Doopsel van de Heer

Doopsel van de Heer – Marcus 1,7-11

Met dit feest van het Doopsel van de Heer eindigt de kerstperiode. Wij zetten vandaag dus een punt achter de kersttijd. Maar in feite is het geen punt, wel een dubbelpunt naar de toekomst toe. De kersttijd eindigt niet met een laatste viering rondom een verhaal uit het kindsheidevangelie, maar met een eerste Jezusfeest, een eerste Jezusfeit uit het openbare leven van de Heer. De volwassen man Jezus uit Nazareth in Galilea is naar de Jordaan in Judea gekomen om zich door Johannes te laten dopen.

Het Doopsel des Heren tekent echter niet enkel het begin van zijn optreden als feit op zich. Heel zijn verdere leven wordt erdoor getekend, zal als het ware in het teken staan van dit ene moment. Alles wat er nog te gebeuren staat, ligt hierin vervat als in een kiemcel: zijn beschikbaarheid, zijn engagement, zijn trouw, zijn overgave, zijn gegevenheid.

Het Doopsel van de Heer is zowat het moment, dat Hij ten volle zijn roeping ervaren heeft. Het betekent, dat Hij er zich vanaf nu helemaal bewust van is wie Hij is en wat Hem te doen staat. Hij heeft de stem gehoord: Gij zijt mijn Zoon. Hij heeft de Geest ervaren als een vuur dat voorgoed in Hem brandt, als een stormwind, die Hem voortdrijft.

Niet alleen in het evangelie, maar in alle drie de lezingen is op deze laatste dag van de kersttijd de verwijzing naar de komende paastijd heel duidelijk.

De eerste lezing is het eerste Jesajalied van de lijdende Dienaar. Op Goede Vrijdag zal het vierde lied aan de beurt zijn.

Dit is mijn dienaar, die Ik ondersteun, mijn uitverkorene in wie Ik welbehagen stel. Hij roept niet, Hij schreeuwt niet en op straat verheft Hij zijn stem niet. In waarheid zal Hij de gerechtigheid laten stralen.

De tweede lezing uit de Handelingen van de Apostelen is voor een deel net dezelfde als de eerste lezing op paasdag zelf.

Gij weet wat er overal in Judea gebeurd is, hoe Jezus van Nazareth zijn optreden begon in Galilea na het doopsel dat Johannes predikte, en hoe God Hem gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas velen, want God was met Hem.

In alle drie de lezingen is er sprake van de gave van de Geest.

Mijn geest stort Ik over hem uit.
inderdaad geen deel uitmaakt van het daaropvolgend dramatische gebeuren. Maar niemand wil cie ouverture missen. Niemand durft te zeggen dat
de ouverture niet integraal tot de opera behoort. Niemand durft te bewe-
ren dat de opera nog niet begonnen is, ook al is het doek nog niet opgegaan.
Er wordt in die evangelische ouvertures heel wat afgereisd. Maria gaat op reis, Jozef gaat op reis. De familie gaat meermaals op reis. En telkens worden de reden en het doel van de reis goed aangegeven: om een nicht te gaan bezoeken die een kindje verwacht; om aan de volkstelling deel te nemen; om te vluchten voor levensbedreigend gevaar; om het Kind aan
God op te dragen; om een veilige woonplaats op te zoeken; om op bedevaart te gaan.
Dat zijn stuk voor stuk reizen van de hoofdpersonages zelf: Jezus, Maria en Jozef. Maar er zijn ook twee reisverhalen bij waar zijzelf de reden en het doel uitmaken van de tocht en waar andere mensen omwille van hen in beweging komen. En dan zijn wij bij de herders van Kerstmis en de oosterse wijzen van Driekoningen.

De ouverture, zo zeiden wij, geeft de hoofdtonaliteit aan van het drama dat erna te gebeuren staat.
Het Lucasevangelie is een evangelie van en voor herders, een evangelie van de armen en uitgestotenen, van de mislukkelingen en de zondaars: mensen die zé door duisternis omringd en getekend zijn dat zij opschrikken voor het licht, maar er ook onweerstaanbaar door worden aangetrokken. Het evangelie van Lucas is het evangelie van de barmhartigheid, tot
op het kruis waar een Man in doodsnood vergeving toezegt aan een moordenaar die op het allerlaatste moment tot inkeer komt.

Het Matteüsevangelie is een evangelie van en voor wijzen uit het Oosten, een evangelie van zonderlingen en alternatieven, van anders-dan-verwachten, van anderen dan die verwacht zijn: niet het eigen volk dat zijn nieuwe koning afwijst, maar de vreemdelingen wereldwijd die wél oog hebben voor het licht van een ster en een mensengelaat. Het eerste evangelie is het evangelie van de universaliteit van Gods Koninkrijk, tot op het kruis waar boven zijn hoofd het opschrift was aangebracht met de reden
van zijn veroordeling en afwijzing Jezus, de koning van het uitverkoren volk.
Met Kerstmis zegt Lucas ons: je moet God aanvaarden in je leven als de kleinste en de minste der mensen, de gans Nabije, de Naaste-als-jezelf
die je weg kruist.
Met Epifanie zegt Matteüs ons: je moet God aanvaarden in je leven als
de gans Andere, de Heilige, de Koning, als de Eerste en de Laatste van de
schepping.
En zo wordt de kring gesloten: de kring van de aarde en de hemel, van
het eerste gebod en het tweede daaraan gelijk, van de dienst en de eredienst, van de caritas en de amor, van het oude paaslied dat een nieuw kersdied is geworden: ubi caritas et amor, Deus ibi est.
Iedere evangelist is zichzelf, legt zijn eigen accenten, desgevallend in de lijn van de ouverture. Maar tegelijk klinkt uit elke van de evangelische versies en varianten datzelfde refrein: ubi caritas et amor, Deus ibi est. Wat zou er van de herders en van de drie koningen geworden zijn na hun terugreis? Dat is een vraag die alleen gesteld wordt door mensen die te verstandig zijn of zich te verstandig wanen voor dit soort ouverture-verhalen. Kinderen en wie worden als kinderen, stellen die vraag niet: zij weten dat verhalen eindigen waar en zoals ze eindigen. Ga je aan dat einde prutsen, dan maak je het hele verhaal kapot. De herders keerden terug in de anonimiteit waaruit ze tevoorschijn waren gekomen. De wijzen uit het Oosten gingen naar huis langs een weg die niemand kent of weet.
Dat wil zeggen dat deze éne reis hét gebeuren van hun leven is geweest, dat deze éne ontmoeting met het Mysterie, met de minste der mensen, met de Heilige en gans Andere heel hun leven gevuld en vervuld heeft: één moment, zo vluchtig als een plotse lichtflits, wordt tegelijk zo einde-
loos als een eeuwigheid.
In Matteüs’ verhaal wordt dit op ongeëvenaarde wijze uitgedrukt in
het beeld van de ster. Plots is die er en plots is ze verdwenen; en even plotseling verschijnt ze opnieuw om dan – onmogelijk – stil te blijven staan hoven de plaats van de ontmoeting. De tijd valt stil – ook dat is onmogelijk – het éne moment van de ontmoeting is het tekenende moment van
een heel mensenleven.
Of, anders uitgedrukt: heel ons leven is één ontmoeting met het
ondoorgrondelijke mysterie van het bestaan, zoals wij dat bevroeden en ontwaren in een ver en onbereikbaar licht, maar zoals wij dat tegelijk, hier

DE B-CYCLUS

KLils 1 J%I(INt

je proficiat wenst. Aan cie andere kant, om na te volgen: iemand die ons de weg toont en aan wie we vragen kunnen dat zij ons de weg toont. Onze nieuwjaarswens aan Maria: ‘Gezegend zijt gij onder alle vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.’
Om haar te vieren en te eren, bij wijze van ons proficiat en om bij wijze van navolging in haar voetstappen te treden, vertellen en overwegen wij telkens opnieuw en zeker ook vandaag haar levensverhaal.
Het is een heel gewoon verhaal van onopvallende dingen. Maria’s leven was één grote stilte, enkele schaarse woorden en de opvallende losbarsting van één enkel genereus lied.
De stilte, haar stilte was het probate middel om ‘al die dingen’ (zo staat het in het kerstverhaal) in haar hart te bewaren en te overwegen. Enerzijds om ze als vreugdevolle herinnering mee te dragen. Anderzijds om op die basis naar de toekomst toe te leven, van de toekomst te dromen: van kruis en verrijzenis en van het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Haar schaarse woorden; nooit zijn het volzinnen. Een kleine vraag ‘hoe’ van verbazing wordt gevolgd door een al even kort antwoord ‘ja’ van beschikbaarheid. Wat later, als zij als een onbewuste voorafbeelding van verre toekomst voor het eerst haar rol opnam van bemiddelaar tussen hemel en aarde, zei ze tot haar Zoon: ‘Ze hebben geen wijn meer’; en tot de mensen: ‘Doe maar wat Hij u zeggen zal.’
En dan is er nog haar lied, het Magnificat, hét loflied, haar hooglied van de liefde, van het leven dat gave en opgave is, door haar in dankbaarheid en gegevenheid aanvaard.
Maria wordt terecht bijna steeds biddend voorgesteld. Haar hele leven was één gebed.
In een authentieke gebedscultuur zijn precies de drie aspecten van haar leven volop aanwezig: veel stilte, weinige en simpele woorden, en een uitbundige, ja overdadige lofzang.
Dat ook ons bidden getekend zij door de stilte, voor herinnering en toekomstdroom: om het grote verhaal van het leven te overdenken en het grote visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde te durven dromen.
Dat ons bidden geen hoogdravende en complexe discussie zij, maar een eenvoudige dialoog, een simpel gesprekje met God. Enerzijds de vraag ‘Hoe moet dat met mij?’, een vraag om licht en inzicht, om genade en zegen. Anderzijds ook ons eenlettergrepige antwoord van gegevenheid,
éns ‘ja’.
En dat ons bidden ten slotte volop deelneemt aan de lofzang van de tij-
den, overlopend van woorden dit keer, en samen met heel de kerk en heel de wereld gezongen en steeds weer gezongen.
Dat bij alle goede wensen die wij elkaar op deze eerste dag van het nieuwe jaar toesturen, er eentje niet ontbreken moge. Wij wensen elkaar toe, in het spoor van de Moeder van de Heer, dat wij biddende mensen
zijn.
Dat zij die ons hierin is voorgegaan, ons daarbij ook moge bijstaan. Bid
voor ons, heilige Moeder van God. Openbaring des Heren – Mt 2,1-12

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

0 Reacties
Inline Feedbacks
View all comments
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x