Jaar A, DHJ 3

Derde zondag door het jaar A – Matteüs 4,12-23

Na Doop en woestijn begint de Heer Jezus aan zijn levenswerk, zijn openbaar leven noemen wij het. Kort samengevat vertelt het dagevangelie ons drie dingen over Hem: waar Jezus woonde, wie zijn eerste vrienden waren, en wat Hij is beginnen te doen, namelijk prediken en genezen. Zo staat zijn activiteit geresumeerd in het laatste vers, aan het slot van Matteüs’ vierde hoofdstuk.

Aansluitend wordt die prediking beschreven in de hoofdstukken 5 tot 7, de zogeheten Bergrede, en de genezingsmirakelen in de hoofdstukken 8 en 9. Hoofdstuk 9 zal eindigen met nagenoeg hetzelfde vers als onze evangelielezing van vandaag: ‘Jezus ging rond door alle steden en dorpen; waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen genas.’ Het tiende hoofdstuk gaat dan weer over de vriendenkring, de apostelen en hun eerste zending.

Over al deze zaken, de vrienden, de prediking en de genezingen, zal het dus nog volop gaan in de komende tijd. Ook wij moeten er nu niet op ingaan. Laten wij ons concentreren op het eerste dat vandaag over Jezus verteld werd: zijn woonplaats, temeer omdat Matteüs zelf er uitgebreid aandacht aan besteedt in vergelijking met zijn collega’s Marcus en Lucas, die er hooguit een enkel vers aan wijden: Hij vestigde zich in Galilea.

Wat allereerst opvalt, is dat Matteüs impliciet de reden aangeeft waarom Jezus zich in Galilea is gaan vestigen. De situatie in Judea was te gevaarlijk, zoals bleek uit de gevangenneming van Johannes de Doper. Daarom week Hij uit, zegt de tekst, net zoals destijds voedstervader Jozef bij zijn terugkeer uit Egypte met Vrouw en Kind niet in Bethlehem was gaan wonen, maar ook uitgeweken was naar Galilea. Jezus wil voorlopig Jeruzalem mijden: voor de confrontatie met het jodendom, zijn stad en zijn religieuze leiders was het te vroeg.

Het tweede opvallende detail is dat de evangelist direct de stad van Jezus’ keuze vermeldt: Kafarnaüm. De andere synoptici zullen dat pas iets later vernoemen. Kafarnaüm: aan de oever van het meer van Galilea, dat ook het meer van Genezaret heet en elders het meer van Tiberias en dat groot genoeg was om het van tijd tot tijd ook als zee aan te duiden.

Maar Matteüs voegt daar uitdrukkelijk aan toe dat de Heer niet langs Nazareth passeerde. Dat hoofdstuk is definitief afgesloten. Het gaat niet over de voortzetting van zijn jeugdjaren, maar over een totaal nieuw begin.

Waarom niet Judea maar Galilea? Die vraag hebben wij beantwoord. Ook de vraag: waarom niet Nazareth? Maar nog niet de vraag: precies Kafarnaüm? Omdat, zegt Matteüs, Kafarnaüm in het grensgebied ligt van Zebulon en Naftali, en dat op die manier de profetie van Jesaja in vervulling kon gaan. En dat is voor de auteur van het eerste evangelie van begin tot einde van groot belang. Daarom ook citeert hij, samenvattend, de profetie waarover het gaat.

Maar zelfs met het tweemaal horen in één evangelie en een derde maal in de eerste lezing maakt het voor ons de zaken niet veel duidelijker. Zebulon en Naftali, ooit van gehoord? Wat wordt daarmee gepreciseerd? En wat is de boodschap van die precisering?

In ieder geval is Jezus onmiskenbaar gaan wonen in het noordelijk grensgebied van het land, ver van het centrum. Galilea was in Jezus’ tijd een landstreek die weliswaar joods was, maar helemaal omgeven door heidens land en volk. Vanuit Jeruzalem werd het dan ook wat argwanend en minachtend bekeken. Voor Galileeërs en hun raar dialect haalde men de schouders op. Wat voor goeds kon daarvandaan komen?

Galilea was maar een duister geval, zei men in Jeruzalem. Maar precies dat volk, zo citeert Matteüs de profeet, ‘het volk dat in de duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd. Over hen die in het land van doodse duisternis gezeten waren, over hen is een licht opgegaan.’ Dat is een bekend thema. Dat is het kerstthema, het thema van Johannes’ Proloog: licht in de duisternis. De eerste lezing van vandaag, zoals geciteerd in het evangelie, is goeddeels dezelfde als de eerste lezing op kerstnacht. De volwassen man Jezus realiseert zich door de keuze van zijn woonplaats, geciteerd zijn allereerste daad, van den beginne af de boodschap en de betekenis van de menswording.

Maar Zebulon en Naftali, die blijven voor ons nog steeds in het duister liggen. Zijn zij misschien twee duistere machten uit een oud-Bijbels verhaal? Zeer zeker niet. In de eerste plaats zijn het twee zonen van aartsvader Jakob, twee van de twaalf. Het werden de twaalf stamvaders de erfenis, het beloofde land van Kanaän. Ieder van hen gaf zijn naam aan een provincie in het land dat het koninkrijk van David is geworden. De geschiedenis leert dat na David en Salomo het ene rijk in tweeën werd gesplitst: Judea in het zuiden en Israël het noordrijk. Zebulon en Naftali waren twee van de vier gouwen die samen de landstreek Galilea uitmaakten, ten noorden en ten westen van het meer. Het latere Kafarnaüm was een grensstad tussen beide.

Maar precies dat noordelijk gelegen deel van het noordrijk Israël is als eerste van buitenaf aangevallen. In 733 voor Christus werd het door de Assyrische koning bezet en verknecht. De actieve bevolking werd in ballingschap gevoerd, gedeporteerd, en gedwongen immigratie zorgde voor de afbraak van de eigenheid en de geleidelijke afbrokkeling van de natie.

Zo spreekt de profeet, en nu citeren wij de eerste lezing: ‘In vroeger tijd is oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Naftali.’ Het gewest, Galilea, dat vroeger Israël was, is toen veranderd in een gewest van de heidenen: het Galilea van de heidenen, zegt Matteüs, geïnfiltreerd, ingesloten door de heidenen. Maar, gaat de profeet verder: in de toekomst zal zegen komen over dit gewest van de heidenen om en bij het meer en de Jordaan die er in- en dan weer uitstroomt.

En dan herhaalt de profeet zichzelf in beeldrijke taal: in die tijd is duisternis gekomen over Zebulon en Naftali, maar eens zal een groot licht erover stralen. Het volk dat wandelt in het duister, ziet een groot licht. Aan Zebulon en Naftali zal volop hun oude helderheid worden teruggegeven. Licht in de duisternis. En dat is heden gebeurd, zegt opnieuw de evangelist. ‘Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij.’

Een mooi verhaal, vol symboliek, maar de vraag blijft of het absoluut nodig was daar Zebulon en Naftali bij te halen. Daarom moeten wij durven in te gaan op die beide namen. Oude Bijbelse namen hebben steeds een diepe betekenis die een eigen karakter en levensprogramma inhoudt.

Want Zebulon en Naftali, beiden zijn ze, zoals hun broers, erfelijke dragers van een eigen, zeg maar messiaanse levenskwaliteit. In deze twee worden meteen twee uitersten tegenover elkaar geplaatst. Zebulon betekent letterlijk: woning. Dat wil zeggen: standvastigheid. Naftali betekent: worstelaar. Dat wil zeggen: beweeglijkheid.

Zebulon is volgens de oude traditie van de thoraboeken de man van de actie, met handel en economie als aardse taak. Naftali is daarentegen de man van de intimiteit die omgaat met de binnenkant van de dingen.

Bij zijn levensafscheid had vader Jakob hen, zoals al zijn kinderen, met een bijzondere zegen gezegend. Aan het einde van het boek Genesis zegt Jakob: Zebulon woont aan de zeekant, hij woont aan het strand bij de schepen. Zebulon, de man van de daad, gekarakteriseerd als stabiel en vasthoudend. Naftali, de man van de innerlijkheid, krijgt een ander kenmerk: soepel en beweeglijk. Naftali, zegt Jakob, is een uitgelaten hinde, een jonge stier die door de omheining heen breekt.

Aan het einde van het boek Deuteronomium is Mozes aan de beurt om de stammen te zegenen. Hij wenst aan beiden, Zebulon en Naftali, precies de kenmerkende eigenschappen van de andere toe, zodat ze helemaal elkaars complement worden. Zebulon, de standvastige, raadt hij aan niet ter plekke vast te roesten. Trek eropuit, Zebulon. Aan Naftali, de beweeglijke, raadt hij aan een vast thuis te zijn: Gods zegen rust op u, want de zee en het strand zijn uw woonplaats en bezit.

Land van Zebulon en Naftali, een nieuw licht is over u opgegaan. Jezus is de nieuwe drager van de oude waarden, eens toevertrouwd aan deze twee zonen van Jakob: onwankelbaar in zijn trouw en mateloos om mensen bewogen. Aan de zee, aan het strand, in Kafarnaüm: daar gaat Hij wonen. Vandaar zal Hij rondtrekken door heel de streek. Daar voelt Hij zich thuis, ook thuis bij God, in de intimiteit van zijn Vader. Maar tegelijk staat Hij midden in de dagelijkse realiteit als dienaar van mensen in nood en bedienaar van Gods woord.

En, zegt Hij aan enkele vrienden van het eerste uur: als je wilt meewerken aan de opbouw van het nieuwe Israël, het Rijk der hemelen, dan moet jij – en jij en jij – Mij volgen, even standvastig en beweeglijk, even stabiel en flexibel als Ik ben.

Vissers ben je, vissers zul je blijven. Maar, kom maar mee, Ik zal mensenvissers van je maken. Je eigen vak, je eigen werk, je eigen persoon en talent, zoals je geboren en getogen bent, begaafd en begenadigd, zo roep Ik je, maar van nu af aan: ten dienste van de mensen, voor het Rijk van God.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x