Jaar A: Derde zondag van de Advent

Derde zondag van de advent – Matteüs 11, 2-11

De Johannes de Doper van vandaag is een heel andere dan die van vorige week. Hij zit in de gevangenis van Herodes te wachten op de onvermijdelijk lijkende fatale afloop. Hij is verstandig genoeg om te weten dat je hoge pieten niet straffeloos op de tenen trapt. De rol van de voorloper is uitgespeeld. Trouwens, Die na hem komt, is klaarblijkelijk gekomen, naar hij hoort vertellen. Is dit nog wel een adventsevangelie? kunnen wij ons afvragen.

De vraag van Johannes naar Jezus toe is een geladen vraag. Zij getuigt van twijfel, ontmoediging, teleurstelling: amper dertig jaar oud en geen toekomstperspectief meer. Daar komt nog bij dat de Man in wie hij al zijn verwachtingen heeft gesteld, enkel maar wat rondloopt door onbelangrijke dorpen, wat zieken geneest, wat armoezaaiers troost, maar helemaal geen kafverbrander lijkt te zijn die ten strijde trekt tegen het adderengebroed van de ongerechtigheid.

Wat zou Johannes zichzelf hebben voorgesteld van Jezus’ antwoord? Want wat het ook weze, goed nieuws kan het voor hem toch niet zijn. In het geval van ‘neen, Ik ben het niet, je moet een ander verwachten’ heeft hij vanaf het begin op het verkeerde paard gewed. In het geval van ‘ja, Ik ben het’ wordt alleen maar bevestigd dat hij in zijn verwachting bedrogen uitkomt. Het is allebei even frustrerend als uitzichtloos. Tenzij Jezus hem tegen alles in zou laten weten dat zijn bevrijding nabij is.

Binnen Johannes’ eigen verwachtingspatroon zou dat nog wel kunnen passen: een messias die zijn getrouwen mobiliseert en optrekt naar Herodes’ gevang om de profetie van Jesaja letterlijk uit te voeren en op die wijze Johannes’ probleem toch nog positief op te lossen.

Maar zo is Jezus’ antwoord niet. Jezus drukt zich zelfs niet eens zo heel persoonlijk, zegezeker-affirmatief uit, in de zin van: wees maar gerust, Ik ben het, Ik genees de zieken, Ik doe de blinden zien en de kreupelen gaan. Wel bevestigt Hij dat met Hem de Messiaanse tijd begonnen is, stilletjes aan maar zeker. Blinden zien. Niet: de blinden of alle blinden. Maar: blinden zien en lammen lopen. Melaatsen genezen en doven horen. Doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd.

Van gevangenen en hun vrijlating spreekt Jezus niet. Allicht heeft Hij dit met opzet weggelaten uit zijn citaat van de Jesaja-profetie. Het zou wat al te cynisch zijn en weinig tactvol tegenover Johannes. Maar tegelijk maakt het toch ook duidelijk dat de bevrijding die Hij brengt, op een ander niveau ligt. Hij is degene die komen moet. Er is geen ander te verwachten. Wel zal die verwachting anders moeten worden ingevuld dan zelfs de grootste van de profeten zich had voorgesteld. De laatste zin van Jezus’ antwoord is niet mis te verstaan. Zalig gij, zegt Jezus, als gij aan Mij geen aanstoot neemt, dit wil zeggen: als gij Mij neemt zoals Ik ben en niet Mij afwijst omdat Ik niet ben zoals gij Mij wilt.

Wat het verhaal niet vertelt, is hoe Johannes heeft gereageerd op Jezus’ antwoord, als zijn leerlingen hem dat zijn komen brengen in zijn kerker. Verdere en blijvende ontmoediging, teleurstelling, verbittering of ommekeer en overgave, aanvaarding van een antwoord dat in feite geen nieuw element omvat dan wat hij al wist, dat er integendeel nog extra aan toevoegt: dat moet u voldoende zijn, zalig die geen aanstoot aan Mij neemt!

In geloof kennen wij Johannes’ reactie. En ook Jezus zelf, zo blijkt uit de manier waarop Hij met de omstanders over zijn voorloper verder praat… ook Jezus zelf is er zeker van dat Johannes zijn boodschap zal begrijpen en aanvaarden, dat deze vurige gelovige – in geloof – zijn crisis van vertrouwen en verwachting zal doorleven en te boven komen; dat hij ondanks de ogenschijnlijke zinloosheid en de fatale afloop geen aanstoot aan Hem zal nemen, maar Hem nemen zoals Hij is; dat hij, de grootste van de mensenprofeten, de kleinste zal worden in het Rijk der hemelen.

Geen adventsevangelie? Jawel. Dit is Johannes’ eigenste advent, zijn tijd om uit te zien naar de komst van de Heer, naar de definitieve ontmoeting met de God van zijn verwachting en zijn leven. Daarvoor moet hij Jezus’ woord aannemen als garantie dat zijn levenskeuze de juiste was, de moeite waard was; en moet hij zichzelf bevrijden van de geestelijke ketenen die hem vastkluisteren aan zijn eigen messiasbeeld, al te zeer op louter mensenmaat gesneden.

In de adventspredikatie van de Doper bij de Jordaan waren twee elementen aanwezig. Het eerste was de aanwijzing van de Heer: niet ik ben het, maar Hij die na mij komt. Het tweede element was de oproep tot bekering: bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij.

Nu zijn de rollen omgekeerd. Johannes is nu de luisterende en vragende partij. Het ‘wat moeten wij doen’ van zijn toehoorders is bij hem geworden tot ‘zijt Gij het die komen moet?’. En Jezus is de adventspredikant van dienst. In zijn wederwoord zijn dezelfde twee elementen aanwezig. Het eerste: Ik ben het. Het tweede: de oproep tot bekering, de tweede bekering van de Doper, de definitieve ommekeer: neem geen aanstoot aan Mij. Gij die de grootste van de profeten der mensen zijt, moet en kunt en zult de kleinste worden in het Rijk der hemelen.

Het is niet moeilijk om onszelf in deze Johannes de Doper te herkennen. Ieder van ons raakt al eens teleurgesteld, ontgoocheld, vertwijfeld. Ieder van ons maakt al eens een crisis door van vertrouwen en verwachting. Ieder van ons moet al eens zoeken naar zijn tweede adem, zijn tweede ‘levens’adem. Iemand die beweert nooit zo’n moment door te maken dat hem werkelijk raakt tot in zijn ziel, die leeft hoop en al aan de oppervlakte van de liefde en het engagement.

Als je met hart en ziel aan iets gewerkt hebt en je weet dat je het juist voorhebt en het resultaat blijft uit, dan komt onvermijdelijk de ontmoediging, maar ook de genade.

Ook voor ons betekent advent: de verwachting en het uitzien naar de definitieve komst en ontmoeting. En het gaat dan zeker niet alleen over de min of meer lange termijn, het uur van onze dood. Ook voor ons is advent: de confrontatie met de mislukking, de teleurstelling, de ontmoediging, de vertwijfeling; en de nieuwe ommekeer naar vertrouwen en overgave. Uit de crisis treedt de mens dan sterker en vertrouwvoller dan ooit naar voren.

Zalig die geen aanstoot aan Mij neemt. Het probate middel daartoe is wat in de Schrift heet: klein worden, de kleinste in het Rijk der hemelen. Het is hij die zich totaal inzet voor het goede, die ontzettend blij en dankbaar kan zijn met alle goede resultaten, maar ook nederig genoeg is om iedere, ook de eigen onvolkomenheid en fout te erkennen en te dragen. De kleinste in het Rijk der hemelen, dat is hij die in opstand komt en blijft komen tegen alle onrecht, die intens bedroefd kan zijn om iedere mislukking, maar die in staat is door ontmoediging en mismoedigheid heen te groeien, omdat hij alert en gevoelig is voor het kleinste tekentje van goedheid en hoop, de kleinste vonk van het Mysterie, zij het een onooglijk, onmondig en weerloos kerstekindje dat geboren wordt.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x