Jaar A: DHJ 29

Negenentwintigste zondag door het jaar A – Matteüs 22, 15-21

Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt. Geef aan God wat aan God toekomt.

Door de eeuwen heen heeft men deze evangeliespreuk als het ultieme Bijbelargument gezien in de discussie over – al dan niet – de scheiding tussen kerk en staat.

Meer populair en wat cynisch wordt er de vraag aan gekoppeld naar de moraliteit en de legitimiteit van belastingen heffen en betalen. Is belastingontduiking zonde, of is het veeleer een aan te prijzen, zij het niet risicoloze moderne deugd?

Zelfs met dat vleugje humor erbij zijn dit geen onbelangrijke vragen; ze verdienen een eerlijk en redelijk antwoord. Maar daar is het in het evangelie niet om te doen. Het evangelie van Jezus Christus is heel wat anders en heel wat meer dan een handboek moraaltheologie of maatschappijdeontologie.

Intussen gaat dit verhaal wel degelijk over belastingen en over de verhouding tussen Rome en Israël, zeg maar: tussen kerk en staat in Jezus’ tijd.

Voor een goed begrip stellen wij even de spelers op de scène voor. De scène is de tempel in Jeruzalem. De tegenspelers van het hoofdpersonage, Jezus van Nazareth, zijn enerzijds de farizeeën, die komen wel vaker aan bod, haast op iedere evangeliebladzijde zijn zij erbij, en anderzijds de herodianen, en die verschijnen maar zelden op het toneel.

In Jezus’ tijd werd Palestina, net als talloze andere landen en continenten, bezet door Rome. Dus stelt zich onvermijdelijk de vraag hoe de plaatselijke bevolking reageerde op deze bezetting en bezettings-macht.

De meningen waren verdeeld, zoals ze dat waren en zijn bij iedere bezetting van een land door een vreemde mogendheid. Die van de Tweede Wereldoorlog ligt nog vers in het geheugen van onze tijd.

De meeste mensen proberen dan steeds ervan te maken wat ervan te maken valt: bezorgd, voorzichtig, onopvallend, verdoken, met steeds een beetje hoop en een stukje trouw in het binnenste van hun hart. Maar er zijn ook meer uitgesproken standpunten, bepaald door enkele leidende figuren met elk hun aanhang.

Je hebt de duidelijke pro’s, de collaborateurs. Meestal is dat niet uit politieke overtuiging, maar omdat zij er wel bij varen en er beter van worden. In ons geval zijn dat de herodianen, de aanhangers van koning Herodes, de Romeinse stroman-koning, zeg maar burgemeester van Jeruzalem. Uiteraard, zeggen zij, betaal je persoonsbelasting, en wel met het daartoe voorbestemde geldstuk, namelijk dat met het beeld erop van keizer Tiberius en het opschrift daarbij: zoon van god Augustus. Geen enkel probleem.

Van de andere kant zijn er de contra’s, het verzet, al dan niet gewapend en ondergedoken. In dit verhaal verschijnen zij niet op het toneel, maar achter de schermen spelen zij duidelijk mee. Zeloten, heten zij. Het Latijnse woord zelus betekent ijver: de ijveraars voor de bevrijding, koste wat het kost. Het was bekend dat Jezus met hen sympathiseerde. De beweging was groot geworden in Galilea en verschillende van Jezus’ leerlingen waren afkomstig uit hun kringen. Maar tegelijk was de Heer bekend vanwege zijn principiële en radicale geweldloosheid. Om die reden keurt Hij hun gewapend verzet niet goed.

Tussen beide kampen in staan de schipperaars in alle gradaties en varianten: de farizeeën. Wij gebruiken het woord schipperaar, zoals het woord huichelaar, bijna als synoniem van farizeeër. Hiermee doen wij hun een zeker onrecht aan, want hun basisbedoeling was ongetwijfeld nobel: zij wilden het geloof, de traditie, de Thora en de tempel intact en veilig bewaren te midden van al dit geweld van de bezetter. En dus was hun redenering: wij zijn wel tegen, maar zo nodig sluiten wij een compromis af. Zij hebben het ervoor over zich te compromitteren. Maar zelf zien zij dat niet als collaboratie.

Herodianen en farizeeën waren dus geen maatjes van elkaar. Over de grond van de zaak waren zij het onderling oneens. Maar zij vonden elkaar in het compromis. En als zij de discussie voeren over die fameuze keizersbelasting, waarvan de herodianen zeggen ‘vanzelfsprekend is dat, ja!’ en de farizeeën ‘ja, maar tegen onze zin en noodgedwongen’, dan zien zij hun kans schoon om zich samen een alibi te verschaffen voor in geval van nood.

Laat ons die kwestie aan Jezus voorleggen, zeggen zij: die man die ons toch altijd maar bekritiseert en ontmaskert. Sowieso zullen wij Hem lig gen hebben. Zegt Hij ja (maar dat zal Hij niet zeggen), dan is ons probleem van de baan. Zegt Hij neen, wat te verwachten is, dan kunnen wij Hem met de vinger wijzen en aanklagen als oproerstoker, opruier, gevaarlijk individu voor de vrede en dus voor ons volk en zijn geloof.

Jezus’ antwoord is een van de weinige Bijbelwoorden waarvan exegeten zogoed als zeker zijn dat het rechtstreeks uit de mond van de Heer afkomstig is. En dus verdient het des te meer onze aandacht.

Maar is zijn antwoord er wel een? Is het niet eerder en uitsluitend een handigheidje om het probleem te omzeilen? Hij trapt niet in de val; Hij laat zich niet strikken in hun vraag. En het zint ons dat Hij die slimmeriken te grazen neemt. ‘Wat is er nu opgelost? Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt; geef aan God wat aan God toekomt. Natuurlijk is dat zo; wie zegt wat anders? Maar wordt op die manier geen religieuze bocht genomen om een maatschappelijk probleem uit de weg te gaan? Meer dan eens heeft het christendom in de loop van de geschiedenis (terecht) het verwijt te horen gekregen dat religie een vlucht is voor de realiteit.

Wie goed luistert – misschien hebben zelfs de herodianen en farizeeën dat gedaan – zal wel degelijk in Jezus’ repliek een reëel antwoord hebben herkend: een antwoord dat weliswaar het gestelde probleem niet vlug even oplost, maar het relativeert en tegelijk de discussie én de problematiek optilt tot een hoger niveau.

Laat Mij die belastingmunt eens zien. Dat vraagt de Heer niet omdat Hij ze nooit gezien heeft, maar wel om de kern van zijn wederwoord aan te brengen. Wat staat erop? Een beeld van de keizer en zijn eretitel: zoon van god Augustus! Zijn jullie van god veranderd? Neen, dat zijn wij niet. Waarom dan dit gecompromitteer en deze strikvraag? Dat is toch voor niets nodig.

De munt draagt het beeld van de keizer. Maar wat dan nog? zegt Jezus. Mij is het helemaal niet om munten te doen. Mij is het om mensen te doen. En de mens, dat is het beeld en de gelijkenis van God. En het opschrift dat iedere mens draagt, luidt: zoon van de levende God. Munten horen aan mensen toe. Mensen horen aan God toe. Geef aan God wat aan God toekomt. Of, zoals de Thora zelf het samenvat: bovenal bemin één God; en daarmee gelijk: de mens, je naaste, bemin hem als jezelf, beeld van God, kind van God.

Gelovig zijn, christen-zijn, zegt Jezus, is in elk geval en altijd: vertrekken van God en aankomen bij God. Een mensenleven behoort toe aan God en niet aan een mens, al is het een keizer die zich een god waant. Als mensen hiervan uitgaan en hiervan leven, krijgen de problemen van alledag een heel nieuw licht, daarom nog geen gemakkelijke pasklare oplossing, maar wel een heel andere vertrekbasis om te zoeken naar antwoord en oplossing.

Trouwens, religie, godsdienst is geen middel om alle mensenvragen op te lossen. Godsdienst is er allereerst voor God: de relatie van een mens met zijn eigen diepste innerlijkheid om ervan te vertrekken en om erbij aan te komen. In dit licht zullen de moeilijkste kwesties en schijnbaar onoplosbare situaties scherper gesteld worden en toch minder snijden en pijn doen. Geen vraag, hoe levensgroot ook, zal de vrede uit het hart wegnemen.

En daarenboven: hoeveel onrecht en leugen, hoeveel verdrukking en geweld, hoeveel afgunst en verdenking zouden onbestaande zijn in een samenleving van mensen die consequent is opgebouwd vanuit dit ene gelovige besef: ik ben een beeld van God; evengoed als jij: jij bent een beeld van God.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x