Jaar A, DHJ 11 t/m DHJ 17

zei. Die keer zei Hij meer dan dat. Hij zei: volg Mij. De man stond op en volgde Hem.
Roeping is een stilaan ontloken vriendschap die uitgroeit en plots uitbreekt in een radicale keuze voor een nieuw leven in verbondenheid, gegevenheid en dienstbaarheid.
De naam Mattes komt in het evangelie van Mattes nog slechts op één enkele andere plaats voor. Dat is als de evangelist de volledige lijst van de apostelen opstelt en hun namen op een rijtje zet: de ploeg is compleet dan. Ook daar wordt Mattes aangeduid als de tollenaar.
Dat is een verschilpunt met de andere evangelies. Hun roepingsverhaal is identiek, maar de tollenaar heet daar Levi, al gaat het duidelijk over dezelfde persoon. Ook de namenlijst iets verderop is dezelfde, maar nu wordt Matteiis’ oude beroep niet genoemd. Een klassieke uitleg voor dit verschil is dat de ene het wél doet, uit nederigheid, en de anderen niet, uit collegialiteit. Ook al bestaat er geen zekerheid wat het auteurschap van de evangelies betreft, toch is dit een klein bewijs voor de echtheid van de naam van de eerste evangelist: Mattes. Overigens, als dat niet zo was, waarom zou men er later dan niet voor geopteerd hebben om liever Petrus of Andreas tot evangelist te promoveren, dan wel deze zoveel minder bekende Mattes?
Er is een ander bewijs dat mijns inziens sterker is. Mattes als gewezen ambtenaar van financiën kwam in zijn nieuwe gemeenschap van Jezusleerlingen zeker niet in aanmerking als schatbewaarder: technisch natuurlijk wel, maar menselijkerwijze gesproken zeker niet, al is Jezus’ keuze voor een ander achteraf ook niet zo gelukkig gebleken. Maar Matteiis’ oude ambt had wel met zich gebracht dat hij kon schrijven, dat hij Grieks en Aramees sprak, dat hij dingen kon ordenen en rapporteren. Waarschijnlijk is het hem niet opgedragen, maar misschien heeft hijzelf wel een geheim dagboekje bijgehouden van vele Jezuswoorden die hij dan jaren later in combinatie met feiten en verhalen van Marcus en anderen uitgewerkt heeft tot zijn grote opus één: het evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Mattes.
Het verhaal van zijn eigen roeping is er een gebalde samenvatting van. De Heer Jezus, de Gezondene van de Vader, nodigt mensen uit om in te gaan op zijn aanbod van vriendschap; vriendschap die uitgroeit tot een totaal engagement van verbondenheid, gegevenheid en dienstbaarheid. Het aansluitende verhaal van de feestmaaltijd verfijnt dit tot een open vriendschap zonder taboes en een dienstbaarheid waarvan niemand wordt uitgesloten en waar de kleinen en de zwakken boven aan het lijstje staan.
Elfde zondag door het jaarA — Mt 9,36-10,8
De daglezing uit het Matteiisevangelie omvat de twee laatste verzen van hoofdstuk 9 en de eerste acht verzen van hoofdstuk Ic). Een vers eerder had er ook goed bijgepast:
`Jezus ging rond door alle steden en dorpen waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen genas.’
Vijf hoofdstukken vroeger, in hoofdstuk 4, zegt vers 2 3 nagenoeg letterlijk hetzelfde:
`Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in de synagoge, de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen onder het volk genas.’
Dit is tweemaal, vóór en ná, de samenvatting van wat ertussenin gebeurd is en beschreven wordt: de Bergrede van hoofdstukken 5, 6 en 7 (`Alles wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten’) en het weldoende optreden van de Heer: wonderen, duivelbezweringen, genezingen. De eerste ronde van zijn zending is afgewerkt. In het begin van deze daglezing wordt de tweede ronde aangekondigd die daar onlosmakelijk mee verbonden is en uit voortvloeit:
`Bij het zien van de menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: de oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten.’
Het is alsof de jonge Rabbi wat terneergeslagen is door de situatie. Hij ervaart de mensenmenigte als een afgetobde kudde zonder herder. Het vele werk en de grote zorg overweldigen Hem. Hij krijgt het alleen niet gedaan. Er zijn medewerkers nodig.
Laat ons dat goed begrijpen. Israël had zeker geen tekort aan schriftgeleerden, farizeeën, priesters. Maar die stonden hoog boven het volk, niet
ten dienste van de mensen. Integendeel, zij waren er om gediend te worden en zich te laten eren vanwege hun verheven status. Vandaar dat Jezus hen niet beschouwt als herders van de kudde of arbeiders in de oogst van de Heer.
In de loop van de voorbije dagen en weken heeft de Rabbi van Kafarnaiim leerlingen om zich heen geschaard, mensen aangesproken, ‘geroe-
pen’ om Hem te volgen, om zijn volgelingen, zijn leerlingen te worden.
Daarin verschilt Hij niet van andere rabbi’s. Maar uit hun midden, en dat is nieuw, heeft Hij er twaalf extra uitgekozen om zijn bijzondere mede-
werkers te worden: leerlingen in de enge zin van het woord; apostelen, dat wil zeggen: volgelingen met een taak belast, mensen met een missie, met een opdracht als medewerker.
Het moet ons niet verwonderen dat zij niet gerekruteerd zijn uit de bovenlagen van de maatschappij, uit de kringen van schrift- en wetgeleer-
den, priesters en farizeeën, integendeel, uit het volkse milieu: vissers, een tollenaar, een lid van de verzetsgroep der zeloten. Daarom niet bij bepaling arm of minder verstandig, maar wel behorend tot de kringen die door de officiële kerkleiders werden gewantrouwd en geminacht: het voetvolk, het dienstvolk.
Zij worden toegerust met de nodige kracht en uitgestuurd om hetzelfde te doen als de Meester zelf: wonderen doen, duivels uitdrijven, zieken genezen.
Jezus wacht niet langer om hen op pad te sturen. Hij stelt het niet uit totdat zij helemaal opgeleid zijn voor hun missie, totdat Hij hun nog veel
meer heeft geleerd en uitgelegd. Zijn ene Bergrede, dat is heel wat om van start te gaan: al wat gij wilt dat de mensen voor u doen, doe dat ook voor hen. Dat is Wet en Profeten. Preken of onderricht geven hoeven zij trouwens niet, enkel maar verkondigen dat het Rijk der hemelen nabij is. Hun daden moeten dat dan bewijzen: hun goedheid, hun dienstvaardigheid, hun bezorgdheid.
Hun apostolaatsgebied wordt blijkbaar beperkt tot het grondgebied van Galilea, dat helemaal omcirkeld is door niet-Joods land, door heide nen; en dat van Judea en Jeruzalem is afgescheiden door Samaria, waar de Samaritanen wonen, die een soort niet-volbloed-Joden zijn.
De bewoners van Galilea worden juist daarom vanuit het centrum, vanuit Jeruzalem zowat bekeken als de verloren schapen van het huis van Israël: zo ver van huis, ingesloten en afgescheiden. Maar de officiële kerk doet niet anders dan ze daarom extra minachten en wantrouwen. De nieuwe Rabbi wil hen helemaal opnemen in zijn zorg en die van zijn leerlingen.
`Begeef u niet onder de heidenen en ga niet binnen in een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël.’
Velen hebben het moeilijk met dit vers wegens de ogenschijnlijke uitsluiting van heidenen en Samaritanen. Daar zit op het eerste gezicht een racistisch tintje aan. In elk geval is het een problematiek die niet vreemd is aan onze tijd, onze cultuur, onze religie, onze kerk. En men verwijst dan naar de duidelijke tegenspraak tussen deze opdrachtbeperking en de opdracht in het slotvers van het gehele Mattesevangelie: ‘Ga nu en maak alle volkeren tot mijn leerlingen.’
Is Jezus dan van gedachte veranderd, heeft Hij zich in de loop van zijn openbaar leven ontwikkeld als de Gezondene, de Messias, de Mensenzoon? Alsof dat onmogelijk of onaanvaardbaar zou zijn! Niets menselijks is de Mensenzoon vreemd. Dus ook niet de algemeen verbreide mening van zijn geloof en religie dat dit de te volgen weg was.
Eerst het eerstgeroepen oude Godsvolk; en als dat er klaar voor is, van daaruit samen verder naar de anderen toe. Het Koninkrijk zou zich op die wijze wereldwijd uitbreiden. Of beter nog: de hele wereld zou zich mettertijd aansluiten bij die ene grote pelgrimstocht, de levenspelgrimage naar Jeruzalem, uiteindelijk het hemelse Jeruzalem.
Maar met het verloop van de tijd is de Heer Jezus — en zijn volgelingen met Hem — mede geconfronteerd met de radicale afwijzing vanwege Israël en Jeruzalem. En dan is de conclusie logisch. Voorlopig gaat de zorg in eerste instantie uit naar de verloren schapen die afgetobd neerliggen als een kudde zonder herder, de dolende en hulpbehoevende inwoners van Galilea. Maar het finale doel is ml reeds en wordt uiteindelijk: ‘Ga dan en maak alle volkeren tot mijn leerlingen.’
Uit dit evangelie valt heel wat te leren en te onthouden voor de mensen die zich als leerlingen van Jezus gezonden weten en belast zijn met een taak, een opdracht, een missie in zijn Naam: apostelen van welke tijd dan ook. Laten wij enkele aspecten hiervan even op een rijtje zetten.
De apostel staat niet boven het volk, niet boven de mensen hem toevertrouwd; maar hij is uit hun midden uitgekozen en staat tot hun dienst;
niet in de eerste plaats om hen uitgebreid te onderrichten en toe te spreken. Dat kan erbij komen vroeg of laat, voor de een al meer dan voor de ander. Maar voor ieder van hen gaat het in de eerste plaats over de kernachtige en enthousiaste verkondiging dat het Rijk nabij is: dat er genade is, toekomst, vrede en geluk;
niet om spectaculaire dingen te realiseren waar iedereen naar opkijkt, maar om je woorden met even eenvoudige daden van goedheid, dienstbaarheid, zorg, mensenliefde te bewijzen en te bekrachtigen.
Daarom moet de apostel overtuigd zijn van zichzelf, geloven in eigen kunnen, erop vertrouwen dat Jezus’ kracht in hem werkzaam aanwezig is, dat Jezus’ Geest op hem rust.
Daarom moet hij aandacht hebben voor alles en gevoelig zijn voor mensen die aan de rand staan van de maatschappij, die geminacht en gewantrouwd worden, die in de ogen van de wereld weinig waarde en betekenis hebben. De onmiddellijke noden van de omgeving zijn zijn eerste zorg; zijn horizon echter moet van meet af aan ruim genoeg zijn om heel de wereld in zijn hart te sluiten.

Dertiende zondag door het jaarA — Mt 10,37-42
De dertiende zondag door het jaar valt altijd heel dicht bij het begin van de zomervakantie. Maar als vakantie-evangelie klinkt het moeilijk: je kruis opnemen. Is vakantie dan niet: bevrijd zijn van je dagelijkse kruis? Laat ons er dan maar direct de conclusie uit trekken dat ook in deze periode van vrijheid, zorgeloosheid, rust en ontspanning, de consequenties van ons geloof en onze roeping van kracht blijven. Allicht is het een kans om dan je levenstaak als kind van God en mens voor de mensen nog intenser te beleven in de vrijheid van de bloemen op het veld en de vogels in de lucht.
Deze zondag valt ook altijd in de nabijheid van of soms zelfs op het feest van de heilige apostelen Petrus en Paulus. Voor hun gedachtenisviering is dit een rijk evangelie. Zij hebben hun kruis opgenomen, zij hebben alles gedaan en gelaten om hun Meester te volgen. En, overeenkomstig de tweede helft van hetzelfde evangelie, zijn zijzelf opgenomen en gedragen door de gemeenschap, door de kerk: als apostelen, profeten, leraars, voorgangers.
Het evangelie van vandaag is het slot van de zogeheten zendingsrede bij Mattes. Jezus wil zijn twaalf daartoe uitgekozen discipelen inschakelen in zijn eigen zendingswerk: verkondigen dat het Rijk nabij is en weldoende rondgaan door steden en dorpen. Hij heeft hun daar heel wat aanbev-elingen en goede raad voor gegeven. Aan het einde van de les voegt hij daar twee slotbeschouwingen aan toe: over de plichten en de rechten van de zendeling.
Eerst zijn de plichten aan de beurt: je vader en moeder verlaten, je kruis opnemen (dat staat centraal in het rijtje) en je leven verliezen.
Dat is nogal wat. Hij die leert dat je zelfs je vijanden moet liefhebben, zegt hier blijkbaar dat je je niet mag hechten aan je eigen naaste familie. Hij die zich de Verrijzenis en het Leven noemt, heeft het hier alleen maar over het kruis dat gedragen moet worden. Hij die door de Vader gezonden is opdat allen zouden leven en niet verloren gaan, spreekt hier over het leven als iets dat je verliezen moet. Dat is toch allemaal erg in tegenspraak met elkaar.
Bij de laatste aanmaning stag een motivering, een achterliggende verantwoording die zeker op het geheel slaat: ‘om mijnentwil’! Dat wil zeggen: niet zomaar thuis weggaan, niet per se lijden en mislukking beogen, omdat dat waarden op zichzelf zouden zijn. Dat zijn ze zeker niet. Maar er kunnen waardevolle levenshoudingen aan ten grondslag liggen of uit voortvloeien, als het is: om zijnentwil!
Het betekent dat je de consequenties van je roeping en zending onvoorwaardelijk moet aanvaarden in het concrete dagelijks leven, wat dat ook met zich moge brengen. De verkondiging en de dienst hebben absolute voorrang, zelfs op de mooiste dingen van het leven: de familie, de welstand, het succes.
Christendom betekent niet per se dat mensen zich vrijwillig allerlei soorten verplichtingen moeten opleggen, al is dit weliswaar een ingebakken trek van het leven als enkeling en zeker van het samenleven met elkaar; en al kan dat ook heel verdienstelijk zijn: ascese bijvoorbeeld of versterving; voor je karaktervorming bijvoorbeeld of voor je concentratie op spirituele waarden. Maar ook dat is slechts ten volle christelijk waardevol, als het gebeurt: om zijnentwil!
148
149
Anders gezegd: je mag de woorden van Jezus daar niet van losmaken, ze niet loskoppelen van die ene motivering, niet op zichzelf staand en letterlijk interpreteren. Ik zou de volgende vergelijking willen maken.
Het gaat er niet over dat iemand besluit naar het klooster te gaan om zich zo eventueel door de Heer te laten roepen. Het gaat erover dat iemand die beslissing neemt, omdat zij of hij geroepen is, er heel sterk van overtuigd is en gelooft geroepen te zijn. Dat lijkt misschien op hetzelfde neer te komen, maar het verschil, het grote verschil ligt bij het uitgangspunt, het motief: ik of de Christus! Jezus zegt precies dat het de roeping van de gezondene tekent dat hij niet zijn lot zelf in eigen handen neemt en houdt, maar dat hij zichzelf uit handen geeft en helemaal in Gods handen legt. Er is een reuzengroot verschil tussen carrière maken in de kerk en beschikbaar zijn voor wat je gevraagd wordt. VVie zijn leven verliest, dat wil zeggen: beschikbaar stelt om mijnentwil, die zal het vinden.
De tweede helft van het evangelie, de tweede slotbeschouwing van de Heer Jezus, gaat over wat wij genoemd hebben de rechten van de zendeling. Dat worden dan meteen de plichten van het volk, van de gemeenschap, van het kerkvolk en de kerkgemeenschap.
Zendelingen, of het nu profeten of leraars, voorgangers of dienstbetoners zijn, ook de geringsten, de kleinsten onder hen hebben het recht, moeten opgenomen worden door hen tot wie zij gezonden zijn. Ook dit is niet letterlijk te verstaan. Iemand een beker water geven, zo zegt de Heer zelf, kan synoniem zijn van iemand opnemen: iemand opnemen in je midden, iemand erkennen en aanvaarden als gezondene.
Een zendeling, of het nu een catechist of een bisschop is, een moniale of een caritashelper, moet gedragen zijn door zijn gemeenschap. In die zin kun je zeggen dat er in onze kerk géén hiërarchie is. Paus en bisschop hebben evenveel recht op waardering en erkenning, op vertrouwen en steun als welke pastoraal werker of verpleegkundige of onderwijzer dan ook. Ik heb deze laatste zin opzettelijk in deze richting geformuleerd, omdat wij hem in het algemeen toch heel vlotjes andersom bedoelen en gebruiken.
Straks bij de inleiding zeiden wij dat dit een rijk evangelie was voor de gedachtenisviering, het naamfeest van Petrus en Paulus. Ik kom daar graag even op terug.
De eerste beschouwing van Jezus doet mij vooral de kant van Petrus opkijken. De eerste van de gezondenen wordt de eerste die het kruis afwijst. Maar de wankelmoedige man van de verloochening wordt de eerste getuige van de verrijzenis. Hij heeft volop in de school van het leven en het geloof moeten leren dat het niet te doen was om carrière te maken maar om gegeven te zijn.
Bij de tweede beschouwing kom ik rechtstreeks bij Paulus terecht. De vervolger, neergebliksemd op weg naar Damascus, wordt dan vol liefde opgenomen in de kring van de vervolgden, de groep van leerlingen. Zelf is hij later in zijn geschriften opgekomen voor het recht van de apostel om goed ontvangen en onderhouden te worden door de gemeente die hij bezocht. Maar evenzeer wilde hijzelf voor zijn eigen levensonderhoud instaan en niemand tot last zijn, geen kruis zijn voor een ander.
Petrus en Paulus, geroepen om te verkondigen en te dienen, om hun kruis te dragen om zijnentwil, uitgekozen om daarin voor te gaan, maar zelf ook gedragen door de kerk vanaf het prille begin.
Je kunt Jezus’ keuze eigenaardig vinden: zo’n labiel iemand voor de factor stabiliteit (Petrus de steenrots) in de kerk; zo’n conservatief en contrarevolutionair figuur voor de factor dynamiek (Paulus de vurige) in de kerk.
Maar Jezus kende de zijnen, zoals de Goede Herder zijn schapen kent. Zijn keuzecriterium was dan ook niets anders dan die relatie die liefde heet. Paulus zegt: niet ik leef, maar Christus leeft in mij. Petrus zei: Heer, gij weet toch dat ik U bemin.
Bij de inleiding hadden wij het over de zomervakantie: tijd van vrijheid en zorgeloosheid als de vogels in de lucht en de bloemen op het veld. Dat betekent niet dat wij tot de Heer kunnen zeggen: sorry, het is vakantie, nu moet U mij niets vragen. Het betekent evenmin dat wij tot Jezus’ gezondenen kunnen zeggen: sorry, het is vakantie, nu moeten wij niemand opnemen of dragen in onze zorg.
Integendeel, vakantie is precies het hoogtij, de ideale oefentijd om vrij te zijn in de beschikbaarheid, ware het maar bijvoorbeeld voor een keertje voor je pa en je ma die je nog zo zelden ziet staan; het hoogtij, de ideale oefentijd om elkaar op te nemen en door elkaar opgenomen te worden.
De caritas gaat nooit op vakantie. Of mogen wij zeggen: voor de caritas zijn mensen altijd vrij…

Zestiende zondag door het jaarA — Mt 13,24-43
Vandaag zouden wij de tweede parabelzondag kunnen noemen, de tweede in de reeks van drie. In zijn dertiende hoofdstuk heeft Mattes zeven soortgelijke verhalen bij elkaar gebracht. Dit hoofdstuk wordt daarom ook de parabelrede genoemd.
Een parabel is, zoals wij het reeds omschreven, een gewoon verhaal over de gewone gang van zaken bij mensen, hun omgang met elkaar en met de dingen, met de natuur. Maar die verhalen zijn niet op zichzelf bedoeld. Zij willen bij wijze van voorbeeld een verwijzing zijn naar het Rijk der hemelen. Het Rijk der hemelen gelijkt op een zaaier, gelijkt op een man die op zijn akker goed zaad heeft gezaaid.
Enerzijds is een parabel een wat cryptisch verhaal dat de lessen die hij leren wil, niet rechtstreeks bij de naam noemt: het Rijk der hemelen is:…; God is:… Dat moet jijzelf invullen. Anderzijds is het zó’n eenvoudig verhaal, met een voor elke toehoorder bekend onderwerp en met een logica die buiten discussie staat, dat dat invullen ook geen moeite mag kosten en in feite geen verdere uitleg nodig heeft. De parabel is zo logisch en zo duidelijk in zijn verwijzing dat Jezus erop rekent op die wijze zijn gehoor te overreden en te overtuigen: God is niet die vreemde en wrede oppermacht die mensen er zo vaak in zien, maar een genadevolle Schepper, een barmhartige Vader.
Vorige week was er één parabel aan de beurt, die van de zaaier. De logische les was: de Schepper is zo gul en kwistig met zijn goede gaven dat het niet anders kan dan dat die gulheid en goedheid vruchten voortbrengen, dertig-, zestig- tot honderdvoud.
Na dit verhaal heeft de evangelist Jezus een commentaar in de mond gelegd met uitleg in tweede instantie, bedoeld voor de apostelen. De para-
bel antwoordt op de vraag: wie is God, hoe is God? De uitleg beantwoordt de tweede vraag: wat moeten wij dan doen? Dat komt erbij, maar het is
niet de essentie. De essentie is dat gewone mensen overtuigd moeten worden van Gods goedheid en de onstuitbare gevolgen daarvan voor het menselijk geluk. En als ze overtuigd zijn, dan komt de tweede vraag aan bod: wat staat ons te doen om daarin te passen, hoe kunnen wij daaraan mee-
158
159
werken? Je zou het zó kunnen stellen: de parabel is voor niet-ingewijden, de uitleg is voor wie reeds ingewijd zijn.
Verderop zal dat ook nog het geval zijn, zelfs aanleiding geven tot twee soorten parabels: parabels voor het volk, parabels voor de leerlingen; parabels om te overtuigen, parabels om wie overtuigd is op te roepen tot een actief antwoord.
Vandaag bijvoorbeeld. Alle drie de parabels die Jezus vertelt zijn tot het volk gericht, parabels van eerste orde dus. Dit wordt duidelijk bewezen doordat de Heer na deze drie gelijkenissen de mensen heenzendt en zelf naar huis gaat, waar Hij dan beschikbaar blijft voor de ingewijden, de reeds overtuigden, de leerlingen: voor nadere tekst en uitleg.
Laten wij even kort de drie parabels bekijken. Niet dat zij nadere uitleg nodig hebben, maar wij kunnen trachten ze in de taal van onze tijd om te zetten waar wij het wél aandurven te proberen om rechtstreeks over het Rijk der hemelen te praten. In Jezus’ dagen en alle eeuwen vóór Hem durfde of mocht een mens de naam van God uit schroom en eerbied niet uitspreken. Met de Heer Jezus zal dat veranderen. Zelf spreekt Hij weliswaar in parabels tot het volk, maar tot de ingewijden, tot zijn vrienden zal Hij meer en meer spreken over: onze Vader, mijn Vader, Ik en mijn Vader.
De parabel van het goede zaad. De vijand heeft er onkruid tussen gestrooid. De knechten willen dat uitroeien. Maar de zaaier zelf weet, zoals iedere goede boer dat weet, dat die operatie veel te riskant tot onmogelijk is. De knechten zijn misschien wel bekommerd, maar het is in feite
een dom voorstel. De zaaier weet wel beter. Hij vertrouwt ten volle op zijn zaad en op zijn grond. Uiteindelijk zal die vrucht dragen, dertig-, zestig-, honderdvoud. Let wel: wat voorafgaat is geen uitleg, maar een ver-
woording van de wijze waarop ieder van Jezus’ toehoorders zijn vertelling begrepen heeft.
De eerste parabel van de zaaier, die van vorige week, zei: God is gul en die gulheid zal onstuitbaar tot resultaat leiden. Deze vervolgparabel van de zaaier zegt: God is daarenboven eindeloos geduldig en dat geduld zal uiteindelijk mede en even onstuitbaar renderen, ondanks alle eventuele tegenkrachten.
De parabel van het mosterdzaadje behoeft helemaal niet veel woorden extra, net zomin als de parabel van de gist. Zij hebben het beide over groei en geleidelijkheid in de groei; maar het onstuitbare van de vorige lessen blijft een constante.
Gods schepping is pure dynamiek zonder echter het dynamiet van plots geweld, zoals vaak werd en wordt gedacht over buitennatuurlijke, bovennatuurlijke krachten. Het Rijk der hemelen is nabij, het zal er komen, onstuitbaar maar geleidelijk aan, beetje bij beetje, ook al verwachten mensen van de hemel alles in één keer.
Pure dynamiek, groei in alle mogelijke richtingen: naar boven toe, naar buiten uit, zoals het plantje dat een reuzenboom wordt, én naar binnen toe, zoals gist dat het meel doordringt: zichtbaar en onzichtbaar, zoals er twee kanten zijn aan de mens, de buiten- en de binnenkant, lichaam en geest.
Pure, onstuitbare dynamiek van vertrouwen in het kleine en in de aanstekelijkheid van de goedheid.
Gods gulheid voor mensen, Gods geduld met mensen, Gods vertrouwen in kleine mensen, Gods dynamische kracht in het hart van de mens, en telkenmale blijvend onstuitbaar. f
Na de parabel-les stuurt Jezus het volk heen en gaat zelf ook naar huis, zegt het evangelieverhaal. Dan komen zijn leerlingen Hem om nadere uitleg vragen. Wat nu volgt, is geen parabel meer, maar een andere literaire stijlfiguur die allegorie genoemd wordt, ook al een bewijs dat dit gedeelte voor ingewijden van een latere datum kan zijn. Ieder element van het parabelverhaal krijgt nu een eigen symboolbetekenis. Zaad is dit en onkruid is dat en de vijand is die, enzovoort.
Ik denk niet dat het nodig is om hier nader op in te gaan. Als men uitleg over uitleg in derde instantie nog maar eens moet uitleggen, dan schort er immers wat aan.
Wel wil ik om te besluiten een korte eigen allegorie opzetten voor ingewijden, aansluitend bij de drie parabels van vandaag en antwoordend op de vraag: als God zo is, wat moeten wij, mensen, dan doen?
Van de zaaier van het goede zaad leren wij het goddelijke geduld met de mens, heen en weer tussen zijn goed en zijn kwaad; en ook leren wij dat geduld een ‘goddelijke’ deugd voor mensen is, misschien de mooiste zijde van de liefde.
Van het mosterdzaadje leren wij het goddelijke vertrouwen in de mens, zijn goddelijke voorkeur voor het kleine; en ook: dat voorkeur voor de kleine een ‘goddelijke’ deugd voor mensen is, misschien de meest kenmerkende zijde van het geloof.
Van de gist leren wij de goddelijke dynamische kracht die aan het werk is in het hart van de mens, Gods goedheid, niet te stuiten en niet te verstikken; en ook dat aanstekelijke en nooit aflatende goedheid een ‘goddelijke’ deugd is voor mensen, misschien de mooiste zijde van de hoop.

Zeventiende zondag door het jaarA — Mt 13,44-52
Vandaag hebben wij de drie laatste parabels gelezen in de reeks van zeven die over drie zondagen gespreid de zogeheten parabelrede uitmaken in hoofdstuk r3 van het Matteiisevangelie.
Voor de overzichtelijkheid en bij wijze van geheugensteuntje noemen wij even de zeven titels op van deze korte en eenvoudige verhalen die Jezus vertelt, als gelijkenissen over het Rijk der hemelen. Ik citeer deze zeven titels, zoals ze boven de tekst staan in onze Willibrordbijbelvertaling:
– De zaaier
– Onkruid tussen de tarwe
– Het mosterdzaadje
– Gist en bloem
– De schat in de akker
– De parel
– Het sleepnet
De evangelist Matteiis is niet enkel een geprivilegieerd ooggetuige, maar ook een bekwaam verslaggever en een literair begenadigd auteur. Dit is wereldliteratuur, ook wat de vormgeving, de constructie betreft. Daarin toont hij zich zeer bedreven bij het samenbrengen van Jezus’ woorden in vijf grote redevoeringen. Maar ook deze ene parabelrede op zich is een model van literaire constructie. En de verdeling die de liturgie gemaakt
heeft over drie zondagen (i + 3 + 3) doet daar geen afbreuk aan, integendeel.
Vooral de vergelijking wat de opbouw betreft tussen de tweede zondag (parabels 2, 3 en 4) en de derde (parabels 5, 6 en 7) is leerrijk en boeiend. Die twee staan tegenover elkaar als in een chiasme, een literaire kruisvorm. De eerste van de tweede zondag, de parabel van het onkruid tussen het goede zaad, is de opponent van de laatste van vandaag, de parabel van het sleepnet. Net zoals de nummers 3 en 4 samen het tegenbeeld vormen van de nummers 5 en 6 samen genomen.
Voor de vergelijking tussen kop en staart is opponent niet het goede woord. Zij zijn elkaars weerspiegeling. Beide zijn het parabels over het goddelijk geduld: zoals het geduld bij het zaaien en het geduld bij het vissen.
Het feit dat verschillende discipelen van Jezus vissers waren, doet ons deze laatste gelijkenis eerder beluisteren naar de apostelen toe. De ene, die van het goede zaad en het onkruid, is dan eerder een antwoord op de eerste vraag: hoe is God? De andere,<over het sleepnet, is eerder een antwoord op de tweede vraag: hoe moeten wij dus zijn? Beide parabels leren ons met wisselende accentuering: de eerste vooral over Gods geduld met de mens, de tweede vooral ook dat geduld een ‘goddelijke’ deugd is voor mensen tegenover elkaar.
Dit accentverschil wordt trouwens bevestigd door het feit dat de parabel over de visvangst en het volle sleepnet niet aan het volk, maar aan de apostelen verteld is. De perikoop van vandaag begint weliswaar met de zinsnede ‘In die tijd zei Jezus tot de menigte’, maar dat is een inlassing van de liturgie; in de Bijbel staat die zin niet.
Daar staat wel enkele verzen eerder dat de Heer de menigte liet gaan en zelf naar huis ging, waar zijn leerlingen zich bij Hem voegden. Nergens wordt gemeld dat het volk is teruggekomen of dat Jezus opnieuw naar het meer is gegaan. Nergens wordt herroepen dat Hij de parabelles, voor de menigte begonnen, achteraf heeft voortgezet voor zijn apostelen.
En dat geldt evenzeer voor de beide eerste parabeltjes van vandaag, over de schat in de akker en over de kostbare parel: eerder tot de apostelen gericht, eerder handelend over wat mensen te doen hebben die het Rijk ontdekt hébben, die reeds overtuigd zijn, zoals wij dat noemden, die
reeds tot de ingewijden behoren. Zij moeten alles maar dan ook alles veil hebben voor dat Rijk, voor die schat, voor die parel: voor de rijkdom in de volle zin van het woord, de rijkdom van het Rijk der hemelen.
Maar laat ons daar toch niet meer in zoeken dan nodig is. Er is nog een andere, misschien wel belangrijkere vaststelling te doen en bedenking te maken.
Wij spraken van de letterkundige kruisvorm, het chiasme tussen vorige week (de tweede, derde en vierde gelijkenis uit de reeks) en vandaag (5, 6 en 7). “Wij vergeleken de eerste van toen en de laatste van nu als zijnde elkaars spiegelherhaling, niet elkaars opponenten dus.
Daarentegen kun je tussen de korte parabeltjes, enerzijds het mosterdzaadje en de gist en anderzijds de schat en de parel, wel spreken van een zekere opponentie, niet dat ze daarom elkaar zouden tegenspreken, maar wel dat ze heel andere facetten belichten en benaderen en daarom elkaar aanvullen.
Als je ze op zich twee aan twee onderling met elkaar vergelijkt, het mosterdzaadje met de gist aan de ene kant, de parel en de schat aan de andere kant, dan kun je de beide eerste onder één titel brengen en ook de beide laatste. Mosterdzaadje en gist zijn parabels over groei, de dynamiek van het Rijk der hemelen: geleidelijk aan maar onstuitbaar, naar boven en naar binnen. Zo ook hebben de schat en de parel eenzelfde onderwerp, namelijk het zijn parabels van de stabiliteit, van de trouw: het door niets zich laten afleiden of laten afbrengen van.
Er is geen onderlinge tegenspraak, zeiden wij, ze zijn elkaars complement: dynamiek en stabiliteit, groei naar steeds nieuwe en ruimere horizonten van de liefde, en trouw aan de onveranderlijke gevestigde waarden van de waarheid.
En zo is het met het Rijk der hemelen. Zo is God: eindeloos dynamisch en grenzeloos trouw. Zo moeten wij trachten te worden om daar actief op te antwoorden: open voor alle goeds dat op ons afkomt en standvastig in wat ons is overgeleverd.
Mensen willen soms maar al te graag een wig drijven tussen deze beide aspecten, tussen dynamiek en stabiliteit, alsof ze niet samen kunnen gaan, alsof er tussen beide gekozen moet worden.
Waar ligt de waarheid? vragen wij dan. Wie heeft het nu bij het rechte eind: progressief of conservatief bijvoorbeeld, de mensen van de traditie of die van de vernieuwing?
De enen, de progressieven, beweren dat zij het zijn, omdat zij tenminste iets begrepen hebben van de dynamiek van het Rijk: `progredi’, zoals een mosterdzaadje of zuurdeeg, altijd maar groeiend en doorgroeiend in een steeds veranderende wereld, altijd maar nieuw en vol energie, zichzelf en de anderen vernieuwend.
En de anderen, de conservatieven, hebben het gelijk aan hun kant, omdat zij alles overhebben voor de zekere waarde en waarheid van de traditie: `conservare’, zoals een schat in een akker verborgen of een kostbare parel, trouw zijn ten koste van wat dan ook.
Maar wij moeten deze beide parabeltweelingen in één adem lezen, de ene als aanvulling van de andere, om stilaan tot het inzicht te komen dat het Rijk der hemelen, dat het leven op aarde beide kenmerken in zich dient te verenigen: de nooit aflatende trouw aan onze traditie en de nooit aflatende inventie voor het vinden van nieuwe wegen naar het hart van God. Zoals datzelfde leven, datzelfde Rijk der hemelen voor mensen van Gods hart wil zeggen: geduld en even onstuitbare als aanstekelijke goedheid en gulheid.
Vanaf het begin hebben wij gesteld dat Jezus door de parabels heen het vooral wil hebben over God: over zijn goedheid en trouw, over de mensenliefde en het geduld van onze Vader die in de hemel is. Maar daarbij mogen en moeten wij durven door te denken vanuit dat ene zo pregnante en indringende woord van de Heer: wees volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is.

Achttiende zondag door het jaarA — Mt 14,13-21
Brood is een dermate menselijk oergegeven dat het meteen ook een universeel oersymbool is. Het staat voor alles wat mensen nodig hebben, voor alles wat voor mensen noodzakelijk en tegelijk ook voldoende is om van te leven: de ene hand vol onmisbare materie, de andere hand vol mysterie van vriendschap en liefde, even onontbeerlijk als het materiële.
164
165

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x