Jaar A: DHJ 23

Drieëntwintigste zondag door het jaar A – Matteüs I8, 15-20

Vele mensen zullen vrij sceptisch en afwijzend reageren op deze evangelietekst en op de titel ‘De broederlijke vermaning’ die erboven wordt geplaatst. In een tijd van tolerantie is het toch ongepast zich in te laten met het doen en laten van anderen. Ondertussen echter tiert welig de praktijk van de anonieme beschuldiging en van de verdenking op basis daarvan. En dat is even onaanvaardbaar als de onhebbelijke houding van wie het niet laten kan steeds hardop zijn mening te ventileren over iemand anders: soms rechtstreeks, veel vaker als die ander buiten gehoorafstand is.

Dit evangelie lijkt trouwens niet te passen in de mond van diezelfde Jezus die verklaarde: ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.’ Ofwel gaat dat inderdaad niet samen, ofwel is het begrip zonde hier in een andere zin te verstaan. Daar gaan wij zo dadelijk op in. In ieder geval gaat het bij de zogenoemde broederlijke terechtwijzing nooit over stenen gooien om te straffen en te doden. Integendeel, het gaat over woorden spreken om mensen op te roepen en tot leven te wekken.

En dan is er die andere uitspraak van de Heer die al even contradictoir lijkt met de tekst van vandaag. ‘Waarom zie je de splinter in het oog van de ander en niet de balk in je eigen oog?’ Dus moet het hier op zijn minst over een balk gaan, een balk van een zonde waar je niet omheen kunt kijken.

Dit alles bij elkaar genomen wordt het duidelijk dat in deze perikoop met zonde niet wordt bedoeld datgene wat zich afspeelt in het hart van de mens. Daar is inderdaad niemand zonder zonde. Maar die binnenkant heeft uiteindelijk enkel te maken met de directe relatie tussen Schepper en schepsel, tussen de individuele mens en zijn God.

Hier echter betekent zonde een inbreuk of misstap van een individu binnen de intermenselijke verhoudingen van een gemeenschap. En die mensen worden broeders genoemd en die gemeenschap heet kerk. Voor zover het dan een gemeenschap van mensen betreft, kunnen de leden ervan er met volle recht over beslissen wie erbij hoort en wie niet. Zeker als dit gebeurt op basis van feiten, attitudes en woorden die ingaan tegen de eigenheid van de gemeenschap en dus logischerwijze een uitsluiting betekenen of meebrengen.

En hier komt ons evangelie tussenbeide met de boodschap: doe dat niet zo vlug, broeders uitsluiten. Doe dat niet als het enigszins anders kan. Het argument daarvoor is evenzeer: de eigenheid van de gemeenschap die broederlijkheid heet.

Praat met je broeder, discussieer met hem, vecht met hem. Als je het wint, heb je je broeder gewonnen.

Zo niet, laat je dan helpen, haal er anderen bij, omring je met gelijkgezinden, broeders met misschien méér invloed en overredingskracht. Als je het samen wint – met twee of drie in zijn Naam tezamen – dan heb je samen je broeder gewonnen.

Zo niet, dan moet je nog maar een stap verder zetten, totdat alle stappen gezet zijn die mogelijk zijn.

En daarna, wordt hij dan eindelijk buiten de deur gezet? Zo staat het niet in het evangelie. Er staat: beschouw hem dan als een tollenaar of een heiden.

Nog zo’n uitspraak die volgens ons Jezus moeilijk gedaan kan hebben. Hij had toch een vlot contact met tollenaars en was niet vies van een ontmoeting met heidenen. Met de enen vierde Hij feest; de anderen trad Hij zonder reserve tegemoet in hun nood.

Betekent dat dan niet veeleer dat je de broeders die zich als het ware zelf hebben uitgesloten uit de gemeenschap, toch te vriend moet trachten te houden, toch contact met hen moet blijven zoeken, hun een helpende hand te reiken omwille van steeds weer de broederlijkheid, omwille van de Heer? ‘Waar twee of drie in mijn Naam, om mijnentwil, op zoek naar Mij, met elkaar verenigd zijn, daar ben Ik in hun midden.’

Dit is zeker niet de gewone betekenis die aan dit evangelievers wordt gegeven. Daarom is die nog niet verkeerd, integendeel. En dat wil evenmin zeggen dat de gewone uitleg niet meer zou gelden: een kleine groep, twee of drie zegt de tekst, binnen de grote gemeenschap die op een expliciete en bijzondere wijze gestalte geeft aan de broederlijkheid en ze beleeft – in zijn Naam: als voorbeeld, als teken.

Wat er ook van zij, het grote unieke kenmerk van de broederlijke gemeenschap in Jezus is dat zij gedragen wordt door het samengaan van alle geduld en alle openheid, alle waarheid en alle verdraagzaamheid, alle erbarmen en alle eerlijkheid, alle rechtlijnigheid en alle begrip.

Precies in deze periode gaan onze gedachten vanzelfsprekend uit naar de gemeenschappen die volop in de kijker staan, nu zij aan een nieuw werkjaar beginnen: de scholen, de schoolgemeenschappen. De broeders en zusters van het evangelie zijn in casu de leraars onderling, de leerlingen onderling, maar vooral de leraars en leerlingen in hun wederzijdse relatie.

Ik denk niet dat het dagevangelie de omgang viseert van leerlingen met elkaar: wat je moet doen als een van je medeleerlingen iets uithaalt. Hem onder vier ogen terechtwijzen? Hem heimelijk bewonderen en gelukwensen, ja, voor zoveel lef? Hem voor het forum van de klas dagen? Hem aanstellen veeleer als woordvoerder: ten minste iemand die zijn mond durft te roeren? Hem aanklagen bij de directie? Dat is wel het Iaatste; dat heet verraad, waar het toch vóór alles te doen is om solidareit onder zwakken.

Wel wordt datzelfde evangelie heel leerlinggericht, als je het goed wilt verstaan als een oproep om niemand uit te sluiten uit je kring omdat hij anders is, en om positief samen aan de toekomst te werken.

Wat de verhouding van leraren tot hun leerlingen betreft, de houding van opvoeders ten overstaan van kinderen en jeugd, die varieert in de praktijk tussen de beide uitersten van de gestrengheid en de zachtzinnigheid. En beide extremen beroepen zich op ons evangelie.

Zie je wel, zeggen de enen, de gestrengen: als ze niet willen luisteren, moet je hen buiten de deur zetten. De maatschappij heeft veel te veel compassie met de slechteriken. En dat begint al op school, als wij niet opletten.

Zie je wel, is de interpretatie van de anderen, de zachtzinnigen: je moet eindeloos geduldig zijn met de jeugd. De maatschappij heeft veel te weinig mededogen met de ontspoorden. En dat begint al op school, als wij niet voorzichtig zijn.

Wie als volwassen verantwoordelijke het hart op de juiste plaats heeft voor de jongeren, zal het nooit moe worden of opgeven te streven naar het evenwicht tussen gestrengheid en zachtzinnigheid dat het kenmerk is van de broederlijke gemeenschap in Jezus: het samengaan van alle geduld en openheid, alle waarheid en verdraagzaamheid, alle erbarmen en eerlijkheid, alle rechtlijnigheid en begrip.

In wat voorafgaat hebben we slechts één keer het woordje kerk gebruikt. Nochtans beklemtoont het evangelie het duidelijk naar het einde toe van de escalatie van de broederlijke omgang met dissidente leden om hen terug te winnen. Daar speelt de kerk volop haar rol mee.

In de vier evangelies samen, komt het woord kerk slechts tweemaal voor, tweemaal bij Matteüs: de tweede keer hier, de eerste keer iets eerder, in hoofdstuk 16 – het evangelie van veertien dagen geleden. Hier spreekt Jezus over ‘de’ kerk. Daar had Hij het over ‘mijn’ kerk: ‘Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen.’

Heel opvallend is dat het vers dat onmiddellijk aansluit, tweemaal identiek hetzelfde is: de eerste keer gericht tot Petrus, de tweede keer tot de broeders, zowel de enkeling, de twee of drie in zijn Naam verenigd, als de gemeenschap in haar geheel. ‘Wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn; en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.’

Maar, als dit de macht en het privilege is van Petrus, hoe kunnen dan tegelijk de broeders daartoe gemachtigd zijn: de ene willekeurige enkeling zogoed als de twee of drie in zijn Naam verenigd als de gemeenschap van de kerk?

Maar, zoals wij het veertien dagen geleden hebben gezegd wat Petrus en diens opvolger betreft, zo herhalen wij het vandaag voor iedereen en allen: het gaat niet over macht, over te gebieden en verbieden hebben, over kunnen uitsluiten al dan niet. Het gaat over verantwoordelijkheid, over zending en genade, ieder op zijn eigenste plaats binnen die grote Jezusgemeenschap van broeders en zusters:

de zending en de genade, de taak en de verantwoordelijkheid om te binden en te ontbinden, om te verenigen en te bevrijden, om een levend appel te zijn tot eenheid en verzoening, om elkaar – geduldig en in alle openheid, waarheidsgetrouw en verdraagzaam, barmhartig en eerlijk, rechtlijnig en vol begrip – voortdurend tot het leven te roepen.

Wij zijn broeders en zusters van elkaar, niet omdat wij elkaar uitgekozen hebben, maar
omdat wij aan elkaar geschonken werden: om elkaar te behoeden en te stimuleren, om elkaar gaande te houden op de weg van Gods droom.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x