Jaar A: DHJ 13

Dertiende zondag door het jaar A – Matteüs 10, 37-42

De dertiende zondag door het jaar valt altijd heel dicht bij het begin van de zomervakantie. Maar als vakantie-evangelie klinkt het moeilijk: je kruis opnemen. Is vakantie dan niet: bevrijd zijn van je dagelijkse kruis? Laat ons er dan maar direct de conclusie uit trekken dat ook in deze periode van vrijheid, zorgeloosheid, rust en ontspanning, de consequenties van ons geloof en onze roeping van kracht blijven. Allicht is het een kans om dan je levenstaak als kind van God en mens voor de mensen nog intenser te beleven in de vrijheid van de bloemen op het veld en de vogels in de lucht.

Deze zondag valt ook altijd in de nabijheid van of soms zelfs op het feest van de heilige apostelen Petrus en Paulus. Voor hun gedachtenisviering is dit een rijk evangelie. Zij hebben hun kruis opgenomen, zij hebben alles gedaan en gelaten om hun Meester te volgen. En, overeenkomstig de tweede helft van hetzelfde evangelie, zijn zijzelf opgenomen en gedragen door de gemeenschap, door de kerk: als apostelen, profeten, leraren, voorgangers.

Het evangelie van vandaag is het slot van de zogeheten zendingsrede bij Matteüs. Jezus wil zijn twaalf daartoe uitgekozen discipelen inschakelen in zijn eigen zendingswerk: verkondigen dat het Rijk nabij is en weldoende rondgaan door steden en dorpen. Hij heeft hun daar heel wat aanbevelingen en goede raad voor gegeven. Aan het einde van de les voegt hij daar twee slotbeschouwingen aan toe: over de plichten en de rechten van de zendeling.

Eerst zijn de plichten aan de beurt: je vader en moeder verlaten, je kruis opnemen (dat staat centraal in het rijtje) en je leven verliezen.

Dat is nogal wat. Hij die leert dat je zelfs je vijanden moet liefhebben, zegt hier blijkbaar dat je je niet mag hechten aan je eigen naaste familie. Hij die zich de Verrijzenis en het Leven noemt, heeft het hier alleen maar over het kruis dat gedragen moet worden. Hij die door de Vader gezonden is opdat allen zouden leven en niet verloren gaan, spreekt hier over het leven als iets dat je verliezen moet. Dat is toch allemaal erg in tegenspraak met elkaar.

Bij de laatste aanmaning staat een motivering, een achterliggende verantwoording die zeker op het geheel slaat: ‘om mijnentwil’! Dat wil zeggen: niet zomaar thuis weggaan, niet per se lijden en mislukking beogen, omdat dat waarden op zichzelf zouden zijn. Dat zijn ze zeker niet. Maar er kunnen waardevolle levenshoudingen aan ten grondslag liggen of uit voortvloeien, als het is: om zijnentwil!

Het betekent dat je de consequenties van je roeping en zending onvoorwaardelijk moet aanvaarden in het concrete dagelijks leven, wat dat ook met zich moge brengen. De verkondiging en de dienst hebben absolute voorrang, zelfs op de mooiste dingen van het leven: de familie, de welstand, het succes.

Christendom betekent niet per se dat mensen zich vrijwillig allerlei soorten verplichtingen moeten opleggen, al is dit weliswaar een ingebakken trek van het leven als enkeling en zeker van het samenleven met elkaar; en al kan dat ook heel verdienstelijk zijn: ascese bijvoorbeeld of versterving; voor je karaktervorming bijvoorbeeld of voor je concentratie op spirituele waarden. Maar ook dat is slechts ten volle christelijk waardevol, als het gebeurt: om zijnentwil!

Anders gezegd: je mag de woorden van Jezus daar niet van losmaken, ze niet loskoppelen van die ene motivering, niet op zichzelf staand en letterlijk interpreteren. Ik zou de volgende vergelijking willen maken.

Het gaat er niet over dat iemand besluit naar het klooster te gaan om zich zo eventueel door de Heer te laten roepen. Het gaat erover dat iemand die beslissing neemt, omdat zij of hij geroepen is, er heel sterk van overtuigd is en gelooft geroepen te zijn. Dat lijkt misschien op hetzelfde neer te komen, maar het verschil, het grote verschil ligt bij het uitgangspunt, het motief: ik of de Christus! Jezus zegt precies dat het de roeping van de gezondene tekent dat hij niet zijn lot zelf in eigen handen neemt en houdt, maar dat hij zichzelf uit handen geeft en helemaal in Gods handen legt. Er is een reuzengroot verschil tussen carrière maken in de kerk en beschikbaar zijn voor wat je gevraagd wordt. Wie zijn leven verliest, dat wil zeggen: beschikbaar stelt om mijnentwil, die zal het vinden.

De tweede helft van het evangelie, de tweede slotbeschouwing van de Heer Jezus, gaat over wat wij genoemd hebben de rechten van de zendeling. Dat worden dan meteen de plichten van het volk, van de gemeenschap, van het kerkvolk en de kerkgemeenschap.

Zendelingen, of het nu profeten of leraars, voorgangers of dienstbetoners zijn, ook de geringsten, de kleinsten onder hen hebben het recht, moeten opgenomen worden door hen tot wie zij gezonden zijn. Ook dit is niet letterlijk te verstaan. Iemand een beker water geven, zo zegt de Heer zelf, kan synoniem zijn van iemand opnemen: iemand opnemen in je midden, iemand erkennen en aanvaarden als gezondene.

Een zendeling, of het nu een catechist of een bisschop is, een moniale of een caritashelper, moet gedragen zijn door zijn gemeenschap. In die zin kun je zeggen dat er in onze kerk géén hiërarchie is. Paus en bisschop hebben evenveel recht op waardering en erkenning, op vertrouwen en steun als welke pastoraal werker of verpleegkundige of onderwijzer dan ook. Ik heb deze laatste zin opzettelijk in deze richting geformuleerd, omdat wij hem in het algemeen toch heel vlotjes andersom bedoelen en gebruiken.

Straks bij de inleiding zeiden wij dat dit een rijk evangelie was voor de gedachtenisviering, het naamfeest van Petrus en Paulus. Ik kom daar graag even op terug.

De eerste beschouwing van Jezus doet mij vooral de kant van Petrus opkijken. De eerste van de gezondenen wordt de eerste die het kruis afwijst. Maar de wankelmoedige man van de verloochening wordt de eerste getuige van de verrijzenis. Hij heeft volop in de school van het leven en het geloof moeten leren dat het niet te doen was om carrière te maken maar om gegeven te zijn.

Bij de tweede beschouwing kom ik rechtstreeks bij Paulus terecht. De vervolger, neergebliksemd op weg naar Damascus, wordt dan vol liefde opgenomen in de kring van de vervolgden, de groep van leerlingen. Zelf is hij later in zijn geschriften opgekomen voor het recht van de apostel om goed ontvangen en onderhouden te worden door de gemeente die hij bezocht. Maar evenzeer wilde hijzelf voor zijn eigen levensonderhoud instaan en niemand tot last zijn, geen kruis zijn voor een ander.

Petrus en Paulus, geroepen om te verkondigen en te dienen, om hun kruis te dragen om zijnentwil, uitgekozen om daarin voor te gaan, maar zelf ook gedragen door de kerk vanaf het prille begin.

Je kunt Jezus’ keuze eigenaardig vinden: zo’n labiel iemand voor de factor stabiliteit (Petrus de steenrots) in de kerk; zo’n conservatief en contrarevolutionair figuur voor de factor dynamiek (Paulus de vurige) in de kerk.

Maar Jezus kende de zijnen, zoals de Goede Herder zijn schapen kent. Zijn keuzecriterium was dan ook niets anders dan die relatie die liefde heet. Paulus zegt: niet ik leef, maar Christus leeft in mij. Petrus zei: Heer, gij weet toch dat ik U bemin.

Bij de inleiding hadden wij het over de zomervakantie: tijd van vrijheid en zorgeloosheid als de vogels in de lucht en de bloemen op het veld. Dat betekent niet dat wij tot de Heer kunnen zeggen: sorry, het is vakantie, nu moet U mij niets vragen. Het betekent evenmin dat wij tot Jezus’ gezondenen kunnen zeggen: sorry, het is vakantie, nu moeten wij niemand opnemen of dragen in onze zorg.

Integendeel, vakantie is precies het hoogtij, de ideale oefentijd om vrij te zijn in de beschikbaarheid, ware het maar bijvoorbeeld voor een keertje voor je pa en je ma die je nog zo zelden ziet staan; het hoogtij, de ideale oefentijd om elkaar op te nemen en door elkaar opgenomen te worden.

De caritas gaat nooit op vakantie. Of mogen wij zeggen: voor de caritas zijn mensen altijd vrij…

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x