Jaar A, derde Paaszondag

Derde paaszondag, Lucas 24,13-35

Het verhaal van de leerlingen van Emmaüs. Voor velen is dit het mooiste paasverhaal uit de evangelies. Het wordt alleen door Lucas verteld. Die heeft het allicht via mondelinge overlevering leren kennen, maar hij heeft er heel zeker zijn eigen ‘werk’ van gemaakt. Qua constructie is het een literaire parel. Lucas doet veel meer dan zomaar een verhaaltje vertellen. Met die merkwaardige constructie, waarop wij later nog zullen ingaan, heeft hij duidelijk een bedoeling gehad in verband met de inhoud. Als men dit dan het mooiste paasverhaal vindt, heeft dat zeker te maken met de verhouding tussen inhoud en vormgeving. Maar dat is de luisteraar zich helemaal niet bewust. Eerder zal hij zeggen: zo mooi, omdat het zo gewoon is. En dat is het ook. Het ligt zo dicht bij ons! We herkennen er ons in, omdat het over ervaringen gaat die ons zeer eigen zijn. Het existentiële niveau van het verhaal hoeft niet onder te doen voor het literaire.

Zij herkenden hem aan het breken van het Brood; en ze zeiden tot elkaar: brandde ons hart niet in ons, toen Hij tot ons sprak en de Schrift ontsloot? Zij hebben Hem plotseling herkend, maar zijn er zich meteen van bewust dat het ook geleidelijk aan gebeurd is. We hebben hier twee religieuze herkenningsmotieven genoemd: het breken van het Brood en het verklaren van de Schrift. Maar voorafgaandelijk worden verschillende gewoon menselijke herkenningsmotieven aangegeven: tekenen waaraan als het ware te merken is dat de Heer verrrezen is; waaruit op te maken valt – niet uit ieder tekentje op zich maar uit alle bijeengenomen – dat Hij leeft.

Het verhaal gaat uit van een absoluut dieptepunt. Getekend door de fundamentele mislukking van hun levensdroom keren beide leerlingen, tot wanhoop toe bedroefd, naar huis terug. Voordat Jezus ten tonele verschijnt, is er nochtans reeds een opening op wat komen gaat. De twee mannen sluiten zich niet in zichzelf op, sluiten zich niet voor elkaar, zoals diep ontgoochelde mensen kunnen doen. Zij spreken met elkaar. Het ontlast hen wat. Zij willen elkaar wat soelaas bieden en ondersteunen in hun misère. Dat is een eerste opening op het verrijzenisgeloof: mensen die deelgenoot zijn in elkaars pijn en lijden, zoals ze dat evenzeer zullen zijn in elkaars vreugde, als ze tot elkaar zeggen: brandde ons hart niet in ons, toen Hij tot ons sprak?

En zo start het crescendo van de herkenning, de geleidelijke groei van de verrijzeniservaring die straks zijn plotse hoogtepunt zal kennen.

Een vreemde man gaat met hen mee. Daar is niets merkwaardigs aan, ware het niet dat die man luistert naar hun droefheid, geïnteresseerd is in hun nood. Hij gaat niet enkel met hen mee; daarenboven is hij meegaande, leeft hij mee met hun verdriet.

Een stap verder is het, als de vreemde man hun niet enkel zijn oor leent, maar hen ook wil troosten en opbeuren in hun ontgoocheling. Hier gaat de menselijke troost hand in hand met de spirituele vertroosting. Hij ontsluit voor hen de Schrift. Dat wil – reeds op louter humaan vlak – zeggen: dat hij hun hart, blind en doof van uitzichtloosheid, opent voor de wijze lessen van het verleden, van hun geschiedenis, van wie hen zijn voorgegaan. Uiteraard is de Schrift veel meer dan dat; daar komen wij zo dadelijk bij. Maar eerst zetten wij nog een stap verder.

Het is avond als ze in hun dorp aankomen. Zij nodigen de vreemdeling uit om bij hen te blijven. Dit is uiteraard een onmisbare schakel in het verhaal. En ook op zich is het een betekenisvol gebaar. Dat zij hun huis openen voor hun toevallige onbekende reisgezel, wil zeggen dat hij hun ná geworden is en dat zij zich daarom niet in zelfzelf en hun verleden opsluiten ten einde toe, maar de deur van hun hart openzetten – zij het slechts op een kier – voor toekomst, voor leven.

Dan komen wij bij de reeds genoemde religieuze herkenningsmotieven: de Schrift en de Broodbreking. Wij herkennen hier iets van onze liturgie in: de lezing en de verklaring van de Schrift die voorafgaan aan het eucharistisch gebeuren. Maar is deze Broodbreking wel eucharistie?

Het wordt door velen in vraag gesteld en hoeft ook niet zo te zijn. Toch mogen wij even geredelijk aannemen van wel. De woorden die gebruikt worden om de handelingen te duiden in de ons bekende volgorde: ‘Hij nam het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe’, komen letterlijk voor in de instellingsverhalen. Belangrijk is dat Hij niet het brood zegende, zoals wij dat vaak verstaan volgens onze gewone manier van doen, maar – zo staat het er – dat Hij de zegen uitsprak: het zegengebed, het dankgebed tot de Schepper van alle leven en Gever van alle goed. Wat er dan ook van zij, daaraan herkenden zij Hem, omdat zij Hem dit op diezelfde wijze nog hadden zien doen: als het Hem zo kenmerkende teken van zijn aanhankelijke verbondenheid met de Vader, zijn offervaardigheid, zijn gegevenheid.

Ingekaderd in het verhaal en zijn climax gaat deze plotse herkenning van de Levende als het ware werken ‘met terugwerkende kracht’: zij herkenden Hem aan zijn meegaande interesse en zijn aandachtige eerbied voor hun leed, aan zijn woord van troost en wijsheid, aan de vriendschap die Hij schonk en aanvaardde. Het zijn stuk voor stuk, eens en voorgoed, ook voor ons nu: tekens en tekentjes waaraan mensen in hun omgaan met elkaar kunnen herkennen en ervaren dat Hij leeft.

Hun plotse herkenning van de Levende aan het breken van het Brood echter gaat vóór alles met ‘terugwerkende kracht’ inspelen op de woorden die Hij tot hen sprak, toen Hij hun de Schriften ontsloot. Op het moment zelf bleven ze nog gesloten; nu worden ze retroactief ontsloten: ‘Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?’

Het mooiste paasverhaal, vinden velen; evenzovelen ondervinden hinder van en weerstand tegen deze ene o zo onbegrijpelijke zin. Maar hem wegdenken kan niet, want het is de kern van het hele Christusmysterie: het levensprobleem voor ons nu zoals voor Jezus’ leerlingen toen, inclusief de beide sympathieke Emmaüsgangers.

Dat Hij had moeten lijden, dat Hij had moeten sterven: dat had precies voor hen het einde van alles betekend. Dat kon gewoon niet. Zeker niet dat God de Heer zelf gewild of enkel maar geduld zou hebben dat zijn Messias lijden moest. Echter, door het Woord van de Verrezene, bevestigd door het breken van het Brood, zijn zij nu tot een ander inzicht gekomen. Niet dat Hij het lijden heeft gezocht als een door God gewild mensonwaardig doel op zich. Maar wel dat Hij het niet heeft willen ontlopen, als het zich als onvermijdelijk aandiende; dat Hij er niet voor is teruggedeinsd en op de vlucht geslagen, om zodoende niet zichzelf te miskennen en te verloochenen; dat Hij consequent is gebleven: trouw tot in het lijden en tegelijk vertrouwvol in die schijnbaar uitzichtloze situatie. Omdat Hij vanwege zijn levenswijze van verbondenheid en gegevenheid, zijn lijden en kruis gedragen heeft, gehoorzaam tot de dood, daarom – zeg Paulus – heeft God Hem zeer verhoogd. ‘Moest de Messias dat alles niet lijden om zo zijn glorie binnen te gaan?’

De hinderlijke zin, het weerstand oproepende vers uit het mooie paasverhaal is uitgegroeid tot de centrale gedachte. Uiteindelijk is dit de reden dat zij Hem als de Levende hebben kunnen herkennen, namelijk aan het breken van het Brood.

Wij moeten dit ene vers leren zien en begrijpen als het middelpunt en hoogtepunt van het geheel. De herkenning bij de Broodbreking is er het gevolg en de bekroning van. Psychologisch qua verhaal is het tweede vers het hoogtepunt – wij kunnen niet anders dan het zo verstaan – maar theologisch qua geloof is het eerste vers het hoogtepunt.

Dat precies is het wat Lucas zelf zo goed begrepen heeft en heeft willen uitdrukken met zijn ‘constructie’. Het hele verhaal is concentrisch en in spiegelvorm opgebouwd rondom dat ene vers – een piramideconstructie met als top: ‘Moest de Messias dat alles niet lijden om zo zijn glorie binnen te gaan?’ Wat daarop volgt, is net de weerspiegeling van wat daaraan voorafgaat, met telkens dezelfde ideeën en termen die terugkeren.

Net ervoor staat dat zij de Schrift niet begrepen; net erna dat Hij ze hun liet begrijpen.

Even eerder bergopwaarts de piramide: dat zij Hem niet herkenden, nadat Hij ten tonele ‘verschenen’ was; gelijklopend naar beneden: dat zij Hem herkenden, maar dat Hij uit hun ogen verdween.

In het voorspel staat, weer iets eerder, dat zij met elkaar spraken over wat hen bedroefde; in het naspel is het de tegenhanger dat zij elkaar vertelden wat hen verheugde.

Het verhaal begint met de vermelding dat ze Jeruzalem hadden verlaten; het eindigt met de melding dat zij naar Jeruzalem teruggingen.

En om te besluiten nog dit. Net vóór het verhaal heeft Lucas het gebeuren van paasmorgen geschetst, met als orgelpunt in mineur hoe Petrus bij het lege graf het allemaal alleen maar bedenkelijk vond. Het orgelpunt in majeur na het Emmaüsverhaal is: ‘De Heer is waarlijk opgestaan, want Hij is aan Simon verschenen… Toen vertelden zij van hun kant wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het Brood.’

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x