Jaar A, Allerheiligen

ALLERHEILIGEN

Op het feest van Allerheiligen wordt het evangelie van de acht zaligheden gelezen. Dat hoort zo, geen mens betwist dat. Wij ervaren spontaan een onlosmakelijk verband tussen beide: tussen het evangelie van de zaligsprekingen en het feest van Allerheiligen. Zoiets als: zalig om heilig; heiligheid om zaligheid.

Inderdaad, als je alle betekenis, alle inhoud van iedere zaligspreking hebt achterhaald, dan zul je tegelijk elke voorwaarde en mogelijkheid hebben ontdekt tot heiligheid. Maar precies deze zelfde analyse zal ons evenzeer doen ontdekken dat het prachtige Jezuslied aan het begin van de Bergrede qua inhoud en betekenis even onuitputtelijk is als de hemel van alle heiligen zelf.

Reeds dat ene woordje ‘zalig’ betekent zo onnoemelijk veel!

Het drukt blijheid uit, de vreugde, het gaudeamus van het engelenkoor vanwege de zovele wondermooie stukjes schepping, kinderen van God, onze Vader, op aarde zoals in de hemel.

Het drukt verering uit, onze bewondering ten aanzien van hen die dat overweldigende levensprogramma van Christus hebben waargemaakt. Het is zo overweldigend, zo onmogelijk in onze ogen dat er in die vererende bewondering als het ware een beetje argwaan, een beetje christelijke naijver meetrilt.

Maar afgunst ís niet christelijk, tenzij je ze omkeert tot schuldbelijdenis. Ook dat drukt het woordje ‘zalig’ uit: de belijdenis van onze menselijke kleinheid en zondigheid, de belijdenis van mensen die in hun hart hun tekort aan zaligheid ontdekken, hun tekort aan armoede ook. Ik ben niet droef genoeg om alle lijden om mij heen, vergeef het mij, Heer, Kyrie eleison. Het onbereikbare van de boodschap op de berg, omgezet in een bede om genade en vergeving, is de eerste reële stap van een mens – ook onze eerste stap op de weg naar heiligheid.

Blijheid, bewondering, belijdenis… Het woordje ‘zalig’ betekent ook: dankbaarheid.
Heel veel dankbaarheid voor de talloze heiligen ons voorgegaan, én voor de zovele gewone mensen om ons heen die hier of daar, onopvallend en in alle bescheidenheid erbij blijken te horen.
Al maar goed, zeggen wij terecht, dat er nog mensen zijn die… En er zijn er nog heel velen die van onze aarde een goede aarde maken, want: die met zachte moed vechten voor recht en vrede. De hemel van de heiligen staat reeds te gebeuren op onze aarde van trouw en plichtsvervulling, van dienstbaarheid, vriendschap en engagement.

Op een bijzondere wijze betreft het ‘zalig zij’ onze eerbied voor Gods troetelkinderen, ons respect voor de talrijke verachte, verloederde, doodgeplaagde en tot in het diepste van hun vrijheid vervolgde mensen – omwille van de gerechtigheid: mensen aan de zelfkant, aan de buitenste buitenkant van de samenleving.

Daarbij aansluitend betreft het onze opstand, voortdurend en volgehouden, tegen de gangbare gang van zaken. Ik protesteer tegen de heersende waardeschalen van de wereld. De tegenwaarde van mijn protest heet liefde waarvan ik in de opsomming van de Bergrede evenveel verschillende kleuren kan ontdekken als in een herfstschildering van ontelbare tintenschakeringen.

En verder gaat ons woordje ‘zalig’ over hoop en verwachting. Armoede en lijden en honger en verdrukking, zij zullen altijd onder ons zijn. Maar onze hoop en verwachting, onze zaligheid is: dat God zé en niet anders in mensen gestalte aanneemt, dat God aan die kant van het leven komt te staan en daar mensen tegemoet treedt met zijn barmhartigheid en vrede.

Vreugde en bewondering, belijdenis en eerbied, protest en hoop.

Bemoediging! Van elkaar. Ook voor jezelf.

Al maar goed, zeg ik als mens soms terecht, dat ik ondanks al mijn gebreken en tekorten een beetje een vredelievend karakter heb, een beetje een ingeboren gevoel voor wat recht is, een beetje deernis in mijn hart ontdek. Want al is het geen verdienste, zo hoor ik er toch ook een beetje bij.

Wie kan beweren dat hij er helemaal niet bij hoort, dat voor hem géén zaligheid is weggelegd ondanks of juist vanwege zijn kleine kanten en misères. Wel, als je enkel maar moedeloos opkijkt tegen dat overweldigende totaalprogramma; maar zeker niet als je blij bent met de kruimeltjes en gelooft in de onstuitbare kracht van het kiemende mosterdzaadje.

En als je daarin gelooft, als je in jezelf durft te geloven wegens de evangelische zaligsprekingen, ga je vanzelf ook de andere bemoedigen door te zeggen: zalig jij… Op het juiste moment de juiste woorden vinden van opbeuring en troost, de tijd en het geduld vinden om te zwijgen en te luisteren, de zalf om te genezen, de humor om het hardste ijs te breken, de mildheid om het meest verkilde hart op te warmen.
In zijn toneelstuk L’annonce faite à Marie schrijft Paul Claudel: als een ongelukkige er je om smeekt, dan is het je plicht om een heilige te zijn. Zalig zij!

Het betekent nog zoveel meer. Bijvoorbeeld en misschien wel in de eerste plaats dat alle heiligheid van mensen, heldhaftig of doodgewoon, een deelnemen is aan de heiligheid van God, een genadig geschenk is van God: ‘Uit U stroomt alle heiligheid.’

Dat staat te lezen in dat andere woordje, ‘want’, dat aan elke zaligspreking is toegevoegd. Dat ‘want’ komt van God en gaat naar God. Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien, want aan én in hen laat God zich zien.

Het betekent nog zoveel meer dat je er niet over uitgepraat raakt, dat woorden tekortschieten. En waar woorden tekortschieten, daar moet je grijpen naar een lied: om uit te zingen wat niet te zeggen is. Men zou kunnen denken dat Jezus zelf het ook gezongen heeft: zijn lied van de zaligsprekingen op de berg.

Aan ons is het om óns lied te zingen, voor alle heiligen van God, voor alle heiligen die ons zijn voorgegaan, voor alle heiligen van Gods kerk en Gods wereld, en voor onszelf, want ook wij horen erbij:

Zalig zij die Jezus’ Naam belijden;
zalig zij die om zijn Naam willen lijden;
die zuiver en blij zich gans aan zijn liefde wijden.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x