Jaar A, DHJ 11

Elfde zondag door het jaarA — Mt 9,36-10,8

De daglezing uit het Matteiisevangelie omvat de twee laatste verzen van hoofdstuk 9 en de eerste acht verzen van hoofdstuk Ic). Een vers eerder had er ook goed bijgepast:
`Jezus ging rond door alle steden en dorpen waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen genas.’
Vijf hoofdstukken vroeger, in hoofdstuk 4, zegt vers 2 3 nagenoeg letterlijk hetzelfde:
`Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in de synagoge, de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.’
Dit is tweemaal, vóór en ná, de samenvatting van wat ertussenin gebeurd is en beschreven wordt: de Bergrede van hoofdstukken 5, 6 en 7 (`Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten’) en het weldoende optreden van de Heer: wonderen, duivelbezweringen, genezingen. De eerste ronde van zijn zending is afgewerkt. In het begin van deze daglezing wordt de tweede ronde aangekondigd die daar onlosmakelijk mee verbonden is en uit voortvloeit:
`Bij het zien van de menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: de oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.’
Het is alsof de jonge Rabbi wat terneergeslagen is door de situatie. Hij ervaart de mensenmenigte als een afgetobde kudde zonder herder. Het vele werk en de grote zorg overweldigen Hem. Hij krijgt het alleen niet gedaan. Er zijn medewerkers nodig.
Laat ons dat goed begrijpen. Israël had zeker geen tekort aan schriftgeleerden, farizeeën, priesters. Maar die stonden hoog boven het volk, niet
ten dienste van de mensen. Integendeel, zij waren er om gediend te worden en zich te laten eren vanwege hun verheven status. Vandaar dat Jezus hen niet beschouwt als herders van de kudde of arbeiders in de oogst van de Heer.
In de loop van de voorbije dagen en weken heeft de Rabbi van Kafarnaiim leerlingen om zich heen geschaard, mensen aangesproken, ‘geroe-
pen’ om Hem te volgen, om zijn volgelingen, zijn leerlingen te worden.
Daarin verschilt Hij niet van andere rabbi’s. Maar uit hun midden, en dat is nieuw, heeft Hij er twaalf extra uitgekozen om zijn bijzondere mede-
werkers te worden: leerlingen in de enge zin van het woord; apostelen, dat wil zeggen: volgelingen met een taak belast, mensen met een missie, met een opdracht als medewerker.
Het moet ons niet verwonderen dat zij niet gerekruteerd zijn uit de bovenlagen van de maatschappij, uit de kringen van schrift- en wetgeleer-
den, priesters en farizeeën, integendeel, uit het volkse milieu: vissers, een tollenaar, een lid van de verzetsgroep der zeloten. Daarom niet bij bepaling arm of minder verstandig, maar wel behorend tot de kringen die door de officiële kerkleiders werden gewantrouwd en geminacht: het voetvolk, het dienstvolk.
Zij worden toegerust met de nodige kracht en uitgestuurd om hetzelfde te doen als de Meester zelf: wonderen doen, duivels uitdrijven, zieken genezen.
Jezus wacht niet langer om hen op pad te sturen. Hij stelt het niet uit totdat zij helemaal opgeleid zijn voor hun missie, totdat Hij hun nog veel
meer heeft geleerd en uitgelegd. Zijn ene Bergrede, dat is heel wat om van start te gaan: al wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten. Preken of onderricht geven hoeven zij trouwens niet, enkel maar verkondigen dat het Rijk der hemelen nabij is. Hun daden moeten dat dan bewijzen: hun goedheid, hun dienstvaardigheid, hun bezorgdheid.
Hun apostolaatsgebied wordt blijkbaar beperkt tot het grondgebied van Galilea, dat helemaal omcirkeld is door niet-Joods land, door heide nen; en dat van Judea en Jeruzalem is afgescheiden door Samaria, waar de Samaritanen wonen, die een soort niet-volbloed-Joden zijn.
De bewoners van Galilea worden juist daarom vanuit het centrum, vanuit Jeruzalem zowat bekeken als de verloren schapen van het huis van Israël: zo ver van huis, ingesloten en afgescheiden. Maar de officiële kerk doet niet anders dan ze daarom extra minachten en wantrouwen. De nieuwe Rabbi wil hen helemaal opnemen in zijn zorg en die van zijn leerlingen.
`Begeef u niet onder de heidenen en ga niet binnen in een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël.’
Velen hebben het moeilijk met dit vers wegens de ogenschijnlijke uitsluiting van heidenen en Samaritanen. Daar zit op het eerste gezicht een racistisch tintje aan. In elk geval is het een problematiek die niet vreemd is aan onze tijd, onze cultuur, onze religie, onze kerk. En men verwijst dan naar de duidelijke tegenspraak tussen deze opdrachtbeperking en de opdracht in het slotvers van het gehele Mattesevangelie: ‘Ga nu en maak alle volkeren tot mijn leerlingen.’
Is Jezus dan van gedachte veranderd, heeft Hij zich in de loop van zijn openbaar leven ontwikkeld als de Gezondene, de Messias, de Mensenzoon? Alsof dat onmogelijk of onaanvaardbaar zou zijn! Niets menselijks is de Mensenzoon vreemd. Dus ook niet de algemeen verbreide mening van zijn geloof en religie dat dit de te volgen weg was.
Eerst het eerstgeroepen oude Godsvolk; en als dat er klaar voor is, van daaruit samen verder naar de anderen toe. Het Koninkrijk zou zich op die wijze wereldwijd uitbreiden. Of beter nog: de hele wereld zou zich mettertijd aansluiten bij die ene grote pelgrimstocht, de levenspelgrimage naar Jeruzalem, uiteindelijk het hemelse Jeruzalem.
Maar met het verloop van de tijd is de Heer Jezus — en zijn volgelingen met Hem — mede geconfronteerd met de radicale afwijzing vanwege Israël en Jeruzalem. En dan is de conclusie logisch. Voorlopig gaat de zorg in eerste instantie uit naar de verloren schapen die afgetobd neerliggen als een kudde zonder herder, de dolende en hulpbehoevende inwoners van Galilea. Maar het finale doel is ml reeds en wordt uiteindelijk: ‘Ga dan en maak alle volkeren tot mijn leerlingen.’
Uit dit evangelie valt heel wat te leren en te onthouden voor de mensen die zich als leerlingen van Jezus gezonden weten en belast zijn met een taak, een opdracht, een missie in zijn Naam: apostelen van welke tijd dan ook. Laten wij enkele aspecten hiervan even op een rijtje zetten.
De apostel staat niet boven het volk, niet boven de mensen hem toevertrouwd; maar hij is uit hun midden uitgekozen en staat tot hun dienst;
niet in de eerste plaats om hen uitgebreid te onderrichten en toe te spreken. Dat kan erbij komen vroeg of laat, voor de een al meer dan voor de ander. Maar voor ieder van hen gaat het in de eerste plaats over de kernachtige en enthousiaste verkondiging dat het Rijk nabij is: dat er genade is, toekomst, vrede en geluk;
niet om spectaculaire dingen te realiseren waar iedereen naar opkijkt, maar om je woorden met even eenvoudige daden van goedheid, dienstbaarheid, zorg, mensenliefde te bewijzen en te bekrachtigen.
Daarom moet de apostel overtuigd zijn van zichzelf, geloven in eigen kunnen, erop vertrouwen dat Jezus’ kracht in hem werkzaam aanwezig is, dat Jezus’ Geest op hem rust.
Daarom moet hij aandacht hebben voor alles en gevoelig zijn voor mensen die aan de rand staan van de maatschappij, die geminacht en gewantrouwd worden, die in de ogen van de wereld weinig waarde en betekenis hebben. De onmiddellijke noden van de omgeving zijn zijn eerste zorg; zijn horizon echter moet van meet af aan ruim genoeg zijn om heel de wereld in zijn hart te sluiten.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x