Jaar A: DHJ 17

Zeventiende zondag door het jaarA — Mt 13,44-52

Vandaag hebben wij de drie laatste parabels gelezen in de reeks van zeven die over drie zondagen gespreid de zogeheten parabelrede uitmaken in hoofdstuk r3 van het Matteiisevangelie.
Voor de overzichtelijkheid en bij wijze van geheugensteuntje noemen wij even de zeven titels op van deze korte en eenvoudige verhalen die Jezus vertelt, als gelijkenissen over het Rijk der hemelen. Ik citeer deze zeven titels, zoals ze boven de tekst staan in onze Willibrordbijbelvertaling:
– De zaaier
– Onkruid tussen de tarwe
– Het mosterdzaadje
– Gist en bloem
– De schat in de akker
– De parel
– Het sleepnet
De evangelist Matteiis is niet enkel een geprivilegieerd ooggetuige, maar ook een bekwaam verslaggever en een literair begenadigd auteur. Dit is wereldliteratuur, ook wat de vormgeving, de constructie betreft. Daarin toont hij zich zeer bedreven bij het samenbrengen van Jezus’ woorden in vijf grote redevoeringen. Maar ook deze ene parabelrede op zich is een model van literaire constructie. En de verdeling die de liturgie gemaakt
heeft over drie zondagen (i + 3 + 3) doet daar geen afbreuk aan, integendeel.
Vooral de vergelijking wat de opbouw betreft tussen de tweede zondag (parabels 2, 3 en 4) en de derde (parabels 5, 6 en 7) is leerrijk en boeiend. Die twee staan tegenover elkaar als in een chiasme, een literaire kruisvorm. De eerste van de tweede zondag, de parabel van het onkruid tussen het goede zaad, is de opponent van de laatste van vandaag, de parabel van het sleepnet. Net zoals de nummers 3 en 4 samen het tegenbeeld vormen van de nummers 5 en 6 samen genomen.
Voor de vergelijking tussen kop en staart is opponent niet het goede woord. Zij zijn elkaars weerspiegeling. Beide zijn het parabels over het goddelijk geduld: zoals het geduld bij het zaaien en het geduld bij het vissen.
Het feit dat verschillende discipelen van Jezus vissers waren, doet ons deze laatste gelijkenis eerder beluisteren naar de apostelen toe. De ene, die van het goede zaad en het onkruid, is dan eerder een antwoord op de eerste vraag: hoe is God? De andere,<over het sleepnet, is eerder een antwoord op de tweede vraag: hoe moeten wij dus zijn? Beide parabels leren ons met wisselende accentuering: de eerste vooral over Gods geduld met de mens, de tweede vooral ook dat geduld een ‘goddelijke’ deugd is voor mensen tegenover elkaar.
Dit accentverschil wordt trouwens bevestigd door het feit dat de parabel over de visvangst en het volle sleepnet niet aan het volk, maar aan de apostelen verteld is. De perikoop van vandaag begint weliswaar met de zinsnede ‘In die tijd zei Jezus tot de menigte’, maar dat is een inlassing van de liturgie; in de Bijbel staat die zin niet.
Daar staat wel enkele verzen eerder dat de Heer de menigte liet gaan en zelf naar huis ging, waar zijn leerlingen zich bij Hem voegden. Nergens wordt gemeld dat het volk is teruggekomen of dat Jezus opnieuw naar het meer is gegaan. Nergens wordt herroepen dat Hij de parabelles, voor de menigte begonnen, achteraf heeft voortgezet voor zijn apostelen.
En dat geldt evenzeer voor de beide eerste parabeltjes van vandaag, over de schat in de akker en over de kostbare parel: eerder tot de apostelen gericht, eerder handelend over wat mensen te doen hebben die het Rijk ontdekt hébben, die reeds overtuigd zijn, zoals wij dat noemden, die
reeds tot de ingewijden behoren. Zij moeten alles maar dan ook alles veil hebben voor dat Rijk, voor die schat, voor die parel: voor de rijkdom in de volle zin van het woord, de rijkdom van het Rijk der hemelen.
Maar laat ons daar toch niet meer in zoeken dan nodig is. Er is nog een andere, misschien wel belangrijkere vaststelling te doen en bedenking te maken.
Wij spraken van de letterkundige kruisvorm, het chiasme tussen vorige week (de tweede, derde en vierde gelijkenis uit de reeks) en vandaag (5, 6 en 7). “Wij vergeleken de eerste van toen en de laatste van nu als zijnde elkaars spiegelherhaling, niet elkaars opponenten dus.
Daarentegen kun je tussen de korte parabeltjes, enerzijds het mosterdzaadje en de gist en anderzijds de schat en de parel, wel spreken van een zekere opponentie, niet dat ze daarom elkaar zouden tegenspreken, maar wel dat ze heel andere facetten belichten en benaderen en daarom elkaar aanvullen.
Als je ze op zich twee aan twee onderling met elkaar vergelijkt, het mosterdzaadje met de gist aan de ene kant, de parel en de schat aan de andere kant, dan kun je de beide eerste onder één titel brengen en ook de beide laatste. Mosterdzaadje en gist zijn parabels over groei, de dynamiek van het Rijk der hemelen: geleidelijk aan maar onstuitbaar, naar boven en naar binnen. Zo ook hebben de schat en de parel eenzelfde onderwerp, namelijk het zijn parabels van de stabiliteit, van de trouw: het door niets zich laten afleiden of laten afbrengen van.
Er is geen onderlinge tegenspraak, zeiden wij, ze zijn elkaars complement: dynamiek en stabiliteit, groei naar steeds nieuwe en ruimere horizonten van de liefde, en trouw aan de onveranderlijke gevestigde waarden van de waarheid.
En zo is het met het Rijk der hemelen. Zo is God: eindeloos dynamisch en grenzeloos trouw. Zo moeten wij trachten te worden om daar actief op te antwoorden: open voor alle goeds dat op ons afkomt en standvastig in wat ons is overgeleverd.
Mensen willen soms maar al te graag een wig drijven tussen deze beide aspecten, tussen dynamiek en stabiliteit, alsof ze niet samen kunnen gaan, alsof er tussen beide gekozen moet worden.
Waar ligt de waarheid? vragen wij dan. Wie heeft het nu bij het rechte eind: progressief of conservatief bijvoorbeeld, de mensen van de traditie of die van de vernieuwing?
De enen, de progressieven, beweren dat zij het zijn, omdat zij tenminste iets begrepen hebben van de dynamiek van het Rijk: `progredi’, zoals een mosterdzaadje of zuurdeeg, altijd maar groeiend en doorgroeiend in een steeds veranderende wereld, altijd maar nieuw en vol energie, zichzelf en de anderen vernieuwend.
En de anderen, de conservatieven, hebben het gelijk aan hun kant, omdat zij alles overhebben voor de zekere waarde en waarheid van de traditie: `conservare’, zoals een schat in een akker verborgen of een kostbare parel, trouw zijn ten koste van wat dan ook.
Maar wij moeten deze beide parabeltweelingen in één adem lezen, de ene als aanvulling van de andere, om stilaan tot het inzicht te komen dat het Rijk der hemelen, dat het leven op aarde beide kenmerken in zich dient te verenigen: de nooit aflatende trouw aan onze traditie en de nooit aflatende inventie voor het vinden van nieuwe wegen naar het hart van God. Zoals datzelfde leven, datzelfde Rijk der hemelen voor mensen van Gods hart wil zeggen: geduld en even onstuitbare als aanstekelijke goedheid en gulheid.
Vanaf het begin hebben wij gesteld dat Jezus door de parabels heen het vooral wil hebben over God: over zijn goedheid en trouw, over de mensenliefde en het geduld van onze Vader die in de hemel is. Maar daarbij mogen en moeten wij durven door te denken vanuit dat ene zo pregnante en indringende woord van de Heer: wees volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x