Jaar A: DHJ 25

Vijfentwintigste zondag door het jaar A – Matteüs 20, 1-16a

De werkers van het elfde uur. Een prachtig verhaal. Een parabel waarvan iedere toehoorder doorheeft dat het een allegorie is. De onderliggende dimensie is duidelijk anders en dieper dan wat het verhaal op zich aangeeft.

Volgens de wetten van de moderne economie zit Jezus zonder meer fout. Werkgever noch werknemer zal ooit aanvaarden dat loon niet in verhouding staat tot de geleverde arbeid en de gepresteerde arbeidsduur.

Welke baas wil evenveel uitbetalen aan de laatsten als aan de eersten? En welke arbeider zou zich ’s anderendaags niet gedeisd houden tot het elfde uur, als hij weet dat er met één uur werken evenveel te verdienen valt als met een hele dag?

Wij hebben andere, juistere en wetenschappelijk gefundeerde noties over arbeid, werkeloosheid, loon en salaris. Sociale rechtvaardigheid, ook zoals de kerk ze terecht predikt, houdt ons wel wat anders voor.

In de evangelische parabel gaat het evenwel niet over economie en economische wetmatigheid, of die nu van kapitalistische of van materialistische inslag is, evenmin over sociale rechtvaardigheid in de samenleving. Het gaat over het Rijk der hemelen, zo stelt de verteller in alle duidelijkheid voorop.

Betekent dat dan niet meteen dat deze gelijkenis niet voor ons bedoeld is, niet voor hier en nu, maar voor later, voor de hemel – wat dat dan ook zijn mag? En daar zal het allicht zo zijn als in de parabel beschreven staat. Dat heeft echter weinig of niets te maken met ons concrete leven van alledag.

Maar ook als de verdelende rechtvaardigheid in het hiernamaals op die wijze geordend zou zijn, dan hebben wij het er evengoed moeilijk mee. Als je er even op doordenkt: geen categorieën van heiligen, geen hiërarchie al naargelang van de graad van heiligheid, namelijk de aartsvaders niet minder of meer dan de apostelen, de kerkvaders niet beter dan u of ik. Geen graad van verdienste dus die erkend of verleend wordt.

Van de andere kant is dat natuurlijk moeilijk anders denkbaar. Je kunt nu eenmaal niet gelukkiger zijn dan oneindig gelukkig, niet eeuwiger dan eeuwig. Zo gezien trapt onze parabel enkel maar wat open deuren in… tenzij het Rijk der hemelen, de hemel en de eeuwigheid, toch wel wat te maken heeft met hier en nu, met ruimte en tijd. Zoals wij het zo vaak herhalen: op aarde als in de hemel.

Als Jezus de parabel vertelt aan zijn tijdgenoten, herkennen wij in de kring van zijn toehoorders duidelijk werkers van het eerste en van het elfde uur: enerzijds de schriftgeleerden en anderzijds zijn eigen ongeletterde leerlingen; enerzijds de farizeeën, anderzijds de tollenaars. En de eersten nemen het niet dat Hij zo vlot met de anderen omgaat in plaats van hén te herkennen als de ware gelovigen en die anderen te mijden en op hun plaats te zetten. Maar Jezus is familie van de hemelse wijnbouwer. Hij benadert de mensen dus op een andere wijze: als gelijken, als gelijkwaardig aan elkander, de laatsten zogoed als de eersten. Kinderen zijn kinderen: broers en zussen zijn broers en zussen. Zij krijgen allemaal evenveel van de erfenis. Of ‘zijt gij kwaad omdat Ik goed ben’?

De realiteit is een halve eeuw later als een exacte kopie, een foto van de vorige. Als in de eerste kerk de discussie woedt over de oude getrouwen van het eerste uur en de nieuwkomers van het elfde uur, eisen de eersten hun voorrangsrecht op en klagen dat diegenen die erbij komen, zich niet willen of hoeven te schikken naar hun traditie. Maar Jezus’ leerlingen hebben hun les geleerd, Paulus voorop. ‘Allen zijt gij kinderen van God door het geloof in Jezus Christus. Want gij allen die in Christus zijt gedoopt, zijt ook met Christus bekleed. En er is geen jood of heiden meer, geen slaaf of vrije, geen man en geen vrouw: allen tezamen zijt gij één persoon in Jezus Christus.’

De werkelijkheid van vandaag is nog steeds eender: werkers van het eerste en van het elfde uur, je vindt hen in alle facetten van onze samenleving, in iedere wijngaard die het Rijk der hemelen aan mensen toevertrouwt. Herkennen wij onszelf op de foto? Die vermoeide, afgetobde, getekende gezichten waar daarenboven de ergernis en de wrevel van af te lezen zijn wegens die jonge snaken en nieuwlichters, voor wie het zoveel gemakkelijker geworden en gemaakt is en die het zoveel beter hebben. Dat is toch niet eerlijk, zuchten wij, en wij vergeten dat het gaat over het Rijk der hemelen.

Het Rijk der hemelen waarvan het evangelie telkens weer boodschapt dat het anders is: dat het daar te doen is om gerechtigheid, boven op de rechtvaardigheid als onderbouw, gerechtigheid als overtreffende trap van rechtvaardigheid, gerechtigheid die ook volmaaktheid wordt genoemd, of nog barmhartigheid.
De gerechtigheid is het fundament van de goddelijke economie, de heilseconomie, het heilsplan, de oorspronkelijke en onveranderlijke bedoeling van de Schepper wat het geluk van zijn schepping betreft. Hem gaat het niet over zoveel uren werk en zoveel weken vakantie, over jij zoveel en ik zoveel minder; maar over werk voor iedereen, dat wil zeggen: leven en geluk voor iedereen.

Deze levenseconomie, deze levenskunst zegt dat wie het eerst geroepen is, er direct mee moet beginnen, het eerste uur nog; en dat wie de roepstem pas laat verneemt, toch meteen en voorgoed een voltijdse medewerker wordt; en dat wie veel kan, geroepen is om veel te doen, terwijl de kleine bijdrage van de minder ‘bedeelde’ dezelfde immanente waarde heeft.

In Gods ogen en dus in de ogen van wie in God gelooft, geldt als principe: een evenwaardig leven, een evenwaardige positie, status, rol… voor alle mensen; alle mensen evenveel waard, elkaar waard, elkander waardig; actieven en minder efficiënten, geleerden en ongeletterden, handigen en gehandicapten, pioniers en nieuwkomers, zij die slaven en die slomen, zij die zwoegen en die dromen, de denkers en de daders, de zonen en de vaders.

De hier gebruikte tegenstellingen zijn goeddeels ontleend aan een liedtekst van Willem Barnard, een van zijn allermooiste, in Zingt Jubilate, lied nr. 312. Het is als het ware een homilie op rijm en ritme waarin de predikant zijn toehoorders, ons, die van het eerste uur, de ontevredenen stilaan meer en meer binnenvoert in Gods logica. Die wordt toegankelijker, omdat de tegenstellingen zich ontwikkelen naar relaties, waar naijver en wrevel hebben plaatsgemaakt voor vreugde en tevredenheid; omdat wie na ons komt, die van het elfde uur, mede dankzij ons, die van het eerste uur, het beter treffen of minstens evengoed als wij het ooit getroffen hebben.

Die vroeg zijn aangeworven
van die wordt veel gevraagd:
zij zwoegen van de morgen
tot midden in de nacht.
Die later zijn gekomen,
die krijgen veel te veel,
zij vragen met de vromen
een evenredig deel

De vroegen zijn de vroeden,
de pioniers vanouds,
die God reeds vroeg ontmoetten,
zijn stem is hun vertrouwd.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
de daders en de dromers
een evenredig deel.

De werkers van het elfde,
het late avonduur,
die krijgen toch hetzelfde als ieder pionier.
Die later zijn gekomen,
die krijgen evenveel,
de vaders en de zonen
een evenredig deel…

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x