Jaar A, DHJ 10

Tiende zondag door het jaar A — Mt 9,9-13

Het verhaal van de roeping van Matteüs in het evangelie van MatteUs valt op door zijn bondigheid en beknoptheid, net zoals ieder roepingsverhaal in de evangelies.
Mattes zat voor zijn huis, toen Jezus er voorbijkwam. Volg Mij, zei Jezus. De man stond op en volgde Hem. Collega Lucas voegt in zijn versie daar één halve zin aan toe: de man stond op, liet alles achter en volgde Hem.
Wat betekent dat: Hem volgen, alles achterlaten?
Het moet wel heel radicaal geweest zijn. Zo blijkt uit de verhalen over mensen die wel geroepen werden, maar er niet op ingegaan zijn. De rijke jongeman bijvoorbeeld: alles achterlaten was wat hem betreft te veel gevraagd. Of die andere naamlozen die eerst nog hun akker te gelde wilden maken, afscheid nemen van familie en vrienden, hun doden begraven…
DE A-CYCLUS
DOOR HET JAAR
Uit andere verhalen blijkt dan weer dat geroepenen, volgelingen, discipelen in hun eigen huis bleven wonen, op visvangst bleven gaan, hun zieke verwanten verzorgden. Jezus zelf had ook zijn huis waar Hij at en sliep. Het zal wel niet groot genoeg geweest zijn om er een convent van te maken.
Volg Mij! Jezus volgen is een radicale stap zetten die overeenkomt met een onmiddellijke en directe, maar vooral een fundamentele bereidheid om aan het discipel-zijn alle en absolute voorrang te geven. Jezus zei tot Mattes: volg Mij. De man stond op en volgde Hem.
In het geval van Mattes, de tollenaar, kunnen wij ons moeilijk voorstellen dat hij — zoals allicht zijn medevolgelingen Petrus en Andreas, Jakobus en Johannes tussendoor hun vissersbestaan bleven leiden — zijn douanierschap in dienst van de bezetter zou voortzetten en zou blijven wonen in het ambtenaarshuis dat daarbij ter beschikking gesteld werd.
Daarom is het best denkbaar dat het tweede verhaal dat vandaag verteld wordt, dat van het feestmaal in Mattes’ woning, qua tijdstip aan het eerste is voorafgegaan. Zoals dat in verhalen al gaat: als er een nieuw personage opduikt, wordt ter kennismaking of ter herinnering iets uit zijn verleden verteld.
Mattes is dus leerling van Jezus geworden. En daar voegt de verteller aan toe: je weet wel, de man die dat beroemde etentje organiseerde waarop duidelijk werd dat Jezus er niet voor terugschrok om er met zijn leerlingen aan deel te nemen, ook al waren de genodigden in hoofdzaak collega’s van de gastheer: tollenaars en zondaars (zoals die met reden misschien wel in één adem werden genoemd). En dát begrijpelijkerwijze tot grote ergernis van de goede ingezetenen van de stad, de kerkleiders en de schriftleraars voorop. Jezus laat er geen twijfel over bestaan dat dit geen toeval was, maar een bewuste keuze, omdat het behoorde tot zijn taak en zending.
Jullie, farizeeërs, zegt Hij, jullie verdelen de maatschappij in principe in twee kampen: aan de goede kant jezelf; dan een muur, zo erg als die van Berlijn, en daarachter uitschot, de tollenaars en zondaars, de categorie van eens en voorgoed getekenden en verdoemden. Ik maak die verdeling niet. Ik kies voor de mensen zoals ze zijn, wie of wat ze ook zijn. Iedere mens heeft behoefte aan hulp, aan genade, aan vriendschap, aan toekomst.
Iedere mens heeft van Godswege recht op een aanbod van geluk, een uitgestoken hand, een nieuwe kans. Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken.
Dit gebeurde in Kafarnam, waar Jezus woonde; waar ook de niet onbemiddelde vissersbaas Zebedes woonde met zijn zonen Johannes en Jakobus, dicht bij het visrijke meer van Genezareth; waar de broers Andreas en Petrus waren komen wonen in de buurt van de mooie synagoge. Wij kennen de overste van de synagoge, Jaïrus. Wij weten dat er een klein Romeins legergarnizoen gevestigd was met een honderdman aan het hoofd die ooit op Jezus een beroep deed.
Het stadje met zijn zowat vijfduizend inwoners was een grensplaats tussen twee provincies. Dat was lang voor het verdrag van Schengen: een grens betekende toen wat. Er was een tolkantoor waar meerdere stedelingen tewerkgesteld waren. Ze werden bekeken als een soort collaborateurs met de bezetter, of tenminste met de nogal despotisch heersende provinciegouverneurs. Zeker de bewoner van het tolhuis was niet direct een graag geziene figuur. Ook de vissers moesten bij hem langs om btw te betalen op de vangst die zij te koop aanboden.
Zo zal wel iedereen iedereen gekend hebben in Kafarnam: vriend en vijand, de vissers en de tollenaars, de oversten en de Romeinen, de farizeeën en Jezus, die vreemde profeet die hier niet zo lang geleden was komen wonen en die zieken genas en die in de stilte bad en die al eens zo merkwaardig gepreekt had tijdens de weekendviering.
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Jezus er vele vrienden had, dat er ook vriendschap gegroeid was tussen Mattes en Jezus. Iedere morgen als Hij de stad uitging en ’s avonds als Hij terugkwam, wandelde Hij langs het grenskantoor, waar Hij Mattes zag. En Jezus zei hem goedendag; dat deden niet veel anderen. Zo groeide hun verstandhouding. En zo waagde Mattes het erop om zijn nieuwe onverwachte vriend eens uit te nodigen op een etentje met zijn collega’s. Hij zou toch wel niet komen. Maar Hij kwam wel en had iedereen daarmee duidelijk gemaakt dat het menens was met hun vriendschap.
En toen gebeurde het. Gewoontegetrouw zat Mattes voor zijn huis, waar even gewoontegetrouw zijn vriend Jezus voorbijkwam en goedendag zei. Die keer zei Hij meer dan dat. Hij zei: volg Mij. De man stond op en volgde Hem.
Roeping is een stilaan ontloken vriendschap die uitgroeit en plots uitbreekt in een radicale keuze voor een nieuw leven in verbondenheid, gegevenheid en dienstbaarheid.
De naam Matteiis komt in het evangelie van NIatteiis nog slechts op één enkele andere plaats voor. Dat is als de evangelist de volledige lijst van de apostelen opstelt en hun namen op een rijtje zet: de ploeg is compleet dan. Ook daar wordt Mattes aangeduid als de tollenaar.
Dat is een verschilpunt met de andere evangelies. Hun roepingsverhaal is identiek, maar de tollenaar heet daar Levi, al gaat het duidelijk over dezelfde persoon. Ook de namenlijst iets verderop is dezelfde, maar nu wordt Matteüs’ oude beroep niet genoemd. Een klassieke uitleg voor dit verschil is dat de ene het wél doet, uit nederigheid, en de anderen niet, uit collegialiteit. Ook al bestaat er geen zekerheid wat het auteurschap van de evangelies betreft, toch is dit een klein bewijs voor de echtheid van de naam van de eerste evangelist: Matteüs. Overigens, als dat niet zo was, waarom zou men er later dan niet voor geopteerd hebben om liever Petrus of Andreas tot evangelist te promoveren, dan wel deze zoveel minder bekende Matteiis?
Er is een ander bewijs dat mijns inziens sterker is. Matteüs als gewezen ambtenaar van financiën kwam in zijn nieuwe gemeenschap van Jezusleerlingen zeker niet in aanmerking als schatbewaarder: technisch natuurlijk wel, maar menselijkerwijze gesproken zeker niet, al is Jezus’ keuze voor een ander achteraf ook niet zo gelukkig gebleken. Maar Matteüs’ oude ambt had wel met zich gebracht dat hij kon schrijven, dat hij Grieks en Aramees sprak, dat hij dingen kon ordenen en rapporteren. Waarschijnlijk is het hem niet opgedragen, maar misschien heeft hijzelf wel een geheim daghoekje bijgehouden van vele Jezuswoorden die hij dan jaren later in combinatie met feiten en verhalen van Marcus en anderen uitgewerkt heeft tot zijn grote opus één: het evangelie van Onze Heer Jezus Christus volgens Mattes.
Het verhaal van zijn eigen roeping is er een gebalde samenvatting van. De Heer Jezus, de Gezondene van de Vader, nodigt mensen uit om in te gaan op zijn aanbod van vriendschap; vriendschap die uitgroeit tot een totaal engagement van verbondenheid, gegevenheid en dienstbaarheid. Het aansluitende verhaal van de feestmaaltijd verfijnt dit tot een open vriendschap zonder taboes en een dienstbaarheid waarvan niemand wordt uitgesloten en waar de kleinen en de zwakken boven aan het lijstje staan.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x