Jaar A: DHJ 30

Dertigste zondag door het jaar A – Matteüs 22, 34-40

De discussiegesprekken tussen Jezus en de farizeeën tijdens de enkele dagen die zitten tussen zijn koninklijke intocht in Jeruzalem en zijn gevangenneming, veroordeling en executie, lopen stilaan ten einde.

Vandaag lijkt het wel het hoogtepunt ervan te zijn. De vraag die gesteld wordt is bijzonder belangrijk: wat is het hart van de Thora? De woordvoerder van de farizeeën is een wetgeleerde, een echte expert ter zake. Het is de enige keer dat Matteüs dat woord gebruikt, hetgeen extra wijst op het belang van de kwestie en de situatie.

De vraag naar het voornaamste gebod was onder wetgeleerden niet onomstreden. De gegeven antwoorden verschilden van elkaar. Uiteraard waren ze nooit helemaal tegengesteld of verkeerd, maar soms wel wat eenzijdig. Maar dan zien wij niet goed, hoe men Jezus met deze vraag op de proef kan stellen, dat wil toch zeggen Hem tot een antwoord dwingen waarmee Hij zich compromitteert, gezien toch de open discussie die verschillende antwoorden of in elk geval verschillende accenten accepteerde, zo niet tolereerde.

De vraag betreft ook niet de onderlinge rangorde van de geboden, maar zoals gezegd, de kern van de zaak, het centrum van de Thora, het Woord waar je alle andere uit kunt afleiden; of zoals Jezus zijn antwoord besluit: waar heel de Wet en de Profeten aan hangen.

De proef die Jezus moet afleggen, betreft zijn visie daaromtrent, maar vooral ook de wijze waarop Hij zijn antwoord staaft en motiveert vanuit de Wet, vanuit de Schrift zelf. Daarom is er die wetgeleerde bij, die expert: om vast te stellen of de omstreden Rabbi ook zelf de wetgeleerde is waarvoor Hij zich toch tegenover zijn aanhang en tegenover de religieuze leiders uitgeeft; en om Hem eventueel (‘allicht’, denken of hopen de farizeeën) te strikken en te wijzen op fouten en gebreken in zijn argumentatie. Maar dat gebeurt niet volgens het relaas. Jezus moet wel voor honderd procent in het examen geslaagd zijn, want er volgt geen enkele reactie.

Jezus’ antwoord is een heel bekende evangelietekst. Je voelt meteen aan dat er iets bijzonders en belangrijks gezegd wordt. Tegelijk zien wij ons toch voor enkele problemen geplaatst.

De geboden van de Thora! Wij kennen de tien geboden van God uit onze oude catechismus; en wij weten dat die de vrij exacte weergave zijn van de zogeheten decaloog uit het boek Exodus: door Jahwe aan Mozes op de berg Sinaï op twee stenen tafelen overgereikt. En die beginnen met wat onze catechismus heeft samengevat als: ‘Bovenal bemin één God.’

Dat is wat de Heer Jezus ook in eerste instantie als antwoord geeft, zij het geciteerd uit dat andere oude Thoraboek Deuteronomium (Dt 6,5): ‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand.’ Van de andere negen spreekt Hij niet. Anderzijds houdt Hij het evenmin bij enkel dat eerste.

Er is een tweede gebod, zegt Hij, aan het eerste gelijk of gelijkwaardig: ‘Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.’ Dat staat zo niet in de decaloog; dat is geen citaat uit Deuteronomium. Dat staat te lezen in een derde Thoraboek uit de Pentateuch, het boek Leviticus (Lv 19,18): ‘Bemin uw naaste als uzelf, waarop hetzelfde vers nog vervolgt met ‘Ik ben uw God’.

Als Christus deze beide, het eerste en het tweede, gelijk of gelijkwaardig noemt, dan heeft Hij daar wel een goede reden voor en een specifieke bedoeling, precies op het niveau van de discussie onder collega-wetgeleerden.

Het is namelijk een teken van je competentie en van je gelijk, als je één bepaalde Bijbeltekst die je als antwoord citeert, daarenboven bekrachtigt door een tweede tekst die daaraan ‘gelijk’ is. Dat wil niet zeggen: letterlijk dezelfde – dat hielp de zaak niet verder – maar waarvan bijvoorbeeld en ten minste één heel belangrijk en sterk geaccentueerd woord of begrip identiek was. In ons geval het werkwoord ‘beminnen’. Dan legt de tweede tekst de eerste uit. En vice versa, als je wilt. God liefhebben betekent in de praktijk: je naaste beminnen.

Johannes schrijft in zijn commentaar over de liefde als voornaamste gebod: ‘Als iemand zegt dat Hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar’ (I Joh 4,2oa).

Paulus’ commentaar in de brief aan de Romeinen (Rom 13, 8-10) luidt: ‘Wie zijn naaste bemint, heeft de wet vervuld. Want de geboden “gij zult niet echtbreken, niet doden, niet stelen, niet begeren”, en alle andere (alle overige van de decaloog buiten het “eerste”) kan men samenvatten in dit ene woord: “bemin uw naaste als uzelf”.

Paulus kennende wil dat in het geheel niet zeggen dat Christus of de christenen het eerste gebod veronachtzamen, maar dat beide geboden voor hen ‘gelijk’ zijn: te-gelijk van tel en toepassing. Niet het object van het beminnen is identiek – in het eerste geval God, in het tweede geval de mens – maar wel dat in beide gevallen het eigen ‘ik’ niet of niet langer als centrum van het bestaan beschouwd wordt, echter wel de ander: enerzijds de gans Andere, God; anderzijds de andere mens, je naaste, als was hij jezelf.

De Heer Jezus is dus geslaagd in zijn examen wetgeleerdheid. Maar dat is lang niet het belangrijkste aspect van zijn antwoord. Dat Hij op deze vlotte wijze de oude Schrift citeert en zodoende zijn kennis van de Thora bewijst, is één zaak. Dat Hij daarenboven onmiskenbaar en duidelijk ‘uiterharte’ spreekt, is nog heel wat belangrijker: dat Hij dit naar voren schuift als zijn eigen doorvoelde en doorleefde visie op zijn mens-zijn, de zin en het doel van zijn bestaan. Zijn antwoord is zijn geloof, zijn engagement.

Het centrum van zijn leven lag bij de Vader. Daarvan is de Heer zich helemaal bewust. Zijn relatie tot zijn Vader in de hemel is er een van totale verbondenheid en overgave.

Tegelijk weet Hij dat zijn relaties met mensen daaruit voortvloeien Dat is niet iets heel anders. De manier waarop Hij met de zijnen omgaat, zij het nu vriend of tegenstander, is noch min noch meer de concretisering van zijn kind-zijn-van-God. Het een kan niet zonder het ander. Liefde voor God en liefde voor de mensen horen bijeen.

Maar het is ook niet gewoon hetzelfde. Beide zijn niet verwisselbaar met elkaar; beide zijn wel elkaars complement. Je kunt niet zeggen: ik bemin God en dus ook automatisch de naaste. Of andersom: ik houd van mensen en dus automatisch ook van God. Het zijn niet twee fundamenteel verschillende opdrachten of levensattitudes die niets met elkaar te maken hebben. Het is een tweevoudige opdracht. Het gaat over twee verscheidene facetten van je geloofsfundament.

God beminnen geeft aan de liefde de gestalte van de aanbidding.

Je naaste beminnen geeft aan de liefde de gestalte van de dienstbaarheid.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x