Jaar A: DHJ 21

Eenentwintigste zondag door het jaar A – Matteüs 16, 13-20

Toen paus Benedictus XVI in augustus 2005 zijn eerste buitenlandse reis maakte, met name naar Keulen om er de wereldjongerenbijeenkomst bij te wonen, was dit het evangelie van de afsluitende eucharistieviering.

Het leek wel met opzet voor de gelegenheid uitgekozen, met als expliciete bedoeling de evangelische grondslagen van het pauselijk ambt en gezag in het volle licht te plaatsen. Maar het was gewoon het evangelie van de dag, net zoals vandaag de eenentwintigste zondag door het jaar van de A-cyclus.

Dat neemt niet weg dat het een prachtig evangelie was voor deze gelegenheid, maar zeker niet in de eerste plaats om alle aandacht te vestigen op pauselijke macht ten overstaan van die massa vooral jongere christenen daar aanwezig.

Want dit evangelie gaat zoals steeds in de eerste plaats over Jezus de Heer en niet over Petrus bijvoorbeeld, ook al treedt die nog zo opvallend op het voorplan.

In het evangelie is het in de eerste plaats om Jezus te doen; ook hier, als Hij aan zijn leerlingen, de twaalf van toen in Caesarea Filippi, de honderdduizenden in Keulen, maar ook aan ons hier en nu de vraag stelt: niet zozeer ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ als wel ‘Wie zegt gij dat Ik ben?’. In het evangelie is het in de eerste plaats te doen om Jezus en dus ook om het antwoord dat zijn leerlingen, de twaalf van toen in Caesarea Filippi, de tallozen in Keulen, maar ook het antwoord dat wij hier en nu op Zijn vraag geven.

Als de juffrouw of de meester in de klas aan de leerlingen een vraag stelt, zo in het algemeen en waarvan verwacht mag worden dat iedereen het antwoord kent, dan gaan de vingers de lucht in en popelen de kinderen ongeduldig om te worden aangeduid om het te zeggen. Want zij kennen het inderdaad allemaal.

Maar er is er altijd wel eentje bij die zich niet bedwingen kan en die spontaan en direct hardop antwoordt.

Petrus was er zo eentje. Toch nemen noch de Meester, noch de medeleerlingen het hem kwalijk. Zij kennen hem immers. Het is zo gemeend wat hij zegt. Hij doet het met zoveel verve, overvloedig en zonder enige reserve: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.

Meteen neemt de situatie een andere wending, in die zin dat die ene, in casu Petrus, als het ware gesproken heeft in naam van alle anderen, en dat ze allemaal even benieuwd zijn of ‘hun’ antwoord het juiste is.

Als het verkeerd is, maar dat zal wel niet, dan is Petrus het geweest. Maar als het juist is, dan is het meteen eenieders antwoord geweest, Petrus op kop. Niemand misgunt het hem dat hij de felicitaties van de Meester in ontvangst mag nemen. Proficiat, zegt de Meester. In de taal van de Bijbel is dat: zalig zijt gij, Simon, uw antwoord is perfect.

Petrus’ antwoord bestond er in feite in dat hij Jezus een extra naam toevoegt die zijn eigenheid, zijn karakteristieke geaardheid, zijn functie, zijn taak weergeeft; datgene wat Hij voor de mensen, voor de leerlingen te betekenen heeft: Gij Jezus, Gij zijt de Christus, dat is (het Griekse woord voor) de Gezalfde, de Zoon van de levende God.

Vanwege dit antwoord en blijkbaar als beloning ervoor geeft Jezus dan op zijn beurt aan Simon een karakteristieke bijnaam: gij zijt Petrus, dat is (de Griekse vertaling van kefas) steen, rots, kei.

Dit evangelie wekt de indruk dat Petrus hier voor het eerst die erenaam krijgt. Bij Matteüs is dat zo. Maar zowel bij Marcus als bij Johannes wordt Simon reeds bij zijn roeping Petrus genoemd.

In de eerste namenlijst van de uitverkoren leerlingenvermeldt Marcus twee mannen met de naam Simon. Misschien heeft Jezus – ofwel Marcus – hun allebei een toenaam gegeven om hen uit elkaar te houden: Simon, de ijveraar, en (onze) Simon, de kei. Maar dan moet er wellicht een reden voor geweest zijn om hen zo te noemen. Allicht had het met hun karakter of geaardheid te maken. De traditie wil dat de ijveraar een medestander was van de partij der zeloten die ijverde voor de opstand tegen de bezet- ter. Ergens moet ónze Simon dus ook wel een kei geweest zijn – keigoed, keitof, zegt de jeugd vandaag. Al lijkt een vleugje humor of ironie daarbij niet ondenkbaar, omdat Petrus vanaf het begin bekend stond als even hevig (een kei inderdaad) als wisselvallig en wispelturig (eerder van rubber dan van steen), onze ‘kei’.

Trouwens, als Marcus en Lucas van deze episode van Caesarea Filippi vertellen, dan vormt het Matteüsverhaal van vandaag bij hen enkel de eerste helft van het gebeuren. Onmiddellijk daarop aansluitend en deel uitmakend van hetzelfde gesprek volgt Jezus’ eerste lijdensvoorspelling, met Petrus’ hevige protest-reactie. Dat verhoede God, Heer. Het kruis, dat is er te veel aan; dat kan niet. En Jezus noemt diezelfde Simon, enkele ogenblikken geleden nog zalig geprezen, nu de duivel in persoon. Ga weg van Mij, Satan.

Ook bij Matteüs volgt de ene scène de andere op; maar bij hem zijn beide delen duidelijker van elkaar gescheiden, net zoals onze liturgie in de A-cyclus het doet: vandaag en volgende zondag. Zo komt het meer over als twee op zich staande gehelen waar het verband, de directe tegenstelling tussen beide wezenlijk is en blijft voor het goede begrip van de kern van de evangelische boodschap: geen Christus zonder kruis.

Waarom Matteüs beide gegevens van elkaar aflijnt, ligt voor de hand. Hij wil hier het volle accent leggen op dit ene facet: Petrus’ antwoord, in naam van de twaalf, op Jezus’ cruciale vraag; en daarmee onlosmakelijk verbonden Jezus’ wederwoord. Een gedicht van twee verzen, helemaal symmetrisch met elkaar: Gij zijt Christus, de Gezalfde. Gij zijt Petrus, de kei, de steenrots.

Als Jezus extra onderstreept ‘Simon, gij zijt Petrus; gij heet al langer zo, maar nu bevestig Ik het ten volle’, dan gaat het niet meer om zijn hevig maar wisselvallig karakter (dat verander je trouwens zomaar niet), maar over zijn taak, zijn functie, zijn roeping: wat hij te betekenen heeft voor de mensen, voor zijn vrienden, zijn medeleerlingen. En dat is: hun woordvoerder te zijn, te spreken in hun naam, hun steenrots te zijn op wie zij kunnen bouwen, met wie zij hun relatie met de Heer kunnen uitbouwen. Maar zijn taak is het ook de steenrots van de Heer te zijn waarop Jezus bouwen kan, zijn gemeenschap, zijn kerk bouwen, opbouwen kan.

Zo bevat het evangelie van vandaag toch ook onmiskenbaar een duidelijke boodschap over de rol en de betekenis van wie vandaag de dag is uitverkoren en aangesteld als Petrus’ opvolger.

In de eerste plaats: dat hij uit ons aller naam aan de Heer Jezus het antwoord geeft dat wij ergens op de lippen en vooral diep in het hart dragen, namelijk Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. De paus is vóór alles de voorganger van de christenen in hun credo.

Maar evenzeer en tegelijk geldt zijn bevestiging door de Heer als steenrots. Dat wil zeggen dat de kerk wereldwijd op hem bouwen mag:

op hem rekenen kan voor het bezegelen en zegenen van de grote hunker naar vriendschap en vrede die mensen en christenen in Jezus’ naam verenigt: wat gij op aarde verbindt, zal ook in de hemel verbonden zijn;

op hem rekenen kan voor het bezegelen en zegenen van de grote hunker naar bevrijding en verzoening, voor het doorbreken van alle banden an onrecht en geweld die de wereld in hun macht houden: wat gij op aarde ontbinden zult, zal ook in de hemel ontbonden zijn.

Meestal worden deze evangelieverzen gelezen en uitgelegd als de basis van pauselijke macht. Maar macht is zo’n moeilijk woord in deze context, als het vóór alles toch over de Heer Jezus gaat, gekomen om te dienen en niet om gediend te worden.

De boodschap van Caesarea Filippi gaat wat Petrus en zijn opvolgers betreft, niet zozeer over wat een paus aan de kerk te zeggen en te vragen heeft, van de kerk te verwachten en te eisen heeft, als wel wat hij voor de kerk te betekenen heeft. Dat wil zeggen: wat de kerk van hem verwachten mag, verwachten moet, omdat hij daarvoor de zending en de genade heeft ontvangen:

de zending en de genade om te binden en te ontbinden, te verenigen en te bevrijden, om te zegenen en te bemoedigen, om op te roepen tot trouw en inkeer, om een levend appel te zijn tot eenheid en verzoening;

en nogmaals, de zending en de genade om allereerst onze voorganger te zijn in het credo: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x