s werelds loon. Zuiverheid? Wees toch niet zo naïef! Vredelievendheid? De beste verdediging is de aanval. Hier ook zijn de zaligsprekingen een oproep tot bekering: om wereldbeeld en visie op mens-zijn grondig om te keren naar de zachte deugden toe, de zachte, de kwetsbare waarden die naar menselijke maatstaven niets garanderen, maar die in Jezus’ ogen precies de methode en werkwijze uitmaken om aan welke menselijke nood dan ook iets te gaan doen, hoe machteloos wij ook zijn om die nood helemaal op te lossen.

In commentaren wordt vaak elke van de acht zaligheden zowat als een aparte rubriek benaderd en omschreven qua eigenheid en verschil met de andere. Dat kan inspirerend en verhelderend werken. Maar het kan ook de indruk wekken dat met die acht alles is gezegd over het Rijk der hemelen. Ook hier geldt dat het geheel méér is dan de optelsom van de delen. Naast Jezus’ keuzelijst kun je gemakkelijk een andere samenstellen. Wij kunnen ons afvragen waarom de Heer het niet heeft over zieken, gehandicapten, gevangenen, vreemdelingen. Niet over nederigheid, geduld, soberheid, solidariteit. Zijn dat dan geen zaligheden? Zeer zeker wel. Maar dat waarom is geen goede vraag. Jezus’ keuze is niet exclusief of selectief maar exemplarisch. In de geest van zijn boodschap, zijn ‘protestlied’ op de berg, kun je de zaligheden zonder veel moeite uitbreiden, maar ze evenzeer samenvatten.

Daarvoor komt één woord in zijn Bijbelse betekenis zeer goed in aanmerking en dat is het woordje ‘klein’. Wie niet wordt als deze kleinen, zal het Koninkrijk niet binnengaan.

Zalig de kleinen! Dat is dan tegelijk de uitdrukking van waardering en diepe eerbied voor al wie of wat klein is en een oproep om aan de kant van de kleinen te gaan staan door zelf klein te worden met hen. Wie de grootste onder u wil zijn, moet de kleinste worden en de dienaar van allen.

Zalig de kleine mensen. In al hun nood en tekort, zegt Jezus, kom Ik aan hun kant staan. Het Rijk van de Vader die in de hemel is, behoort hun toe: op aarde zoals in de hemel. Meteen roep ik eenieder die Mij volgen wil op om zelf klein te worden met de kleinen. Zalig zij, omdat zij mee aan mijn kant komen staan ten dienste en ten bate van de minsten van de mijnen. Het Rijk van de Vader die in de hemel is, behoort hun toe: op aarde zoals in de hemel.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x