Jaar A: DHJ 14

Veertiende zondag door het jaar A – Matteüs 11,25-30

Vorige zondag was het evangelie het slot van de zogeheten zendingsrede. In Matteüs’ tiende hoofdstuk heeft Jezus een toespraak gehouden met alle mogelijke goede raad aan zijn apostelen, net voordat Hij hen voor het eerst als zijn medewerkers eropuit stuurt: om de nabijheid van het Rijk Gods te verkondigen en om al weldoende rond te trekken in heel de omgeving.

Twaalf leerlingen heeft de Heer daarvoor uitgekozen. Bij het begin van Jezus’ toespraak noemt Matteüs hen een voor een op, met naam en toenaam. Ook hijzelf is erbij: Matteüs de tollenaar. Volgens het ooggetuigenverslag van de betrokkene zelf is hij de laatstgeroepene in de rij. Ook toen al hadden belastingontvangers geen al te beste naam. Maar Matteüs komt er rond voor uit dat hij er zo eentje is.

Tollenaars werden in één adem genoemd met zondaars. De farizeeën merkten het minachtend en spottend op: Hij zoekt het gezelschap van tollenaars en zondaars. Waarom toch roept Jezus dat soort volk? Waarom laat Hij toe dat dit soort lui zijn leerlingen worden? Bij de farizeeën zelf, die uiteraard ook leerlingen hadden, zou dat niet lukken.

Jezus’ repliek is dat Hij niet gekomen is om rechtvaardigen te roepen, maar… zondaars. Je doet maar, zeggen de farizeeën, wij zien wel wat ervan komt. Maar voor wie geroepen wordt, ook vandaag, voor u en voor mij, is het een hele troost te weten dat je niet perfect hoeft te zijn. Je hoeft het alleen maar te willen worden: wees volmaakt zoals mijn hemelse Vader volmaakt is. Volmaakte tollenaars? Volmaakte zondaars?… Eerlijke tollenaars, rouwmoedige zondaars!

Tegen deze achtergrond moeten wij het evangelie van vandaag trachten te verstaan, een hoofdstuk verder in hetzelfde Matteüsevangelie.

De twaalf zijn dus op missie. En wij kunnen ons voorstellen dat Jezus, in afwachting van hun terugkeer, zich afvraagt hoe zij het zouden maken. Hij is er blijkbaar gerust op. Hij zingt zijn tevredenheid uit in de vorm van een danklied tot zijn hemelse Vader: hardop zodat alle omstanders het kunnen horen.

Ik prijs U, Vader, dat Gij Mij deze goede leerlingen geeft, tollenaars en zondaars, kleine lieden die niet wijs en verstandig zijn. Aan hen is het dat Gij grote dingen openbaart. ‘Aan wie Gij grote dingen doet’, om het te zeggen met de woorden uit het lied van mijn Moeder, mijn eerste leerlinge.

En Jezus maakt om zo te zeggen reclame voor roepingen. Kom tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat. Ik zal u rust en verlichting schenken.

In dit stukje evangelie lees en versta ik iets over wat je leerlingen-werving zou kunnen noemen. Dat kennen wij in onze tijd ook. Er is op dat vlak een groot verschil tussen Jezus en de farizeeën. Beiden namen leerlingen in dienst. Maar bij de farizeeën gebeurde het allicht via een strenge selectieproef, een moeilijk toelatingssexamen. De besten, de slimsten waren amper goed genoeg om dat zware juk van de Thora, de wet, te torsen. Er was een proef ascese en een proef schriftkennis. Die golden beide ongetwijfeld als selectiecriteria.

Bij Jezus is dat helemaal anders, want zijn juk is licht, zegt Hij. Zijn selectiecriterium heet dan ook: zachtmoedigheid. En zachtmoedig hoef je nog niet eens te zijn, dat hoef je alleen maar te willen leren. Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en je zult rust vinden. Want door zachtmoedigheid wordt mijn juk zacht en mijn last licht om te dragen.

Laat ons even ingaan op beide criteria. Welk biedt de beste garantie op succes? Welk houdt de beste slaagkansen in om een rol van betekenis te spelen in het leven en de wereld?

De wereld is aan de durvers, zegt het spreekwoord. Is het niet eerder: aan de harden, de harde ideologieën, de harde economische wetmatigheid? In zaken moet je hard zijn. In de politiek moet je een harde zijn. Zelfs kerkelijke systemen zijn vaak onvermurwbaar hard.

En wij vinden dan wel dat het evangelie van vandaag goed klinkt, maar wat doen wij ermee? Wij kunnen toch niet voorbij aan de realiteit, aan de wijze en verstandige kant in ons die zegt dat je jezelf zo goed mogelijk moet realiseren in je leven. Die ambitie is toch door de Schepper zelf in je hart gelegd. Wie wil er nu de laatste zijn van de klas, de domste, de minste? Maar, de eerste zijn gaat ten koste van wie na je komt. Dat de een slim is, betekent dat een ander dommer is. Sterk zijn impliceert dat een ander zwak staat. Dat hoeft nog niet de uiterste proporties aan te nemen van wat wij daarstraks hardheid noemden: alle last op de schouders van alle anderen. Maar je blijft als mens als het ware gedoemd om voor je eigen bestwil anderen te belasten. Je moet toch je brood verdienen, dus…; je positie verdedigen, dus…; je geluk beschermen, dus…

Tegenover hardheid staat zachtheid. Het evangelie prijst duidelijk die deugd aan. Maar verstaan wij de term wel juist?

In deze harde tijden is, wonderlijk genoeg, ook zachtheid in: toegeeflijkheid, de neiging om alles steeds maar te relativeren en goed te praten. Is dat dan zo erg? zeggen de mensen. Niets is ooit zó erg!

Kinderen worden verwend. Jeugd moet beluisterd en begrepen worden. De volwassenheid hecht meer belang aan vergoelijkende uitleg dan aan de naakte waarheid. Dit is zeker wat ongenuanceerd-negatief gesteld. In elk geval is voor de hardheid van onze tijd dit soort zachtheid niet de oplossing. Maar daarover gaat het ook niet in het evangelie.

De zaken liggen trouwens heel wat complexer dan een vlugge keuze tussen het ene en het andere, een indeling van de mensen in een van deze twee kampen. Een mensenhart is meestal een combinatie van beide, een combinatie van hard én zacht: half sterk, half zacht. Ook dat is in.

Denk aan de harde, nietsontziende zakenman die de meest toegeeflijke papa is. De SS-officier die Joodse kinderen koudweg liquideerde en eigen kinderen vertroetelde als geen ander. Of nog: de strenge en onkreukbare leraar die zelf thuis niet uit zijn luie stoel komt. Ieder van ons worstelt met dergelijke dualiteiten in eigen doen en denken.

Leer dan van Mij, zegt Jezus: geen hardheid en toch een onverwoestbare principevastheid; geen flauwe toegeeflijkheid en toch een grenzeloos mededogen. Hoe mooi wordt dit evangelisch ideaal uitgedrukt in het ene woord zachtmoedigheid. Leer van Mij, zegt de Heer, dat Ik zachtmoedig ben.

Zalig die zachtmoedig zijn. Dat wil zeggen: zachtaardig, zacht van gemoed. Maar de beide delen van het woord kun je ook opvatten als gelijkwaardige elementen van deze nieuwe kwaliteit, zachtmoedigheid: zacht én moedig. Niet alleen zacht maar ook moedig. Niet enkel dapper maar ook teder. Twee begrippen die onverenigbaar lijken, die elkaar lijken tegen te spreken, worden aan elkaar gesmeed tot een nieuwe deugd.

Zacht is: mals, niet taai. Moedig is: wel taai. Logisch gesproken kan dat niet samen. Maar christelijk gesproken vormen beide elkaars complement. Om christelijk zacht te zijn is taaie moed nodig. Om christelijk moedig te zijn is fijngevoelige zachtheid vereist.

Voor de zacht-moedige is het inderdaad geen kwestie van lasten aan anderen opleggen om van je eigen last verlost te zijn. Voor de zacht-moedige is het erom te doen de lasten van de andere te willen dragen, en evenzeer zichzelf te laten helpen bij het dragen van het eigen levensjuk en daar de andere dankbaar voor te zijn.

Zachtmoedig zijn is nooit wankelen, nooit wankel-moedig worden in de hulp en de dienst; en anderzijds in deemoed, dee-moedig aanvaarden dat jijzelf hulp nodig hebt en op dienstbaarheid rekenen kunt.

Zo weten wij ons geroepen om met zachte moed in de dienst van mensen te staan, niet op grond van ons feilloos presteren maar op basis van het vertrouwen dat die mensen ons schenken, van de hoop die ze in ons stellen.

Zo werkt wat wij vriendschap noemen: elkanders lichte lasten dragen en elkaar niet ten laste zijn maar ten dienste staan.

En dit is ons geloof en onze hoop: dat de wereld uiteindelijk aan de zachtmoedigen is.  Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x