Jaar A: DHJ 26

Zesentwintigste zondag door het jaar A – Matteüs 21, 28-32

Met deze zondag door het jaar is het liturgisch jaar reeds een heel eind gevorderd. Hoe komt Johannes de Doper vandaag in het evangelie terecht? Dat is toch de figuur van de advent en die is allang voorbij.

Tegelijk zijn wij ook al een goed stuk opgeschoten in het Matteüs-evangelie. Daar treedt Johannes de Doper eveneens in het begin op als de laatste der profeten, de heraut van het komende Rijk en de komende Messias. Maar daarna wordt hij regelmatig opnieuw ter sprake gebracht. In zijn dispuut met de farizeeën en hogepriesters verwijst Jezus geregeld naar zijn voorloper die door hen is afgewezen en miskend, zoals zij de Heer zelf zullen afwijzen en miskennen.

In het Matteüsevangelie zijn wij overigens zo ver dat de reis uit Galilea naar Judea achter de rug is, dat Jezus in Jeruzalem is aangekomen en er door het volk koninklijk ontvangen werd tot ongenoegen van de kerkleiders. Het evangelie van vandaag speelt zich even later in de tempel af, waar de confrontatie met de religieuze gezagdragers haar climax tegemoet gaat en waar de Heer ook nog een paar keer naar zijn voorloper zal verwijzen.

Maar wat is dan wel het verband tussen Johannes de Doper en de parabel van de twee zonen, de ja-zegger die nee-doet en de nee-zegger die ja-doet?

Bij zijn allereerste optreden werd de Doper onder meer door Matteüs genoemd als degene die de profeet Jesaja bedoelde toen hij zei: ‘Een stem van iemand die roept in de woestijn: bereid de weg van de Heer.’ Een roeper dus. Wij hebben hem ooit een schreeuwer genoemd. Hij schreeuwde het uit om het onrecht aan te klagen en te ontmaskeren: ‘adderengebroed’! Daarmee bedoelde hij duidelijk de ja-zeggers die nee-doen, mensen van onrecht, van zonde.

Hij schreeuwde het uit om tot bekering aan te zetten: ‘want het Rijk der hemelen is nabij’. Dat wil zeggen: om de nee-zeggers op te roepen tot ja-doen, mensen van inkeer, van ommekeer, bekering.

Johannes, de voorloper. De Heer Jezus is blijkbaar helemaal in zijn voetsporen getreden. Schreeuwen doet Hij niet, wel parabels vertellen. En dat werkt klaarblijkelijk nog indringender en ontmaskert nog meer.

Deze parabel is niet de allerbekendste. Maar het is er wel een die vaak in de praktijk wordt gebracht, jammer genoeg om zo te zeggen maar half.

Wij maken namelijk de eerste helft los van de tweede om ze dan toe te passen op de anderen, liefst van al op gezagdragers in kerk en maatschappij. Ja-zeggers die nee-doen. Luister naar hun woorden, maar zie niet naar hun daden. En dat zijn de mensen die ons moeten leiden en voorgaan… Dat komt ons goed uit om zodoende onszelf vrij te pleiten van alle fouten en verantwoordelijkheid.

Hetzelfde geldt andersom. De tweede helft van de gelijkenis wordt losgemaakt van de eerste en dan toegepast op onszelf: nee-zeggers die ja-doen. Dat komt ons goed uit om zodoende ons wit te wassen van al ons geknoei. Als tollenaars en hoeren al genade vinden in Jezus’ ogen, dan toch zeker wij met onze kleine gebreken en tekorten.

Het zou even verkeerd zijn onszelf te vereenzelvigen met de eerste helft en de anderen met de tweede helft. Maar daar is weinig gevaar voor, tenzij in periodes en toestanden van depressie en dergelijke.

De realiteit van het leven is dat wij de twee zonen van de wijngaardenier in ons verenigen. Ik ben ze, ieder van ons is ze allebei: met Ons heen en weer tussen ja en neen.

De verbinding tussen ons ja-zeggen en nee-doen heet onrecht, zonde. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.

De verbinding tussen ons nee-zeggen en ja-doen heet bekering die telkens weer mogelijk is voor wie inziet dat ze telkens weer nodig is.

Wegens de inconsequenties en de ontrouw van ons ja, relativeert de parabel onze zelfverzekerdheid en grootspraak tot deemoed en nederigheid.

En anderzijds, ondanks de ergernis en de kwalijke gevolgen van ons neen, relativeert de parabel onze onmacht en mislukking tot hoop en vertrouwen.

Maar je mag dan nooit de twee polen van de vergelijking losmaken van elkaar. Je moet steeds het geheel bijeenhouden als twee aspecten van één realiteit. Het stuk farizeeër in mij én het stuk tollenaar, allebei met hun ja en hun neen, hun neen en hun ja: nooit overmoedig of zelfkritiekloos, ook nooit mismoedigd of hopeloos, nooit wanhopig en moedeloos.

Onze hoop en ons vertrouwen, ondanks onszelf, vinden steun in het feit dat een derde zoon in Jezus’ verhaal ontbreekt: eentje die nee-zegt én nee-doet. Die is er blijkbaar niet. Geen mens té slecht, té min om mee te doen.

Onze deemoed en nederigheid steunen op het feit dat er geen vierde zoon genoemd wordt: die ja-zegt én ja-doet. Ook die bestaat blijkbaar niet: een die zonder zonde is. Een mens kan nooit té goed zijn; daar is geen enkel gevaar voor. Geen mens is helemaal goed. Ook de heiligen niet? Heiligheid is iets anders. Heiligen zijn precies de kampioenen van de bekering, van de hoop en de deemoed tegelijk.

Toch is er één mens die geen neen kent, Hem die wij noemen Onze-Lieve-Heer. Hoe kan het anders, Hij is de Zoon van God. Wel is Hij dicht bij ons gekomen, Mensenzoon geworden. Maar precies zijn uiterst consequente ja, ja en altijd ja, maakt dat Hij voor ons vaak moeilijk, soms gewoon onmogelijk te bereiken is: gans nabij en toch onbereikbaar ver. Een vreemde God is Hij niet gebleven, een God wel.

Ten slotte is er nog die andere éne, unieke, de Moeder, onze Moeder, bij wie wij desondanks helemaal thuis kunnen zijn, omdat zij Moeder is. Ook zij is heel en al JA geweest: zonder zonde, eindeloos nederig en vertrouwvol. Een van haar enige woorden was haar ja-woord, ‘fiat’. Geen zeg-woord-ja, maar een doe-woord-ja: mij geschiede naar uw Woord.

Moge de Moeder haar kinderen leren over haar Zoon: zijn JA aan het leven, zijn JA aan de Vader. Moge zij ons het oeroude kerklied over Jezus Christus leren en het samen met ons zingen: het lied dat Paulus heeft geciteerd uit de mond van de eerste generatie lof zingende christenen:

Jezus Christus is het beeld van God.
Rechtmatig is Hij Gods gelijke.
Maar Hij heeft zich in het beeld van Gods knecht ontledigd:
Hij werd gelijk aan de mens.

En bevonden als waarachtig mens
heeft Hij zichzelf geheel ontledigd.
Tot de dood was Hij gehoorzaam aan God zijn Vader,
ja tot de dood op het kruis.

Daarom ook heeft God Hem zeer verhoogd
en Hem de hoogste naam gegeven,
opdat wij zijn macht erkennen en steeds belijden:
Jezus is waarlijk de Heer.
(Zingt Jubilate, lied nr. 364)

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x