Jaar A: DHJ 24

Vierentwintigste zondag door het jaar A – Matteüs 18, 21-35

Dit evangelie gaat over barmhartigheid. Bovenaan had als titel kunnen staan: ‘De parabel van Gods grenzeloze barmhartigheid’. Zevenmaal zeventig keer vergeven betekent in Bijbels jargon: altijd vergeven. Dat was in Jezus’ tijd revolutionair zonder meer, want vergeving en vergelding waren tariefmatig bij wet geregeld. Laat ons toevoegen dat wij dat ook niet zomaar zien zitten: altijd alles vergeven. Er zijn toch grenzen waar je niet aan voorbij kunt, al mag je nog zo verzoenings- of vergevingsgezind zijn, zelfs jegens je eigen liefste vriend of kind.

Een parabel wil de boodschap op een bevattelijke en aanschouwelijke manier verduidelijken. De koning in het verhaal is God. De dienaar met die enorme schuld, dat zijn de mensen die wel graag genieten van de hun geschonken kwijtschelding en vergeving, maar die dat niet gunnen aan wie bij hen in het krijt staan, zij het voor een kleinigheid.

De genoemde sommen zijn er om de tegenstelling extra te beklemtonen: tienduizend talenten, dat is zowat twintig miljoen euro, tegenover honderd denariën, dat is minder dan vijftig schamele eurootjes. En God scheldt dat allemaal kwijt en wij zelfs die peulenschil niet.

De parabel van Gods grenzeloze barmhartigheid, in beeld gebracht in de spiegel van de menselijke meedogenloosheid en vergeldingsdrang. Maar dan komt mijn probleem.

Blijkbaar zijn er toch grenzen aan die barmhartigheid. Als het erop aankomt, is er van kwijtschelding geen sprake meer. Sterker nog: de koning trekt zijn eerder gegeven woord terug. Niet dat wij hem geen groot gelijk geven. Er zijn nu eenmaal grenzen, zie je wel!

Maar wordt dat dan niet beter de parabel genoemd van de grenzen van Gods ‘bijna’ grenzeloze barmhartigheid? Is het Bijbelse equivalent van zevenmaal zeventig niet juister: bijna altijd? Of altijd, behalve in het geval dat…?

Bijbeldeskundigen lossen dat probleem zoals steeds op door te zeggen dat het derde deel van de parabel niet authentiek is, dat het een latere toevoeging is. Dan blijft het hele verhaal wel in de lucht hangen, omdat het slot ervan niemand bevredigt. Wij willen weten hoe het afliep, hoe de koning reageerde. Dat moet in het verhaal staan, daarvoor is het toch een parabel.

Als er niet staat wat er nu staat, dan had er moeten staan bijvoorbeeld: en toch bleef de koning zijn gegeven woord van kwijtschelding trouw. Dat staat er niet, integendeel.

Sterker nog: in de slotpassage van een parabel zit haast altijd de pointe, de les. Hier moet men peilen naar de kern van de boodschap: God is grenzeloos barmhartig, maar… En nu is het de hele kwestie om dit juist in te vullen.

In de taal en de stijl van de parabel zouden wij het als volgt kunnen proberen.

God zegt niet: en nu straf Ik je toch, gemene slechterik. Jij hebt de grens overschreden, en dus straf Ik je nog des te harder dan ik eerst van plan was.

God zegt wel: mijn goede vriend, Ik had je schuld uitgewist, maar jij hebt mijn kwijtschelding klaarblijkelijk naast je neergelegd. Jij hebt ze niet aanvaard. Jij hebt zelf je oude schuld weer op je genomen. Als jijzelf niet vergevingsgezind bent, dan komt het erop neer dat je mijn vergeving niet aanvaardt, dat je ze weigert. Wat wil je dan? Wat wil Ik dan?

Barmhartigheid en genade, werkzaam als ze zijn in de schepping, hebben onze medewerking nodig. Je moet ze zelf in vrijheid aanvaarden: van God, van je medemens. Je kunt ze weigeren. Je kunt ja of nee zeggen. En het criterium van ja of nee aan genade en verzoening is je eigen vergevingsgezindheid en vredeswil.

Het is niet zo dat de hemelse barmhartigheid op aarde aan mensen een carte blanche geeft voor losbandigheid, voor een levensstijl van ‘doe maar aan, want God is toch eindeloos goed’. Integendeel, goedheid is een appel aan goedheid. Barmhartigheid is een appel aan barmhartigheid. Genade is een appel aan verzoening en vrede.

In het onzevader bidden wij: vergeef ons onze schuld, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren. Dat betekent niet: zoals wij het doen, God, zo bidden wij U dat Gij het ook doet. Dat betekent wel: zoals Gij barmhartig zijt, Vader, zo bidden wij U dat Gij van ons mensen van verzoening en vergeving maakt.

Het is een beetje zoals bij Moeder Natuur. Die is in staat om al wat mensen haar aandoen, weer goed te maken. De sombere voorspellingen ter zake houden de aarde niet tegen zich telkens weer te herstellen. Maar dat wil niet zeggen dat de mens ongeremd verder kan gaan met zijn aanslagen op het milieu. Dat kwaad straft vroeg of laat zichzelf af. En op den duur gaat de mens ten onder in zijn eigen vuil.

De aarde is eindeloos geduldig met haar bewoners. Maar die moeten haar eerbiedigen zoals ze is; haar bevolken en over haar heersen, zegt het scheppingsverhaal, maar niet haar plunderen en teisteren tot er geen schepping meer is.

Onze cultuur leert ons dezelfde les: onze ‘cultuur’ van recht en vergelding, op zoek maar vaak vruchteloos, of zelfs niet meer op zoek naar een juist evenwicht en een plaats voor de geborgenheid van de vergeving.

Het valt op dat mensen die hun schuld toegeven en hun misstappen en misdrijven bekennen, heel wat gemakkelijker de maatschappelijke vergelding en bestraffing aanvaarden dan anderen die hun fout niet erkennen en blijven wrokken tegen hun terechte veroordeling. Dat is nog veel meer het geval, wanneer wie schuld bekent, ervaart dat er hem door zijn slachtoffer vergeving geschonken wordt. Uiteindelijk herstelt dit de schade niet, maar wel heeft het de pijn en de wonde aan beide kanten.

Daartegenover staat dat harde en muffe circuit van meedogenloze vergelding waar geen vergeving leeft, geen vraag, geen aanbod; en waar nooit een einde komt aan de kringloop van eens gesticht kwaad en onheil.

Tot zover de parabel van de grenzeloze barmhartigheid die je aanvaarden kunt, maar die je ook kunt weigeren.

Toch blijft er nog een andere vraag open, niet essentieel maar toch: hoe het afliep met die ‘overige dienaars’ (ik voel mij veeleer een van hen) die terecht zo verontwaardigd waren over hun collega. Zij waren weliswaar allemaal in hetzelfde bedje ziek, maar dat ene geval liep toch de spuigaten uit.

Die straf is nog veel te mild, gromde de een. Zie je wel dat er grenzen zijn aan de goedheid, constateerde de ander tevreden. Mijn schuld is mij niet kwijtgescholden, mokte een derde, al had hij aan zijn eigen fraude meer dan genoeg overgehouden en dat stilletjes opzijgelegd. Een vierde had het over het nut van zwart geld binnen de economie. En een volgende mompelde onverstaanbaar binnensmonds: ik kan nog heel wat van jullie lekker gaan overbrieven…

Eentje was erbij die zei: mensen, waar zijn wij mee bezig? Met enkele vrienden besloten ze om samen een einde te maken aan hun duistere praktijken en elkaar niet langer te bedriegen en een rad voor de ogen te draaien. Voor de volgende zondag na de mis planden ze een lange wandeling om van de frisse lucht en het zachte groen opnieuw barmhartigheid te leren.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x