Jaar A: DHJ 15

Vijftiende zondag door het jaar A – Matteüs 13,1-23

In die tijd sprak Jezus over vele dingen in gelijkenissen. Parabels noemen wij het ook. Dat woord vinden wij mooier. En het is ook wel een beter woord, zoals nog zal blijken. De parabel van de zaaier, zeggen wij, en dat zegt ons iets. De gelijkenis van de zaaier, dat spreekt ons minder aan.

En na de parabel van de zaaier volgen in dit stuk Matteüsevangelie nog zes soortgelijke verhalen. Halverwege de reeks zal de evangelist herhalen: dit alles sprak Jezus tot het volk in gelijkenissen en zonder gelijkenissen leerde Hij hun niets.

Waarom zó en niet anders? De reden is volgens Matteüs dat Jezus het zo geleerd heeft van de profeten: ‘Om te openbaren wat verborgen is, zal Ik mijn mond openen in gelijkenissen.’ Om te spreken over het Rijk der hemelen zijn parabels het geijkte en meest probate middel. Blijkbaar kan het niet rechtstreeks, rechtlijnig, ‘wetenschappelijk’: het Rijk der hemelen is… Blijkbaar moet het onrechtstreeks, kromlijnig, ‘parabolisch’: het Rijk der hemelen gelijkt op… Met het Rijk der hemelen is het zoals met… een zaaier bijvoorbeeld.

Wat is een parabel? Wij kennen een ongeveer gelijkluidend woord waaraan wij ook ongeveer dezelfde betekenis toekennen, met name fabel. Voor Van Dales Groot Woordenboek is fabel zelfs in tweede instantie synoniem van parabel. Nochtans roepen die twee termen, parabel en fabel in één adem genoemd, bij mensen meestal tegenstrijdige reacties op in de zin van: het ene is méér dan de waarheid, het andere staat op het randje van de leugen.

Er zijn overeenkomsten tussen beide, er zijn zeker ook verschillen.

Een overeenkomst is dat het gaat over meestal korte verhalen die er niet zijn omwille van zichzelf, maar omwille van de zedenles: verhalen met hoofdzakelijk of uitsluitend een verwijzende functie en bedoeling. De definitie die Van Dale geeft van ‘gelijkenis’ luidt: zinnebeeldig verhaal over zedelijke waarheden. En dat geldt voor fabel en parabel.

Een verschil ligt allereerst in het verhaal zelf: over wie of wat het gaat en wat er gebeurt.
Fabels vertellen irreële dingen, onnatuurlijke of buitennatuurlijke daden: over dieren of mensen (mythen heten ze dan) die als mens handelend optreden, maar dan veel machtiger en verstandiger. Fabels vertellen onmogelijke dingen waaruit echter veel te leren valt voor het leven van mensen; en dat kan gaan tot de diepste diepten van ons menselijk bestaan.

Parabels daarentegen vertellen meestal heel gewone, natuurlijke dingetjes: over mensen, zaaiers bijvoorbeeld, over de natuur, het zaad bijvoorbeeld. En daar gebeurt helemaal niets bijzonders mee. Die doen wat ze doen, heel gewoon. Daarin precies liggen de logica en de overredingskracht van de parabel wat datgene betreft waarnaar ze verwijzen.

De verwijzing van de parabel betreft niet in de eerste plaats de mensen, maar wel: het Rijk der hemelen en wat dat te betekenen heeft voor mensen. Parabels vertellen gewone dingen die iedereen kent en weet en ziet en hoort, maar waaruit iets of heel wat te leren valt over het Rijk der hemelen, over God.

Om de diepste roerselen van de mensenziel te peilen hebben wij behoefte aan de gelijkenistaal van het onmogelijke verhaal, de fabel. Om over God te spreken volstaat het verhaal over het meest gewone, dat tegelijk het zo buitengewone van zijn schepping is. ‘Volstaat’, zeiden wij, maar tegelijk is er blijkbaar geen andere mogelijkheid. Want zonder gelijkenissen leerde Hij hun niets.

De parabel van de zaaier.

Hoeft daar uitleg bij? Zoals gezegd zijn parabels precies voorbeelden bij wijze van uitleg. Normaal gesproken moet je dat dus verstaan op zich en hoeft er geen verklaring bij. Maar misschien wel voor ons, tweeduizend jaar later: méér voor ónze tijd, zoals dat ook blijkbaar reeds het geval was voor Jezus’ apostelen dan wel voor de gewone toehoorders in de eerste lijn.

Zo zitten wij bijvoorbeeld met vragen als: waarom op de weg zaaien, op de rots, tussen de doorns? Dat heeft toch geen zin, dat weet je op voorhand; dat lijkt toch op verkwisting. Toentertijd echter was dat heel normaal. Een zaaier zaaide precies zoals de parabel dat beschrijft, omdat weg en rots en distelzones helemaal niet duidelijk afgebakend waren van het akkerland, de grond in zijn geheel. Op diezelfde manier wordt er vandaag in het verre Palestina en in vele verre landen nog geboerd en gezaaid.

Maar wat is dan de les die Jezus’ toehoorders in eerste lijn te leren krijgen? Zij hadden een heel ander idee over de komst van het Rijk der hemelen: dat zou gebeuren met geweld en catastrofale verschijnselen, een plotse en definitieve ingreep van bovennatuurlijke machten. Jezus is een andere mening toegedaan; Hij weet wel beter van zijn Vader, die in de hemel is. En daarvan wil Hij zijn toehoorders overtuigen. Met de komst van het Rijk zal het gaan als met de zaaier: zijn manier van zaaien en wat daarvan worden zal.

God is de zaaier die kwistig, gul, onberedeneerd, on-economisch maar rondstrooit en rondzaait van zijn genade, zijn goede gaven. Dat is het begin van de les. Het slot van de les is dat – wat er ook van zij, alle mislukkingen erbij genomen – uiteindelijk de oogst vruchtbaar zal zijn, dertig-tot zestig- tot honderdvoud. Het is nabij en het zal er komen, het Rijk der hemelen. Dankzij de mateloze gulheid van de Schepper.

Welke is dan de les die de apostelen daarbovenop moeten leren? Zij waren (zogezegd) al overtuigd. In tweede instantie, allicht niet onmiddellijk maar enkele jaren later, allicht niet rechtstreeks uit Jezus’ mond maar uit het onderricht van de kerk, kregen zij de raad om te doen wat zij konden om goede grond te zijn. En dit is zelfs uitgegroeid tot de ‘klassieke’ les van de parabels.

Het is zeker een mooie en juiste les ook, maar er is ergens iets mis mee. Ervoor zorgen dat je goede grond bent, okee, maar niets dan goede grond? Dat behoort tot het rijk van de fabeltjes, niet tot het Rijk der hemelen, want wij weten dat het onmogelijk is. Een kerk van enkel maar goede grond, een perfecte samenleving, maar ook: een individueel mensenhart van enkel maar goede grond zonder ergens een keitje of een platgetrapt wegje of een distelzone? En wachten met zaaien tot alle hinderpalen opgeruimd zijn, dat is zaad sparen voor het altijd volgende seizoen.

Gelukkig weet de zaaier hoe de grond in elkaar zit. Hij weet van de hebberige vogels en van de harde keien, van de droogte en van het onkruid. Hij weet ook dat het desondanks over zoveel goede grond gaat en dat hijzelf over zoveel zaad in zijn voorraad beschikt dat hij kwistig en gul zal blijven uitstrooien, dat hij er honderd procent zeker van is dat er dertig-, zestig-, honderdvoud vrucht van komt.

En de grond, die weet ook het zijne. De grond heeft weet van zijn eigen onvolkomenheid, van de hebberige vogels die wij zijn, van de harde steen die ons hart kan zijn, van de frustrerende droogte die wij te dragen krijgen en elkaar te dragen geven, van het onkruid – het onkruidje-roer-mij-niet dat niet vergaat. Heel die grond is desondanks toch zo grondig en hartsgrondelijk goed om de gulheid van de zaaier te ontvangen dat er dertig-, zestig-, honderdvoud vrucht van komt.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x