Jaar A, DHJ 33

Drieëndertigste zondag door het jaar A – Matteüs 25,15-30

Dit evangelie, de parabel van de talenten, wordt graag gekozen bij de liturgische viering ter gelegenheid van de huldiging of de nagedachtenis van iemand die in zijn leven begaafdheid volop gepaard heeft aan werkzaamheid. Het lijkt voor de hand te liggen dat de parabel van de talenten daarover gaat. Bij nader toezien is dat minder vanzelfsprekend.

Het verkeerd begrijpen van een Bijbeltekst kan vreemde gevolgen hebben. Neem nu deze parabel van de talenten. De interpretatie dat het hierbij gaat over het goed gebruikmaken van je natuurlijke begaafd-heden, is zo algemeen dat het woord talent in vele talen precies de betekenis aangenomen heeft van begaafdheid, synoniem geworden is van aanleg.

Maar in het begin van zijn verhaal zegt Jezus dat de heer des huizes zijn vermogen aan talenten toevertrouwde aan zijn knechten, ‘ieder al naargelang van zijn bekwaamheid’. Dat is een zinloze uitspraak als talent synoniem zou zijn van begaafdheid: ieder krijgt talent al naargelang van zijn talent?…

Anderzijds gaat het over het Rijk der hemelen. Wij kunnen ons moeilijk voorstellen dat het goed gebruikmaken van je natuurlijke aanleg, hoe prijzenswaardig dat ook moge zijn, daarbij het ultieme criterium zou uitmaken. Wat doe je dan met minderbegaafden op welk domein dan ook? Steeds opnieuw toont Jezus zijn zorg en voorkeur voor de kleinen. Zou Hij dan plots zo veeleisend zijn voor zwakke, weinig begaafde mensen?

Talenten waren in Jezus’ tijd heel concreet en reëel geldstukken. Eén talent had de waarde van ongeveer vijfentwintig kilogram zilver of goud. Daarom waren de kostbare munten uit hetzelfde edelmetaal vervaardigd.

Het ging dus niet over wat zakgeld om in je portemonnee mee te nemen. Om je er een idee van te geven: één zilvertalent kwam overeen met circa tweeduizend euro; één gouden talent met zowat veertigduizend euro. Je kunt dus beter spreken van kapitaalaandeelbewijzen of waardecheques.

Als het in de parabel dan niet gaat over aanleg en begaafdheid, dan toch uiteindelijk ook zeker niet over geld, het slijk der aarde: wat heeft dat nu met het Rijk der hemelen te maken?

Dit evangelie is inderdaad geen blijde boodschap voor financiers en bankiers. In die kringen zou ze trouwens op ongeloof en hoongelach onthaald worden. Kom nu! Dat je aan een klant die zijn vermogen bij je belegt het basiskapitaal garandeert, dat is normaal. Maar honderd procent rente? En de bank dan, waar moet die dat vandaan halen? Waar moet die van leven? Hoe moet die zichzelf verzekeren tegen alle risico’s?

Toch blijven wij even het spoor van de gelijkenis volgen om op het gepaste moment de overstap te maken van het materiële naar het spirituele goud of zilver van het Rijk der hemelen.

De heer des huizes heeft voor de duur van zijn buitenlandse reis zijn vermogen toevertrouwd aan zijn personeel. Uiteraard wordt het hun bezit niet. Zij moeten het beheren en het hem bij zijn thuiskomst terugbezorgen. En op dat moment gaan er zich toch wel enkele eigenaardige dingen voordoen.

Zo moet het ons, mensen van deze economische hoogconjunctuur, toch wel verwonderen dat er niemand naar voren moet komen om te zeggen dat hij failliet is. Sorry, mijnheer, maar ik ben uw centen kwijt. Ik heb gespeculeerd en ik heb verloren. Zo iemand is er evenwel niet bij. De heer des huizes zal wel uitgekeken hebben wie hij als beheerder aanstelde: niet de eerste de beste, maar mensen die te vertrouwen waren en de nodige garanties boden.

Het kan ons ook verbazen dat er geen rentmeester voor de dag is gekomen met andere, meer ‘normale’ resultaten dan wel vijf plus vijf, of drie plus drie, of één blijft één. Waarom geen ‘logischer’ uitslagen, zoals vijf plus drie, drie plus twee, of zelfs één plus één? Maar ja, het evangelieverhaal is wat het is. Zo heeft Jezus het verteld. Zo moeten wij het lezen en daaruit zijn boodschap trachten te verstaan.

De kern van het verhaal speelt zich ongetwijfeld af rondom de derde knecht. Als die aan de beurt is, dan komt het ogenblik van de verrassing.

Op het eerste gezicht immers lijkt deze dienaar ons de verstandigste van de drie. Speculeren met geld, met andermans geld nog wel, daar hebben wij het niet op. Maar ja, die twee hier hebben geluk gehad. Moet je hen daarom zo de hemel in prijzen omdat ze geboft hebben? En vooral, moet je daarom de derde, de verstandige en voorzichtige, zo de grond in boren? Hij wist bovendien, zegt het verhaal, dat zijn chef een lastige vent was en heeft daarom geen enkel risico genomen. En juist deze correcte kleine man vliegt eruit.

Als reden geeft de baas op: luiheid, nietsdoenerij. Een slechte en onnutte knecht, noemt hij hem. Maar de man is toch niet lui? Hij heeft toch duidelijk de handen uit de mouwen gestoken en de moeite gedaan om het geld veilig op te bergen?

Het woordje lui is een niet zo gelukkige vertaling van het Griekse okneros. Dit betekent niet lui, maar bangelijk, besluiteloos. Het duidt iemand aan die om dit soort redenen (onzekerheid, constant geaarzel, valse schaamte) niet of nooit tot handelen komt. Hij is bang. Hij heeft geen vertrouwen in zijn overste, met als gevolg dat hij geen risico neemt, dat hij maar liever niets onderneemt. Je hebt van die mensen die alles in regeltjes en kadertjes willen hebben om zelf niets te hoeven wagen, geen eigen initiatief hoeven te nemen. Maar zo zit het leven niet in mekaar. Leven is altijd opnieuw proberen en riskeren. En daar gaat het precies over.

Dit lijkt ons het geschikte moment voor de overstap van de talenten als slijk der aarde, niet naar de talenten als natuurlijke begaafdheden, maar naar de talenten als de goederen van het Rijk der hemelen: wat ze zijn en wat je ermee doen moet, opdat ze zouden renderen.

In ieder geval zijn het zaken die je niet mag ingraven om ze te bewaren, die je niet mag oppotten op een veilige plek, want dan vergaan ze; maar waarmee je hij bepaling speculeren moet, risico’s nemen moet, ‘woekeren’ moet.

Wat die goederen dan wel zijn? Op bijna iedere evangeliebladzijde worden ze vernoemd. Het zijn menselijke handelingen en houdingen die alles te maken hebben met broederliefde en dienstbaarheid, met solidariteit en bekommernis, met barmhartigheid en vrede; die dus alles te maken hebben met de medemens, in de eerste plaats de kleine en hulpbehoevende: dingen die je voor hen doet, die je met hen deelt.

Artistieke of muzikale aanleg en begaafdheid zijn geen talenten in de evangelische zin van het woord, maar ze kunnen het worden of ermee versmelten; er als kunstenaars mee woekeren, niet enkel voor eigen imago en genoegdoening, maar in de dienst van mensen: om hen uit de dagelijkse sleur te bevrijden door schoonheid en ontroering die schoonheid meebrengt.

In het begin van het parabelverhaal werd van de evangelische talenten, de liefde en de goedheid, de zachtheid en het geduld, gezegd dat ze aan iedereen worden toevertrouwd, al naargelang van de eigen bekwaamheid. Dat wil zeggen dat van iedereen het onderste uit de kan wordt verwacht, en tegelijk dat van niemand méér wordt gevraagd dan waartoe hij in staat is. Daarom is evangelisch rendement ook radicaal alles of niets. Want liefde en goedheid die zichzelf niet wegdenken en wegschenken, keren om in liefdeloosheid en hardvochtigheid en zelfs in onvermogen om lief te hebben of goed te zijn. Maar in het andere geval is het één en ondeelbaar: alles, honderd procent liefde en goedheid, honderd procent voor wie ze schenkt, honderd procent voor wie ze ontvangen, honderd procent van en voor de Schepper van leven en liefde.

Volgende zondag, de laatste zondag van het liturgisch jaar, feestdag van Christus-Koning, is het vervolg van Matteüs’ evangelie aan de beurt. Jezus schetst dan een visioen van de wederkomst van de Mensenzoon, de Koning. En daarbij worden onze talenten van goud en zilver nog eens op een rijtje geplaatst. ‘Tot die aan zijn rechterhand zal Hij zeggen: kom, kinderen van mijn Vader, neem het Rijk der hemelen in ontvangst. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed. Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht. Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt aan de minsten van de mijnen, hebt gij aan Mij gedaan.’

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x