Jaar A: DHJ 20

Twintigste zondag door het jaar A – Matteüs 15, 21-28

Het geloof van de vreemde moeder mag dan al één voorbeeld uit de duizend zijn, de houding van Jezus lijkt ons op zijn minst verwonderlijk: een mens in nood afwijzen om ogenschijnlijk racistische redenen; en het dan nog hardop zeggen ook: jij-hond, jij-niet-kind-van-mijn-Vader! Zoiets is toch niet denkbaar. Daar moeten andere motieven achter schuilgaan.

Is het niet veeleer een pedagogie van de Meester die zo optreedt om zijn leerlingen deze demonstratie van groot geloof te laten meemaken, of om de vrouw zelf die de weg van de beproeving zo ver laat leiden? Pedagogie, zoals je ze toepast bij vragende, zeurende kinderen: eerst hun gezeur negeren; daarna hen wegsturen – om er vanaf te zijn; vervolgens hen afsnauwen: dat is niets voor jullie; om ten slotte toch toe te geven aan hun blijvend aandringen.

Pedagogie, zoals de Heer ze blijkbaar elders ook heeft toegepast, bijvoorbeeld bij de Samaritaanse vrouw. Maar die ontmoeting staat opgetekend bij Johannes, de pedagoog. En daar is het Jezus die aandringt en blijft aandringen totdat de vrouw schoorvoetend toegeeft. Het verhaal van de Kananese lezen wij bij de verhaler Matteüs. En hier is het de vrouw die aandringt, totdat de Heer uiteindelijk zwicht.

Die zogezegde pedagogie voldoet ons geenszins als verklaring voor de gedraging van de Heer Jezus. Het is niet meer dan een vergezochte speculatie om het toch maar te kunnen uitleggen. Misschien dat wij Jezus in de verhalen over zijn doen en laten te zeer bekijken als een statische figuur, een stenen beeld, een afgewerkt product, een computer uit de hemel neergehaald: je vragen steek je erin en de afgeronde antwoorden rollen er zo uit.

Allicht zien wij de Heer te weinig in zijn volle menselijkheid, als mens tussen de mensen. Zo heeft God Hem gewild: groeiend zoals mensen groeien (het lijkt bijna oneerbiedig te veronderstellen dat de mens naar Gods hart, Jezus, nog zou kunnen, nog zou moeten groeien), door zijn mens-zijn-met-de-mensen heen groeiende naar het volkomen besef en het volle bewustzijn van zijn taak, van zijn zending, van de wil van zijn Vader, van de bedoelingen van het Koninkrijk.

Sinds het begin van zijn loopbaan is zijn vaste leefregel: de komst van het Koninkrijk, de wil van de Vader. Sinds het begin betreft zijn zending: het uitverkoren volk, Israël.

De kleine excursie naar de streek van Tyrus en Sidon, naar niet-Joods, naar -heidens gebied, naar het buitenland, is als een welkome korte vakantie. Het werd in Galilea even te veel en te spannend. Hier kan Jezus op adem komen. Hier kent niemand Hem. Een pauze, een rustpunt, even niet de volle druk van het dagelijkse bezig zijn in woord en daad. Mensen hebben dat nodig. Jezus heeft dat nodig.

Maar de moeder uit den vreemde, niet op vakantie is zij, maar lijdende met haar zieke kind, komt even deze plannen verstoren. En de Heer lijkt niet goed te weten wat te doen. Hij lijkt in beraad met zichzelf. Hij zwijgt, zegt het verhaal, zwijgen om te luisteren en te denken (of menen wij dat de mens Jezus nooit heeft nagedacht?): wat zou de Vader nu van Mij verwachten of wat zou Hij voorhebben met deze situatie buiten het scenario?

Zwijgend bidden, of noem het denkend luisteren, laat mensen toe om veel te ontdekken. Ook de Heer heeft op die manier, groeienderwijze, de wil van de Vader ontdekt. En de Hem omringende mensen, wat zij doen en zeggen, hebben die meebepaald. Ook nu bepalen zij mee wat er te gebeuren staat: zijn leerlingen, maar vooral de vrouw in nood die een beroep op Hem doet, die bij Hem aandringt en blijft aandringen.

Niet het argument van de leerlingen werkt verhelderend: stuur haar heen, Heer, dan zijn wij ervan af. Geef toe of geef niet toe aan haar verzoek, zoals jijzelf best vindt; maar wat is nu zo’n onbelangrijk mirakeltje, als wij daarmee onze vakantie kunnen redden?

‘Ervan afgeraken’ is niet het juiste argument om de opdracht, tot nu toe begrepen als ‘ga naar de kinderen van mijn uitverkoren volk, Israël’, als dusdanig te blijven begrijpen of te doorbreken in zijn enge begrenzing en te verruimen wereldwijd, indachtig het woord van de profeet: ‘Mijn huis zal worden genoemd een huis van gebed voor alle volken.’ Zich zo simpel ontdoen van de moeilijkheden van het moment kan geen vruchtbare bijdrage zijn aan de komst van het Rijk.

Dan komt de episode van de honden en de kruimeltjes. En die werkt wel verhelderend.

De honden zijn de heidenen, zo noemden de joden ze; de kinderen zijn de uitverkorenen voor wie het brood op de tafel bestemd is: het heil van het Rijk. En de kruimeltjes?

Dat heeft de heidense ontdekt – in haar geloof. Zij die van hond-zijn alles afweet, zij getuigt: de kruimeltjes zijn de tekenen van overvloed, de tekenen van brood te veel en genoeg voor iedereen. Er is genoeg voor iedereen.

Op die manier leert de heidense, de ongelovige of beter de niet-erkende gelovige aan de erkende, de officiële gelovige, de jood, de christen, de kerkelijke, welke de enige ware toegang is tot het Rijk: het geloof, maar dan welbegrepen wat zijn essentie betreft: niet dat van de vele waarheden die men kent en de talloze geboden die men onderhoudt, maar het geloof van het aangehouden en vertrouwvolle smeekgebed; het geloof, even nederig als koppig; het geloof dat zich op geen privilege beroept, dat zich geen enkel recht toe-eigent om het brood van de goddelijke vriendschap op te eisen, maar dat instinctief, intuïtief de ondoorgrondelijke en boordevolle goedheid van God heeft erkend: er zal genoeg zijn voor iedereen, dus ook voor mij.

Wat moet Jezus blij geweest zijn met de ontmoeting met zoveel geloof! De mens Jezus, bepaald en getekend als Hij was door zijn achtergrond en cultuur, is al luisterende de stem van de Vader in dit gebeuren gaan ontdekken. Eeuwenoude grenzen van cultuur en religie worden doorbroken. Heidenen en joden elkaars gelijken aan Gods tafel.

Zoals het voor de Heer een stap vooruit was in het groeiende bewustzijn van zijn roeping, zo is dit gebeuren een les voor ons en voor de tijden.

Het Rijk, de dienst van God, de kerk, het geloof: geen starre, statische overtuiging van één enkel groot gelijk, geen waarheidsmonopolie; maar een dynamische, vitale ontplooiing van ‘leven’ en ‘samen-leven’: ook de buitenstaanders, de vreemden horen erbij – al staat die gedachte vaak haaks op onze overtuiging en vooral op onze belangen.

Wie weet of God mij niets te zeggen heeft in die ene mens die ik mijd als de pest en voortdurend opzettelijk voorbijloop. Niet-christenen kunnen soms van ons verstarde christendom opnieuw een stukje levend evangelie maken zodat wij, christenen, het brood opnieuw gaan breken en delen: met elkaar en met hen. En waar christenen vaak door al hun vastgeroeste praktijken en plichtplegingen de smaak en de eetlust voor het overvloedige brood op de tafel hebben verloren, daar kunnen vreemdelingen, anderen dan wijzelf, ons die smaak teruggeven door hun waardering voor de kruimeltjes.

Wat moet de Heer blij geweest zijn met zo’n groot geloof! Laten wij delen in zijn vreugde, als het gaat over geloof dat leeft waar wij het niet bevroeden of onderkennen. Laten wij delen in dit geloof: dat wij het brood waarderen, de kruimels waarderen; dat wij grenzen doorbreken en scheidingsmuren slopen, in ons hart, in de wereld van zoveel barrières tussen mensen; dat wij ons plaatsje vinden aan de grote tafel en dat wij aan niemand misgunnen of ontzeggen om naast ons aan te zitten. Want er is genoeg, plaats en brood genoeg voor iedereen.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x